< Terug

Preekschets bij Psalm 42:2b voor de laatste zondag van het kerkelijk jaar

Zo smacht mijn ziel naar u, o God

Psalm 42: 2b

  • Schriftlezing: Psalm 42

  • Thema: Wanneer zal zijn glimlach mij begroeten?

Liturgisch kader

Het eigene van deze zondag, de ‘eeuwigheidszondag’: de namen worden genoemd van gemeenteleden en van mensen rondom de gemeente die overleden zijn in het afgelopen kerkelijke jaar. Bijbelteksten bij de uitvaarten geven een sfeer van geborgenheid: ‘geborgen in Christus bij God’ (Kolossenzen 3:3). Dat heet in psalm 42: God willen ontmoeten.

Liederen uit de verschillende afscheidsdiensten zijn geschikt.
Bijpassende liederen zijn:

  • Psalm 84: 1, omdat het juichend ontmoeten van de Heer, die leven is en leven doet, zo sterk beleden wordt.

  • ‘Abba Vader, U alleen, U behoor ik toe’ (NLB Lied 886). Het sluit aan bij het begin van de Heidelbergse Catechismus.

  • Het kinderlied ‘’k Stel mijn vertrouwen op de Heer, mijn God’ past goed: ‘Want in zijn hand ligt heel mijn levenslot’.

  • NLB Lied 939 ‘Op U alleen, mijn licht, mijn kracht, stel ik mijn hoop, U zorgt voor mij.” Vanaf de eerste kreet tot de laatste zucht, zingt het derde couplet: ik leef in U en U leeft in mij.

  • Psalm 42 en 43; in psalm 43 is de berijming zo sterk: ’Dan ga ik op tot uw altaren, tot U, o bron van zaligheid, dan mag mijn ziel uw heil ervaren en dankbaar ruisen alle snaren…’ Deze twee Geneefse psaltermelodieën zijn buitengewoon indrukwekkend. Het is goed dat ook te noemen.

Uitleg

Psalm 42 kent schommelende gemoedsstemmingen en een beeldbepalend dier: een hert, dat smacht naar waterstromen. Stilstaand water is nooit gezond, stromend water, dát is het, tot op de dag van vandaag in het Midden Oosten, zoals bij de open waterleiding in de Qelt kloof in de woestijn van Juda (Israël). Dat woord smachten komt nog één keer voor in het Oude Testament: in Joël 1:20.

De Korachieten zijn de Levieten die zingen in de tempel (2 Kronieken 20:19). Het lied is opgedragen aan de koorleider. Je kunt je voorstellen, dat sommige zangers dit lied hebben gemaakt en op het repertoire willen hebben, omdat zo’n lied past in de omstandigheden van aangevallen worden op het hoogste niveau, namelijk op je Godsvertrouwen. Dat komt door die ene vraag: waar is dan je God?

Het hert is mannelijk en het werkwoord ‘smachten’ heeft een vrouwelijke vorm. Dat kan aanleiding geven om het gelijkwaardige en uitwisselbare van man en vrouw te benoemen. N.H. Ridderbos wijst erop, dat een hinde schuwer is en zich moeilijker laat zien dan een hert, behalve als zij vergaat van de dorst.

Het woord ‘smachten’ staat er twee keer tegen één keer het woord ‘dorsten’. Het is dus niet verlegen zitten om een slokje water. Het is existentieel: erop of eronder. Smachten naar de levende God om staande te blijven. De levende God is de bron van het leven, meer nog: de gangmaker van alles wat leeft, groeit en bloeit. De God die de kiemkracht, de groeikracht en de voortplanting in gang heeft gezet, de levende God, die liefde en leven is en doet. Die Korachieten hebben wel een punt, als ze dat zingen.

In vers 3 vraagt het woord ‘zien’ onze aandacht. Het gaat om een passieve vorm: gezien worden (door God). Het zien komt van de andere kant (P.J. van Midden). N.A. van Uchelen heeft: ‘verschijnen in zijn aanwezigheid’. Het primaat gaat uit van God die ons ziet. Daarom: wanneer zal zijn glimlach mij begroeten in het ontmoeten.

‘Waar is dan je God?’ – dit is de kernvraag, waardoor de psalmist in verwarring komt. Want die vraag is wellicht de aanleiding voor heel deze psalm. Wat heb je aan God en aan geloof? Is schepping niet vooral ‘mensen scheppen god’, in plaats van dat God ons zou scheppen? Dat zijn vragen die in onze tijd opgeld doen, als men ze tenminste nog de moeite waard vindt. En warempel: al twee en half duizend jaar geleden speelden die vragen ook al hun verwarrende rol.

Het resultaat is de vraag: ‘wat ben je bedroefd, mijn ziel?’ Dat woord ‘ziel’ is vrouwelijk. Weer is dit bijzonder dat een man een ‘vrouwelijke’ ziel heeft: hert als hinde. En nu komt van het één het ander. Het wordt een pittig zelfgesprek: wat is er toch met je, waarom ben je wanhopig? Dan kantelt het, als de gesprekspartner in het zelfgesprek het grote h-woord zegt: ‘Hoop op God’. Dat zeg je dus tegen jezelf. Het medicijn tegen vijandelijke pijlen van ongeloof is het lef om over de hoop te beginnen. Zo krijgt het vertrouwen op God ineens nieuwe energie.

‘Daarom denk ik aan U’: dat is redegevend. Waarom denk je aan God? Daarom denk ik aan God, omdat ik bedroefd ben. Blijkbaar is de gedachte: als je bedroefd bent, moet je bij God zijn. Hij verheft wie nederviel, zingt de berijming Psalm 42: 7. Dat is de sfeer.

Deze psalm vertolkt het verlangen om terug te mogen keren naar Jeruzalem vanuit de ballingschap in Babel (die 70 jaar duurde, Jeremia 29:10). Dat is de tweede bevrijdingsgolf in het Oude Testament na de uittocht uit Egypte. De ballingschap is niet een onschuldige gang van zaken, maar te zien als een straf, die eindig is. Tegen het eind van die straf komt het verlangen naar Israël met de waterstromen in de Jordaan vanuit de Hermon, zoals in vers 7 verwoord wordt. De waterstromen zijn letterlijk kolkend en fris, zoals van de Banias, de Dan en de Hermon, drie bronnen van de Jordaan. De Jordaan betekent afdaling: een afdaling naar het Meer van Galilea (−200 meter) en de Dode Zee (−420 meter) en dat vanaf de Hermon (+2800 meter). De naam ‘Hermon’ betekent verboden terrein, omdat de hoge berg aan de goden behoort. In de berijming (1773) van Psalm 133 gaat het over de dauw die de kruin van de Hermon bedekt. Ja, op de toppen van de Hermon blijft de sneeuw liggen en die is van verre zichtbaar. In Syrië wordt de Hermon genoemd: ‘sjech’ = de oude man (door de witte kruin).

Vers 11 is niet mis. Met een moordwapen, met een doodsteek, met een aanslag op wie ik ben. Wat is er aan de hand? Ze vragen de lieve lange dag: waar is je God dan toch? Israël heeft geen godenbeeld in het Heilige der Heilige – daarin staat een stoel en daar zit niemand op. Heidenen steken de gek met een godloos volk, dat geen beeld heeft. Het geheim: is niet een beeld hebben, maar een beeld zijn. Het beeld van God is niet in steen, edelmetaal of hout uit te drukken; de roeping van het volk is het beeld van God te zijn.

Vers 12 Wat ben je wanhopig mijn ziel, wat ben je onrustig? – dat is een refrein in deze psalm 42 en ook in psalm 43, die als een geheel worden gezien. Weer hoop op God als medicijn tegen wanhoop en onrust. Eens zal ik Hem weer loven – de negativiteit en narigheid, eindigheid hebben niet het laatste woord. Er komt een echte bevrijding. God is niet een Bevrijder, maar Hij is de Bevrijding zelf.

Aanwijzingen voor de prediking

Psalm 42 is de psalm van ’t hijgend hert (berijming 1773). Nu wil het geval, dat dit een bekende term is geworden. Zo is er in Zuid Limburg, boven Vaals een boscafé met de naam ’t Hijgend Hert. Dat is in het bos bij de plaats Vijlen, waar ook de hoogstgelegen kerk van Nederland staat.

Met deze psalm kom je midden in het leven te staan met schommelende gevoelsstemmingen. De kernvraag is: anderen laten mij weten dat het geloof in God nietszeggend is en nergens toe dient; hoe moet ik daarmee omgaan? Ik voel me in de steek gelaten. Op deze zondag van de voleinding en het herdenken van wie we dit jaar afscheid moesten nemen, kan dit zo voelen: het geluk is ons uit handen geslagen. De eenzaamheid krijgt mij in de greep.

In Psalm 42 is de identiteit van de psalmist in het geding: zonder God is een mens niet zoals hij bedoeld en gewild is. Dat maakt een mens onrustig. Die vraag ‘waar is je God’ raakt de diepste bestaansreden. En dan komt dat zelfgesprek op gang in deze psalm. Kan dit aanleiding worden voor een zelfgesprek, dat in ons eigen leven ook op gang mag komen? Dat je de kernvraag over de zin van geloven niet omzeilt, maar er rustig mee omgaat?

De drommen die opgaan in Jeruzalem. Hoe lang is dat geleden? Hier speelt de ballingschap een rol; ver van huis in den vreemde, waar godsdienst verbonden is met beelden van goud, zilver, hout of ivoor. En wat is jouw beeld van geloof? Hoop. En je beleeft het tegendeel: wanhoop en onrust. Je hebt niet een beeld van een godheid, maar je bent geroepen om beeld van God te zijn. Maar daar sta je zomaar ver van af. Door verdriet en gemis. De drommen die optrokken naar de kerk uit de tijd ver voor de coronamaatregelen, in de tijd van toeloop naar de (bijzondere) kerkdiensten. Zullen onze kinderen en kleinkinderen nog ooit een volle kerk zien? Somberheid kan je zomaar overvallen. En dan is het keerpunt: hoop op God, besef wie Hij is.

In zijn Predigtlehre heeft R. Bohren (blz. 116) een prachtige zin opgenomen: ‘We hebben primair een Persoon en niet een tekst te preken.’ En Psalm 42 geeft een helder zicht op God. Het gaat om de ontmoeting met de Persoon van de drie-enige God in wiens aanwezigheid wij mogen opbloeien in vertrouwen, dat Hij ons niet beschaamt. Wat Hij belooft, gebeurt. Naar Hem gaat het verlangen uit, op Hem is de hoop gericht om uiteindelijk de ontmoeting met de levende God te beleven. In de opening van de Confessiones zegt Augustinus: ‘Want zo hebt U ons geschapen, gericht op U, en ons hart kent geen rust tot het rust vindt in U.’

Psalm 42 komt uit op het punt, dat God niet maar Bevrijder is, maar zelf Bevrijding is. Dat is beeldbepalend. Hij verlost, bevrijdt, redt, vergeeft en verzoent. Die werkwoorden scheppen ruimte en stempelen het geloof in de navolging van Christus. Net als het begin van Psalm 103, waar David God in verband ziet met vergeven, genezen en het leven redden van het graf. Alle andere inzichten zijn daarvan afgeleid of moeten daarop gericht worden. Het is zoals Psalm 10: 14 belijdt: ‘Toch ziet U de pijn en het verdriet, U merkt het op en weegt het in uw hand.’ Juist dat wegen van verdriet mist Job bij zijn vrienden als hij uitroept: ‘O, dat mijn verdriet toch goed gewogen werd, en men mijn leed in een weegschaal daarnaast legde!’ – liever een weegschaal dan een fruitschaal! Let erop hoe de Here God onze tranen serieus neemt en niet weg laat lopen in het riool, maar verzamelt in een kruik (Psalm 56:9). En God zelf zal al onze tranen afwissen (Openbaring 21:4). In het bekende lied ‘Lichtstad met uw paarlen poorten’ zingt het refrein zo treffend: ‘Daar zal ik mijn Heer ontmoeten. Luisteren naar zijn liefdestem. Daar geen rouw meer en geen tranen in het nieuw Jeruzalem.’

Leven zoals God het bedoeld en gewild heeft, dat is leven in tijd en eeuwigheid. Dat is weten dat Jezus zegt: ‘Ik ga heen om jullie plaats te bereiden want Ik wil, dat jullie zijn waar ik ben’ (Johannes 14:1-3). Welkom geheten worden door de liefdesstem van Jezus en de glimlach van God, daar hopen we op in dit leven.

Ideeën voor kinderen en jongeren

Een dier kan dorstig zijn. Soms zie je op een terras, dat er een kommetje water gebracht wordt voor de hond die meekomt met zijn baasje. Weet je, dat die hond alleen maar een paar likjes neemt van dat water, als die hond het niet helemaal vertrouwt? Als de hond het wel vertrouwt, slurpt hij of zij er lekker op los. In Psalm 42 zien we een hert dat aankomt draven naar de frisse waterstromen. Deze psalm wijst ons op een dorstig hert, dat het water kan vinden, het vertrouwt en ervan kan genieten. Het is niet voor niets, dat Jezus zich het levende, frisse water noemt en als je daarvan drinkt, krijg je nooit dorst, want het goede waarmee Jezus je overlaadt houdt nooit op, ook niet als je ziek wordt of als je leven op aarde eindigt.

Gebruikte literatuur

  • P. J. van Midden, Efemeride1194, Psalm 42.1-3

  • N.H. Ridderbos, De Psalmen – deel 2. Korte Verklaring der Heilige Schrift (KV), Kampen: Kok, 1962

  • N.A. van Uchelen, Psalmen, deel II, Psalm 41-80, De Prediking van het Oude Testament (POT), Callenbach, 1986 (2e aangevulde druk)

< Terug