Menu

Premium

Preekschets Exodus 34:9

Exodus 34:9

Palmarum

Heer, trek met ons mee, schenk ons vergeving en maak ons tot uw eigen bezit.

Schriftlezingen: Exodus 34; Johannes 12:12-24

Het eigene van de zondag

De vieringen rond Palmarum worden over het algemeen bepaald door het evangelie van de intocht van Jezus in Jeruzalem.

Uitleg bij Johannes 12:12-24 als verdieping van Exodus

Jeruzalem in de greep van de massa. Pelgrims uit alle windstreken om hét feest te vieren: Pesach.

De drukste tijd van het jaar voor horeca, handelaars, verzorgers, politie. Daar tussenin, letterlijk en figuurlijk aan de rand van de feeststemming, twee kleine stoeten mensen die elkaar ontmoeten. Beide stoeten, apart genomen in zichzelf allesbehalve homogeen. Uit de stad komen mensen die deze befaamde rabbi verwachten: nieuwsgierigen (vs. 18) en anderen die de tijd rijp achtten voor de ‘zoon van David’ met alle daaraan verbonden verwachtingen (‘Hosanna! Gezegend hij die komt … koning van Israël’, vs. 13), en daartussen nog weer religieus gezagdragers die vrezen hun gezag kwijt te raken (‘Je ziet dat we niets bereikt hebben …’, vs. 5. Uit de andere richting, vanbuiten de stad binnenkomend: vrienden, aanhangers van Jezus. Over de discipelen voegt de evangelist nog toe, dat ze er niets van begrijpen dat hun meester zich in deze heksenketel begeeft (vs. 16).

Tussen beide stoeten in: Christus op de ezel, die Hem identificeert als realiteit van het woord (‘… zoals geschreven staat: vrees niet, Sion, …’, vs. 14). Tussen zo ongelijke krachtvelden zal Hij, de boodschapper, die ondanks alle spanningen zijn opdracht vervult, die komt als personificatie van dat woord van toekomst, verbrijzeld worden.

Het klassieke motief van de dagicoon (intocht van Christus in Jeruzalem) brengt die spanning op het punt en schildert dicht bij de tekst uit Johannes, wat deze ontmoeting tot de opmaat maakt van het komende: zijn sterven en opstaan. Opvallend in verband met het thema en de derde lithografie van Chagall is, hoe Jezus op de ezel zit (op Russische iconen vaak op een wit paard, bij gebrek aan populariteit van de ezel als vervoermiddel): een zegenend gebaar met de rechterhand en in de linkerhand het woord als zijn legitimatiebewijs. Het demonstratieve gebaar waarmee Christus het boek de stad binnendraagt, identificeert Hem tegelijk als bewaarder en garant van de belofte.

Johannes vertelt meer dan een episode, hij weet zich getuige van de zoektocht van God naar mensen en van zijn aanwezigheid op de weg naar het doel. Wie die weg gaat, in welke stoet dan ook, zal niet ten prooi vallen aan de machten van de chaos.

Uitleg bij en aanwijzingen voor de beeldmeditatie
‘Mozes’ – Exodus 34 (litho 126)

God houdt zich aan zijn belofte: Hij ‘ziet om naar zijn mensen’. Hij blijft op zoek naar hen. Hij ‘zal er zijn’, mét hen, welke weg zij ook kiezen. Exodus laat er geen twijfel over: ook in deze belofte, in de toezegging van zijn aanwezigheid blijft de mens partner van zijn Schepper en zal bij het reddende werk verantwoordelijk betrokken zijn. Niets gaat buiten de mens om, niets gaat vanzelf, niets valt de mens in de schoot – ook niet uit de hemel.

Nu pas, na alles wat er gebeurd is, kan Mozes van de Sinaï afdalen en brengen wat hij ontvangen heeft.

Pas nu is ook duidelijk wat dat is, wat de mens ontving: Gods wil tot redding als opdracht in verantwoordelijkheid. Gods woord is niet (meer) ‘Gods eigen werk en zijn eigen schrift’ (32:15, 16), het kan nooit iets anders zijn dan door de mens zelf verwoorde opdracht van zijn Schepper. Er is geen ‘origineel’ van de wet. Exodus beschrijft vrijheid net zoals Genesis leven beschrijft: geschenk uit genade. Vrijheid is, aldus Exodus, dus per definitie nooit menselijk product, maar resultaat van genade, die de mens in staat stelt om te handelen. Wat Mozes nu laat zien, is weer herkenbaar – ook al is het nog niet leesbaar; opnieuw krijgt de mens de kans,hetherkenbare te ‘vocaliseren’, het hoorbaar en begrijpbaar te maken naar zijn / haar eigen verstaan in zijn / haar eigen taal.

Zo blijkt de ellende niet het laatste woord in het bevrijdingsverhaal, maar krijgt Mozes de kans om aan zijn mensen kenbaar de maken dat de gebeurtenissen uit het verleden leerstof zijn voor de toekomst. Twee leerstukken zijn nu duidelijk en vast als stenen platen:

  • Wie wij zijn en wat wij zijn, zijn wij door hem.

  • Niets is hij, als wij niet laten zien en horen, hoe hij is.

Hier wordt het begrip ‘partnerschap’ van litho 123 opnieuw, maar anders duidelijk: partnerschap kan niet zonder gehoorzaamheid, functioneert niet zonder het inzicht, dat eigen handelen dié gids nodig heeft, dié beschrijving hoe leven bedoeld en mogelijk is.

Het lijkt erop als wilde Mozes iets voor zichzelf vasthouden – als wilde hij die platen beschermen dat nóch hijzelf nóch een ander hen kan vernielen. Maar het verhaal en de voorstellingen op litho’s 123 en 124 maken duidelijk dat het veeleer omgekeerd is: Mozes weet dat die twee platen houvast bieden voor hemzelf en voor het volk. Wat hij in handen draagt, is misschien iets dat hijzelf geschreven heeft, maar wat daarachter zit, is duidelijk het vuur van Gods toorn, die tegelijk zijn brandende liefde is.

Chagall onderstreept die interpretatie door alleen maar één oog van Mozes te laten zien: dat, waarmee hij naar zijn mensen kijkt. Dat andere zal ongetwijfeld weer naar ‘boven’ gericht zijn en eigenlijk meer oor zijn dan oog.

Je kunt vrijheid niet bewaren als een bezit. Exodus (en Chagall) vertellen: als jij je door die gids voor het leven niet laat vasthouden, ben je nergens. Dit ene open oog waarmee Mozes naar mij kijkt, laat mij ook weten: zoekend naar nieuwe mogelijkheden om te leven zoals bedoeld, mag ik weten dat ik gezien ben.

Zo ontstaat er een wonderlijke harmonie tussen vasthouden en vastgehouden worden, tussen zien en gezien worden, tussen geborgen zijn en uitkijken, tussen het aanbod en de uitdaging om het aanbod te gebruiken (te ‘vocaliseren’). In die zin vertellen misschien dat in elkaar overgaande blauw en rood iets over harmonie, waarin vrijheid te maken heeft met liefde en met trouw.

Liturgische aanwijzingen

Vele varianten van feestvieren met uiteenlopende mogelijkheden van optochten of processies bepalen het vrolijke karakter van ‘Palmpasen’ (voor het eerst omstreeks 600 in Spanje).

Bij deze kleine reeks diensten rond lezingen uit Exodus en lithografieën van Chagall biedt zich een andere, oudere en inmiddels weer opkomende liturgische traditie als model aan: een dienst die duidelijk in twee delen verloopt: het vieren van de komst van Jezus met als hoogtepunt de lezing van het intochtverhaal (incl. de liturgische feestkleur rood), en (zichtbaar voor de gemeente kan de liturgische kleur veranderd worden in paars) daarna een deel, waarin het lijdensverhaal (excl. kruisiging en begrafenis) centraal staat.

Gezang 173 LB – ‘Alles wat over ons geschreven is’ – zal als gemeentegezang tijdens het verwisselen van de liturgische kleur helpen voorkomen dat deze liturgische ‘actie’ als ‘theatraal’ ervaren wordt.

Afgezien van de goede historische papieren van deze traditie en de herinnering aan de niet toevallige praktijk om de Matthäus-Passion van J.S. Bach op Palmarum op te voeren, kan Palmzondag zó een geloofwaardig begin van de Goede Week vormen. De spanning die in deze week in de verschillende vieringen duidelijk wordt (bijv. tussen Witte Donderdag en Goede Vrijdag) kan door deze vorm van de dienst al op Palmpasen verhelderd en verdiept worden.

Een sterke ook emotionele ervaring kan het zijn, als men zowel het evangelie van de intocht alsook de lijdensverhalen met ‘verdeelde rollen’ leest – en daarbij de gemeente als groep de rol van ‘het volk’ geeft.

Zo ervaren mensen ook persoonlijk die teksten, door eerst in te stemmen in het ‘Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer’, en even later in het ‘Kruisig hem!’

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken