< Terug

Preekschets Filippenzen 3:17

Filippenzen 3:17

Jubilate

Volg mij na, broeders en zusters, en kijk naar hen die leven volgens het voorbeeld dat wij u gegeven hebben.

Schriftlezing: Filippenzen 3:1-9, 17-21

Het eigene van de zondag

De naam van de vierde paaszondag is ontleend aan de antifoon van Psalm 66:1, ‘Juich voor God heel de aarde.’ In de paastijd klinkt deze opwekking tot lof tegen de achtergrond van de opstanding van Christus, als het fundament onder de voeten van de gemeente. De oriëntatie op Christus spreekt ook uit de schriftlezing uit Filippenzen 3 en vindt zijn echo in de keuze van de liederen en gebeden.

Uitleg

In dit deel van zijn brief waarschuwt Paulus in alarmerende bewoordingen tegen wie iets anders verkondigen dan Jezus Christus. Met retorisch effect, in de vorm van een driemaal herhaalde waarschuwing, hekelt hij de ‘honden’, degenen die ‘slecht handelen’ en ‘de versnijdenis’ leren. Honden zijn onreine dieren. Met deze uitdrukking werden de heidenen wel aangeduid. In Openbaring worden de ‘honden’ genoemd naast tovenaars, hoereerders en moordenaars. ‘Werkers der boosheid’, een uitdrukking uit de Psalmen, slaat hier waarschijnlijk op wie onwaardig leven in dienst aan het evangelie (vgl. 1:15-17). De verbastering van ‘besnijdenis’ tot ‘versnijdenis’ heeft een hoog retorisch effect. De tegenstanders die Paulus hier bestrijdt, even fel als in Galaten, zijn judaïserende partijen, die de besnijdenis ook willen opleggen aan alle niet-joden die zich aangesloten hebben bij de christelijke gemeente en daardoor verwarring en tweedracht zaaien. Volgens Paulus zijn degenen die door het geloof Jezus Christus aanvaard hebben de ware besnedenen (van hart): zij worden geleid door de Geest en dienen God in vrije gehoorzaamheid. Het woord ‘vlees’ vat samen wat in het licht van het evangelie haar waarde verloren heeft: elke vorm van (al dan niet godsdienstige) zelfrechtvaardiging.

In vers 17 roept Paulus de Filippenzen op zijn navolgers te worden. Het Grieks gebruikt hier niet akoloutein, dat op het aardse navolgen van Jezus betrekking heeft, maar het werkwoord mimeomai, dat sterker imitatief van betekenis is (nabootsen – nadoen – navolgen). In 1 Korintiërs 4:16 en 11:1 klinkt dezelfde oproep. In laatstgenoemd tekstvers zegt Paulus er direct bij ‘.zoals ik Christus navolg’.

In het tekstvers spreekt hij ook over het navolgen van het goede voorbeeld van zijn medestrijders, zoals Timoteüs. Zo vallen te onderscheiden: de imitatio Christi, een imitatio Pauli (het navolgen van Paulus’ voorbeeld) en een imitatio Paulina (navolging van wie Paulus navolgen, dan wel in de geest van Paulus). Paulus spreekt hier over de tweede en derde vorm, waaraan de eerste ten grondslag ligt (letterlijk: ‘Wees medenavolgers met mij’). Opvallend is dat Paulus geen conflict ziet tussen het paradigma van Christus en zijn eigen apostolische voorbeeld. Hij beschouwt zijn leven als ‘vita Christi’ (vgl. 1 Kor. 4:17).

In 1 Tessalonicenzen 1:7 wordt de gemeente van Tessalonica ten voorbeeld gesteld aan de andere gemeenten in Macedonië en Achaje (als ‘typos’). Ook daar heeft de voorbeeldfunctie te maken met hun goede wandel, waarover Paulus in vervolg van Filippenzen 3:17 uitweidt. De oproep tot de goede levenswandel is noodzakelijk, omdat velen wandelen ‘als vijanden van het kruis van Christus’. Paulus spreekt bij dit contraperspectief in emotionele bewoordingen. Het raakt hem, dat sommigen zijn apostolisch vermaan naast zich neergelegd hebben en hun aardse gezindheid niet hebben afgelegd. Zij bewerkstelligen hun eigen ondergang. Het dienen van aardse belangen naast het dienen van God brengt Paulus in verband met de ‘buik’. Of hiermee de spijswet bedoeld is of juist genotzucht, is exegetisch niet geheel duidelijk. Waarschijnlijk is het laatste bedoeld.

Achter de felheid en emotie van Paulus brandt de liefde. Door de dienst van de apostel en zijn team verspreidt zich de levensgeur van Christus (2 Kor. 5:15) en manifesteert Gods liefde zich onder de heidenen. Om deze liefde draaien Paulus’ leven en bediening. Filippenzen 3 vertolkt, als existentiële parallel van de Christushymne in hoofdstuk 2, wat ‘zichzelf verloochenen’, ‘kruisdragen’, ‘zijn leven verliezen’ en ‘achter Jezus aankomen’ (de synoptische formuleringen) inhouden. Zij ontlenen hun betekenis aan de ‘kenosis’ (ontlediging) van Jezus zelf en aan de daarin openbaar geworden heerschappij van Gods liefde. In hoofdstuk 3 beschrijft Paulus zijn persoonlijke overgave aan Christus en zijn gerechtigheid, die bepalend is geworden voor zijn leven. Wat de rijke jongeling niet kon opbrengen, wordt bij Paulus realiteit: het prijsgeven van al het andere om Christus te winnen. De weg van radicale zelfverloochening en bevrijde navolging, die in de evangeliën aarzelend ingang vindt, krijgt bij Paulus vaste gestalte door de Geest (vgl. 3:3).

Aanwijzingen voor de prediking

Aan te bevelen is het didactische aspect van vers 17 nader uit te werken: dat men de navolging van Christus leert in het ‘nadoen’ van anderen. Paulus leert de gemeente van Filippi zijn eigen voorbeeld. Op het eerste gehoor schrikt ons dit af: dat hij zo sterk overtuigd is van de authenticiteit van zijn apostelschap, dat hij zijn eigen levensweg ‘voorbeeldig’ acht. Als we erover nadenken, zullen we inzien dat wij allen het geloof leren en meekrijgen door het voorbeeld van anderen. Onze ouders en grootouders gingen ons voor op de weg van het geloof. Zo zou ook Augustinus geen christen geworden zijn zonder Monica en zonder Ambrosius. Luther en Calvijn hebben ook een sterk persoonlijke invloed uitgeoefend op de kerken van de Reformatie. En Bonhoeffer leerde geloven door het voorbeeld van Maria Holl, zijn gouvernante, die lid was van de Hernhutters. Wij leren het geloof van anderen. In de natuur volgen de jonkies de ouders al op de voet. Bij alle moderne godsdienstpedagogiek en bij het zoeken naar nieuwe vormen van geloofsoverdracht, blijft het persoonlijke voorbeeld doorslaggevend.

Een voorbeeld uit het leven van Bonhoeffer verduidelijkt dit. In het seminarie van Finkenwalde meldde niemand zich vrijwillig voor de afwas, waarop Bonhoeffer de keuken inging, de deur op slot deed en heel de afwas in zijn eentje deed. Hij reageerde met geen woord op het gejammer bij de deur. De afwas is daarna nooit meer een probleem geweest.

In de oproep van de apostel om zijn voorbeeld te volgen, gaat het uiteindelijk om de navolging van Christus zelf, als bron en norm van ons geloof. Letterlijk zegt Paulus: ‘Wees mijn medenavolgers.’ Hij wil niets anders, dan degenen die hem volgen in het spoor van Christus te leiden. Dit is bij Bonhoeffer niet anders. Telkens wanneer hij het over navolging heeft, staat de relatie met Christus daarbij centraal. De bron van de gemeenschap in het geloof is niet psychisch, maar geestelijk van aard. Zij ligt buiten onszelf in Christus.

Het is goed in de preek ook de tegenstem op te zoeken. Er zijn ook voorbeelden en idolen, die de verkeerde kant op leiden. Er gaat veel mis bij ons ‘navolgen’ en ‘nadoen’, van de opvoeding tot de file bij de ikea op tweede paasdag (vormen van collectief gedrag). Bij de opvoeding luistert het nauw. Augustinus vertelt in zijn Belijdenissen, hoe hij in zijn jeugd de weg kwijtraakte door het verkeerde voorbeeld van de heidense godenverhalen en de verzinsels van de oude Grieken. We denken ook aan onze jongeren. Goede bedoelingen zijn bij de geloofsopvoeding niet genoeg. Ons persoonlijke voorbeeld is doorslaggevend.

Paulus schrijft dat de gemeente weerbaar moet zijn tegen dwaalsporen. Bonhoeffer laat in zijn indrukwekkende tijdrede van eind 1942 (‘Na tien jaar’) zien, hoe moeilijk het is, goed en kwaad te onderscheiden. Wij misleiden onszelf op tal van manieren. Daardoor zijn we niet bestand tegen het kwade. Paulus en Bonhoeffer zitten op één lijn in hun benoemen van het kwaad. Daarbij denken zij beiden aan alles, wat van de weg en het voorbeeld van Christus en van de vrijheid van het geloof vandaan voert.

Paulus maakt zich aan het begin van Filippenzen 3 kwaad dat er nog steeds mensen zijn, die vreemde geboden en een vreemd juk opleggen aan wie zich door Christus lieten vinden. In de tijd van Paulus waren dit groepen fanatieke joden, die de besnijdenis ook aan de christenen uit de heidenen wilden opleggen. In onze tijd waait de wind eerder uit libertijnse hoek. ‘Hun god is de buik’, zegt Paulus daarover kort en krachtig. Als het lichamelijke, het cosmetische, het materiële en het consumptieve de boventoon voeren, komt de vrijheid van het geloof in het gedrang en staat de dienst van de liefde onder druk.

Vanmorgen klinkt de vraag wat het kruis en de weg van Jezus Christus betekenen in een wereld vol zelfzucht. Zijn naam staat voor gerechtigheid en solidariteit. In een onherbergzame wereld leert hij ons instaan voor elkaar.

Liturgische aanwijzingen

Liturgisch kan deze zondag Filippenzen 3:10-17 functioneren als ‘credo’, gevolgd door het zingen van bijvoorbeeld Gezang 252:3 en 4. Zie verder Tt 84: ‘Bekleedt u met de nieuwe mens’; goed bruikbaar zijn verder Psalm 81:4, 7-9, 11; 119:3 (U wil ik volgen) en Gezang 435:1, 2 en 5.

Geraadpleegde literatuur

T.G. van der Linden, Volgenderwijs. Een theologische studie over ‘navolging’ als ecclesiologisch motief, 81-88, 103-108, over navolging in de brieven van Paulus.

< Terug