< Terug

Preekschets Exodus 29:5a – Derde Advent

Exodus 29:5a

Derde Advent

Trek Aaron daarna de priesterkleding aan.

Schriftlezing: Exodus 29:1-9

Het eigene van de zondag

Niet alleen koningen werden gezalfd in Israël. Ook de hogepriester Aaron werd gezalfd toen hij werd aangesteld. Deze derde Adventszondag gaat over wat men van de priesterlijke gezalfde mag verwachten.

Uitleg

Israël heeft de bestemming om een koninkrijk van priesters te zijn, een heilig volk (Ex. 19:6). Daartoe is het uit Egypte geleid en daartoe ontvangt het de tora. Wanneer dat allemaal gebeurd is, sluit de Heer een verbond met het volk en geeft Mozes de opdracht om een woning voor hem te maken. Het is Gods bedoeling om op aarde temidden van zijn volk te wonen (zie ook Joh. 1:14). Exodus 28 en 29 vertellen ons over het dienstpersoneel van die woning: over hun kleding, over hoe zij in dienst genomen worden en over wat hun taak zal zijn. Deze mensen mogen Gods huisgenoten zijn en kunnen in die hoedanigheid bemiddelen tussen de Heer en zijn volk.

Vers 1-3 Om huisgenoot van de Heilige te kunnen worden, moeten Aaron en zijn zonen zelf eerst geheiligd worden. Heilig wordt wel omschreven als ‘apart gezet voor een bijzondere dienst’. Dat is ook te zien aan de bijzondere kleding die de priesters moeten dragen, die zet ze apart. Maar geheiligd worden, is meer, het is ook: met kracht worden aangedaan, gemachtigd worden om iets te doen.

Geen mens kan zich die heiligheid zomaar toe-eigenen. Dat blijkt al uit de offergeschenken die worden meegebracht. De stier zal als reinigingsoffer dienstdoen, de ene ram als brandoffer, de andere ram als wijdingsoffer, de broden als ‘geurige gave die de Heer behaagt’. De offergeschenken die zij God straks zullen brengen voor anderen, hebben zij zelf ook nodig om voor God te kunnen staan.

Vers 4 ‘Laat Aaron en zijn zonen naar de ingang van de ontmoetingstent komen. ’ Het laten komen oftewel ‘naderen’ (qarav) is in deze context een veelzeggend woord. ‘Doen naderen’, is een technische term voor het brengen van offers. Mozes doet Aaron en zijn zonen naderen, als waren zij zelf een offergave. Alleen wie weet wat een offergave is, kan ook voor anderen straks offergaven brengen. Dat is verantwoordelijk en gevaarlijk werk, niet iets wat een mens zomaar op zich kan nemen. Mozes brengt hen tot aan de drempel.

Vervolgens moet hij hen wassen. Als zij eenmaal in dienst genomen zijn, zullen zij zelf hun handen en voeten wassen in het wasbekken in de voorhof (Ex. 30:19). De handen die het altaar bedienen en de voeten die het heilige binnengaan, moeten immers rein zijn. Hier worden zij gewassen, zij worden helemaal schoongemaakt. Het is het teken van reinheid, van schuld die vergeven wordt. ‘Ik zal mijn handen in onschuld wassen, een rondgang maken om uw altaar, Heer’ (Ps. 26:6).

Vers 5-6 Nu kunnen zij bekleed worden. Eerst wordt Aaron door Mozes bekleed, je zou kunnen zeggen: letterlijk met het ambt bekleed. De kleding heeft een hoge symbolische lading. Een uitvoerige beschrijving ervan staat in Exodus 28. Hier noemen wij alleen een paar belangrijke punten.

De kleuren van de kleding van de hogepriester komen overeen met de kleuren die in Gods woning gebruikt worden. Het blauw van het bovenkleed, het wit van het onderkleed, het rood en het goud van het priesterschort en de borsttas. Het zijn de hemelse kleuren: blauw van het firmament, wit van de wolken, verschillende tinten rood van de ochtend- en de avondlucht en de ‘gouden zonne’ (‘De gouden zonne heeft overwonnen’, Gez. 377:1). Deze kleuren horen bij God en ook bij zijn huisgenoten.

Het witte onderkleed is van linnen gemaakt, een plantaardige stof die licht te dragen is en wijst op de zuiverheid. Het is een uit één stuk geweven kleed (zie ook Joh. 19:23) en getuigt daarmee van heelheid.

Het blauwe bovenkleed is aan de zomen versierd met om en om kleine granaatappels en gouden klokjes. Granaatappels zijn zoetgeurende liefdesvruchten (zie Hooglied). De klokjes, die in het Hebreeuws ook letterlijk een stem (qol) hebben, kunnen staan voor de openbaring. Wanneer de hogepriester zich in het heiligdom beweegt en zijn taak volbrengt, brengt hij als het ware Gods liefdevolle openbaring tot klinken.

Het priesterschort is een kledingstuk dat op de schouders bevestigd wordt. Er zijn twee grote edelstenen op vastgemaakt waarin de namen van de twaalf stammen staan gegraveerd. De hogepriester draagt de namen van de stammen tot God, die ze kan lezen als een stil gebed. Plaatsvervangend voor zijn volk staat zo de hogepriester voor God.

Verbonden met het priesterschort is de borsttas, waarop twaalf edelstenen zijn vastgemaakt met daarop de twaalf namen van de stammen van Israël. Deze worden Aaron letterlijk op het hart gebonden. In de borsttas liggen twee orakelstenen verborgen. Ook die zijn Aaron op het hart gebonden. Zij worden gebruikt om in belangrijke kwesties Gods wil te vragen. De ene steen staat voor ‘ja’, de andere voor ‘nee’. De borsttas wijst op een andere belangrijke functie van de hogepriester: hij moet rechtspreken. Vanuit zijn hart moet het goddelijk recht doordringen in het hart van het volk.

Ten slotte krijgt hij behalve een tulband ook een heilig diadeem op zijn voorhoofd gehangen. Dit was een gouden plaat met daarop de woorden: ‘Heilig voor de Heer’. Wanneer een mens een offergave brengt, legt hij zijn hand op de kop van het dier en zegt daarmee: dit dier staat voor mij. Zo ligt als het ware Gods hand op het hoofd van de hogepriester: deze mens representeert mij. Als het volk de hogepriester ziet, wordt het herinnerd aan de eigen roeping om zelf een koninkrijk van priesters, een heilig volk van God te zijn.

Vers 7 Na het doen naderen, het wassen en het bekleden, volgt de zalving. Het is een zichtbare handeling die staat voor het ontvangen van Gods blijvende kracht om een bepaalde taak te kunnen volbrengen. De gezalfde krijgt deel aan de Heilige Geest. Zacharia 4:1-6 beschrijft de olijfolie die de kandelaar van de gemeente doet branden als een teken dat het niet door menselijke kracht maar door Gods Geest zal geschieden.

Vers 8-9 Dit priesterschap is blijvend. Niet alleen Aaron, ook zijn zonen krijgen een gordel om, met andere woorden: ook zij worden in dienst genomen. De gordel zorgt er ook voor dat zij niet over hun kleren zullen struikelen. Zij kunnen aan de slag.

Aanwijzingen voor de prediking

1.Afstand en nabijheid

Twee noodzakelijke ingrediënten in iedere relatie. Zonder afstand is er geen nabijheid mogelijk. Zonder afstand is er geen respect voor het anders zijn van de ander. Zonder afstand knuffel of sla je elkaar dood. In iedere relatie is er dat wankele evenwicht tussen afstand en nabijheid. Hoe dichtbij laat ik jou komen en in hoeverre houd ik jou op een afstand? Zo kun je ook de relatie tussen God en Israël bezien in termen van afstand en nabijheid. Er moet een zekere afstand zijn, want een mens kan God niet zomaar naderen. Dat is te gevaarlijk, dat overleef je niet. Zie bijvoorbeeld hoe het verboden is om de berg Sinaï zelfs maar aan te raken zolang God daarop troont (Ex. 19:12). En zie alle bijzondere maatregelen die nodig zijn om als huisgenoot van God heel dicht bij hem te mogen komen. Er moet dus een zekere afstand zijn, maar de afstand is geen doel in zichzelf.

Juist de instelling van het priesterschap is erop gericht om blijvende verwijdering te voorkomen. God wil dichtbij komen, hij wil in het midden van zijn volk wonen. Priesters zijn daarvoor nodig, die de steeds opnieuw optredende verwijdering kunnen overbruggen met hun offergaven. Het zijn de offergaven waarmee zij de schuld bedekken, waarmee zij de aanbidding verbeelden en waarmee zij gemeenschap stichten. Als Gods gezalfde en huisgenoot (Mat. 3:16, 17) wil Jezus Christus op dezelfde manier de verwijdering tussen God en ons overbruggen.

2.Toenadering in voorspraak en rechtspraak

De hogepriester staat bemiddelend tussen God en zijn volk. Aan de ene kant is zijn aanwezigheid alleen al een voorspraak bij God, hij draagt zijn volk op de schouders als een stil gebed in het heiligdom. Aan de andere kant is er de rechtspraak van God tot het volk, gesymboliseerd in de orakelstenen die samen met de twaalf edelstenen de hogepriester op het hart gebonden zijn. Aan de ene kant de genade, aan de andere kant het recht. Die horen bij elkaar zoals priesterschort en borsttas. Recht zonder genade is onleefbaar. Genade zonder recht is pure willekeur. Beide kanten zullen in Christus duidelijk worden: ‘Rechtvaardigheid is zijn bestel, zachtmoedigheid zijn metgezel’ (Gez. 120:2).

3.Bekleed met het heil

Je hoeft het niet allemaal zelf te doen. Een ander wast je, bekleedt je, zalft je. Mozes doet het voor zijn broer Aaron. Ook in de kerk gaat dat zo. Zonder die broeders en zusters was ik nooit gedoopt, had ik nooit iets geleerd over .wat het betekent om christen te zijn, had ik nooit belijdenis gedaan.

Je wordt bekleed met het heil. Dat is voor mij een heilzame les in deze tekst over het aankleden. Voor mij als een doener die leeft in een doe-het-zelfsamenleving is dit een zichtbare preek over overgave. Wij hebben genoeg te doen, maar steeds weer begint het met je laten brengen, je laten schoonwassen, je laten kleden, je laten zalven. Het begint met kinderlijk vertrouwen. Zo is Jezus ook begonnen.

Liturgische aanwijzingen

Mogelijke liederen: Psalm 133; 134; Gezang 117; 120; 162; 319; 377; 436. Als evangelielezing is Matteüs 3:13-17 bruikbaar.

Geraadpleegde literatuur

C. Houtman, Exodus III (cot), Kampen 1996; U. Cassuto, A Commentary on the Book of Exodus, Jerusalem 1987; D. Monshouwer, Het hart van de Torah, Kampen 1997; M. den Duik, Vijf kansen, Zoetermeer 1998.

< Terug