< Terug

Preekschets Deuteronomium 18:15 – 4e zondag van Epifanie

Hij zal in uw midden profeten laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet u luisteren.

Schriftlezing: Deuteronomium 18:13-22

Het eigene van de zondag

De tijd na Kerst is de tijd van de verschijning van Christus in ons midden: epifanie. Nu wordt openbaar wie hij is. Naast de gebruikelijke Nieuw-Testamentische lezingen voor deze zondagen, kunnen heel goed gedeeltes uit Exodus, Numeri en Deuteronomium gelezen worden, over hoe God aan zijn volk verschijnt na de uittocht. In dit tekstgedeelte klinkt de belofte, dat God profeten zal zenden om in zijn naam te spreken.

Uitleg

Letterlijk staat er in vers 13: ‘Gaaf (thamim) zul je zijn voor de Heer.’ Er wordt een woord gebruikt, dat ook voor offerdieren gebruikt wordt: ze moeten ‘gaaf’ zijn. Het zal niet betekenen dat je geen gehandicapte dieren mag offeren, laat staan dat gehandicapte mensen niet meetellen. In beide gevallen gaat het om gezindheid: je geeft God niet die dieren, waar je zelf toch niets mee kunt. Evenzo geef je jezelf niet halfhartig, maar zowel met je hart, als met je daden.

In het verband van de tekst betekent het vooral, dat je alleen naar God luistert en niet ook nog ‘wolkenschouwers’ en ‘waarzeggers’ raadpleegt. Je kunt geen twee heren dienen. Het komt erop aan om onderscheid te maken.

Om zichzelf toegankelijker te maken, heeft God profeten gezonden. Het volk voelde zich door God overdonderd, het durfde hem niet onder ogen te komen (zie Deut. 5:23-31). Zijn vuur deed hen branden van schaamte. Daarom hebben ze om profeten gevraagd, die God hen heeft gegeven. Profeten die meer menselijk nabij zijn, tussenpersonen.

Echter, daarmee wordt ook een probleem in huis gehaald. Want wie zal zeggen, of profeten werkelijk Gods Woord verkondigen? Profeten moeten de afstand tot God overbruggen, maar daardoor ontstaat de mogelijkheid, dat zij in Gods Naam iets zeggen, dat God hen niet heeft opgedragen. Of dat ze in naam van andere goden spreken.

De tekst suggereert een eenvoudige proef: als dat wat de profeet heeft gezegd, niet uitkomt (letterlijk: ‘het is niet en het komt niet’), dan heeft hij niet in Gods naam gesproken. Maar in de praktijk worden profeten vaker niet dan wel geloofd en zeker niet in hun vaderstad (en -land). En moeten profetenwoorden niet geloofd worden, om waar te kunnen worden? Als wij er geen geloof aan hechten, als wij de gewezen weg niet inslaan, dan zal er nogal eens weinig terecht komen van de profetie. Doorgaans kan bovendien alleen de geschiedenis uitwijzen, of een profeet gelijk heeft gehad. En dan nog: allerlei profetieën van de ‘grote’ profeten, zijn niet uitgekomen.

Kortom: de tussenkomst van profeten brengt mensen dichterbij God, maar kan er ook toe leiden dat men juist afdwaalt. Dat is de paradox van iedere openbaring: God kan zichzelf slechts openbaren door zich te verhullen. Zouden we met God zelf geconfronteerd worden, dan werden we verpletterd – we zouden het niet kunnen bevatten. Maar eenmaal door mensenmonden doorgegeven, valt iedere profetie ten prooi aan de mogelijke verwarring die taal nu eenmaal eigen is. Er zijn geen harde criteria om ware profeten van valse te onderscheiden. Er is alleen het geloof, dat wij aan hun woorden hechten, waardoor we ons een weg laten wijzen.

Maar er zijn niet alleen profeten. In de hoofdstukken hiervoor worden rechters, koningen en priesters ingesteld. Een soort ‘scheiding der machten’. Zij moeten samen de weg wijzen, er is woord en weerwoord. Zou er maar één ambt zijn, dan dreigt de dictatuur, maar nu is er dialoog mogelijk. Nu kan men elkaar op het rechte pad houden, met de profeet in de rol van kritisch tegenover, als iemand die de andere kant laat zien. Een ‘getuige van tegenspraak’ (Niek Schuman). Oppositie wordt zo in het bestuur ingebouwd.

Aanwijzingen voor de prediking

Nooit hoorden wij
andere stemmen dan de onze.
Nooit waren er handen die doen
wat handen niet kunnen,
nooit andere
goddelozer mensen dan wij.

Maar er was daglicht,
alle dagen, wat ook gebeurde,
alsof wij liepen
over een onzichtbaar weefsel
boven de afgrond gespannen,
dat niet scheurde.

(Huub Oosterhuis, Liturgische Gezangen II, 66; Gooi & Sticht)

De woorden uit dit lied van Huub Oosterhuis geven een mooi beeld van wat profetie is. Van die dubbelheid, dat er geen andere woorden zijn dan mensenwoorden, geen andere handen dan mensenhanden. In al hun feilbaarheid en kwetsbaarheid. En toch wordt, soms even, ‘lijden opgeschort of dragen mensen het samen. Zo zouden wij moeten leven.’ Woorden en daden die, dan toch, een onzichtbaar weefsel spannen boven de afgrond. Woorden en daden, waarin we elkaar dragen, die het houden. Bij profeten denk je meestal aan kritische geluiden. Maar zou in onze tijd, waarin al zoveel kritische stemmen klinken, profetie niet ook opbouwend kunnen zijn, bevestigend?

In wat minder poëtische taal verbindt Niek Schuman beide met elkaar. Hij schrijft, dat er in alle tijden mensen, of groepjes mensen, zijn geweest, die profetische trekken vertoonden: ‘Mensen die zich blijkbaar persoonlijk geroepen voelden, vanuit hun (geloofs)visie, tot het uitspreken en uitbeelden van kritische, onthullende of ópwekkende woorden over de situatie van hun dagen.’ (Schuman, Getuigen van tegenspraak, 144.) In onze tijd, meent Schuman, zullen dat vooral mensen zijn, die op een bepaald deelterrein blijk geven van een bewogen, bevlogen, kritische en ogen opende visie. Niet zozeer het grote visioen, eerder het kleine gebaar.

Waar klinken vandaag profetische geluiden?

Wellicht heeft dat ook alles met ons te maken, met de vraag waar wij ons door laten gezeggen, aanspreken. Met waar wij geloof aan hechten. In tijden van echt en vermeend nepnieuws is het moeilijk om waarheid van leugen te onderscheiden. Mensen zijn geneigd alles kritisch te bekijken, of zich juist af te wenden, van wat er allemaal gezegd en geschreven wordt en zich in hun eigen wereld terug te trekken. Maar wie, of wat geloven we wel?

Een andere spannende vraag die deze bijbeltekst oproept, is in hoeverre wij ons kunnen identificeren met het volk, dat om profeten vraagt, omdat het God niet durft te naderen. Is die huiver herkenbaar, of zouden we juist graag dichterbij God komen?

Ideeën voor kinderen

Een mooi kinderfilmpje over helden – gewone mensen die iets bijzonders, iets ‘profetisch’ doen, is te vinden op Youtube.

In dat filmpje wordt de vraag gesteld wie voor jou een held is geweest. Praat daarover door met de kinderen. Wat maakt iemand tot een held?

Liturgische aanwijzingen

De Evangelielezing is Lucas 4:21-30 contrasteert met de tekst uit Deuteronomium. In het Evangelie is het juist de ware profeet, die gedood dreigt te worden. Het zet de vraag naar hoe je een onderscheid moet maken tussen ware en valse profeten nog eens op scherp.

Eventueel kan ook Jeremia 1:4-10 gelezen worden, als voorbeeld van een roepingsverhaal.

Een passend lied is lied 1001, ‘De wijze woorden en het groot vertoon.’ Over Gods woorden die de wereld om willen keren. Lied 831 bezingt het lot van profeten. Lied 941 gaat over de onrust die ‘roeping’ met zich mee kan brengen.

geraadpleegde literatuur

  • N.A. Schuman, Deuteronomium. Verklaring van een bijbelgedeelte. Kampen 1983

  • N.A. Schuman, Getuigen van tegenspraak. Profetie uit de mond van Amos en Jesaja. Baarn 1981.

  • N. Leibowitz, Studies in DevarimDeuteronomy. The world zionist organization 1980.

< Terug