< Terug

Preekschets Galaten 5:25

Galaten 5:25

Exaudi of Weeskinderen

Wanneer de Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de Geest ons wijst.

Schriftlezing: Galaten 5:13-26

Het eigene van de zondag

Deze zondag staat in het kerkelijk jaar enigszins op zichzelf vanwege de plaats tussen Hemelvaart en Pinksteren. De zondag kan goed worden betrokken op de biddende verwachting van de heilige Geest, in navolging van de discipelkring (Hand. 1:14). Op deze en de volgende twee zondagen lezen we het slot van de Galatenbrief, waar de vrijheid in Christus wordt geconcretiseerd als leven onder leiding van de Geest.

Uitleg

Bij de Galatenbrief maakt de visie op de voorvragen een behoorlijk verschil. Gaat het om gemeenten in het centrale bergland van Turkije (het hartland van de Galaten als een eigenzinnig volk, vgl. Kelten en Galliërs) of om gemeenten in de kuststreek binnen de Romeinse provincie Galatië? In het ene geval bestaan de gemeenten exclusief uit bekeerde heidenen, in het andere geval kennen ze ook leden met een Joodse achtergrond. Een en ander hangt samen met de datering van het ontstaan van de gemeenten, het inpassen van de historische referenties in de biografie van Paulus en het moment waarop deze brief geschreven moet zijn. De verschillen hebben gevolgen voor de interpretatie van het probleem in de gemeenten. Er is geen brief waarin Paulus zo direct en scherp uitvalt tegen aantasting van het evangelie. Maar wat is het probleem?

De problematiek heeft te maken met het leven naar de Joodse wetten en traditie. Ik volg de uitleg van Van Bruggen, die de brief dateert na het apostelconvent, (ca. 56/57 n. Chr.). Het gaat dan niet om Judaïsten die het consequent handhaven van de wetten ook voor niet-Joden noodzakelijk vonden. Die benadering is in Jeruzalem afgewezen (ca. 47/48 n. Chr.). Het gaat om een pragmatisch verzoek, waarbij de gemeenteleden werd verzocht om zich in te voegen in de zichtbare Joodse tradities van besnijdenis, voedselwetten en sabbat. Daardoor zou voor de Joodse volksgenoten het wantrouwen tegenover christenen minder groot zijn. Let wel: de Eerste Joodse Oorlog (66-70 n. Chr.) wierp zijn schaduw vooruit en polariseerde de verhoudingen tussen Joden en niet-Joden, ook in de christelijke gemeenten. Ook bij andere exegese van de Galatenbrief blijft het gaan om het leven naar de Joodse traditie, ook voor christenen met een niet-Joodse achtergrond. Daarmee levert men in op de vrijheid van Christus en legt men anderen een nieuwe wet op die als voorwaarde zal gaan werken voor de toegang tot de gemeente en daarmee tot de rechtvaardiging in Christus. Paulus reageert fel, omdat er met het evangelie wordt gemarchandeerd en mensen zo de vrijheid van Christus kwijtraken.

Vrijheid is een kernbegrip in de brief. In Christus zijn we bevrijd van ‘deze door het kwaad beheerste wereld’ (1:4). In het verlengde ervan ziet Paulus de bevrijding van de wet van het oude verbond als de weg van het heil (4:5). De brief loopt uit op de onomwonden oproep om bij de gekregen vrijheid te blijven (5:1). Na de aandacht voor de bedreigingen van deze vrijheid, volgt nu een positieve invulling: de vrijheid van Christus vindt haar doel in de vernieuwing van het leven door de Geest. Paulus maakt zich zo druk over de dwaalleer omdat de eenheid van de gemeente en de groei van het christelijke leven gevaar lopen. De tegenstelling tussen besneden of onbesneden wil hij vervangen door de veel belangrijker tegenstelling tussen vlees en Geest.

Het leven door de Geest wordt in 5:13-25 uitgewerkt naar de persoonlijke kant ervan, maar met een duidelijke focus op de gemeenschap. De ingang wordt gevormd door de bijdrage van de individuele christenen aan de gemeenschap: dien elkaar in liefde (5:13) en vlieg elkaar niet aan (5:14). De oriëntatie op de onderlinge verbondenheid krijgt nog meer aandacht in het vervolg (5:26v). Het tussenliggende deel over de tegenstelling van vlees en Geest en de aandacht voor de vrucht van de Geest moet daarom worden gelezen binnen dit kader van aandacht voor de eenheid en vrede in de gemeente. Omdat vrijheid een roeping en een geschenk is, mag ze niet worden gebruikt voor het bevredigen van eigen begeerten en het vervullen van egowensen.

De diverse omschrijvingen van het ‘vlees’ in de nbv geven wel een goed beeld van wat wordt aangeduid: de bron van lusten en begeerten, de mens die zich niet laat leiden door verstand en wijsheid. Leven uit deze dimensie van het menszijn levert veel problemen op en ontwricht de gemeenschap en verbondenheid binnen de gemeente. De strijd hiertegen acht Paulus van groter belang dan de interne strijd over de besnijdenis van de niet-Joden.

In scherp contrast worden vlees en Geest tegenover elkaar gesteld. Deze tegenstelling betreft in de eerste plaats de intenties en tendens van beide. Wie leven door de Geest, staan niet meer onder het toezicht van de wet (5:18). De betekenis van het woord ‘wet’ is in deze brief ingevuld als het complete leven naar de Joodse tradities. De essentie van de wet wordt door Paulus echter voluit gehandhaafd en vormt zelfs een bron voor zijn oproep tot liefde en dienstbaarheid. Doordenken over de vrijheid leidt daarom niet tot antinomisme. Wel stimuleert het persoonlijke overtuiging en geestelijke ruimte. De Geest is noodzakelijk tegenover de destructieve tendens van onze eigen wil. De wil tot het goede is niet gekoppeld aan ons mens-zijn, maar het gevolg van de bevrijding door Christus. Het leven naar onze eigen wil maakt een mens tot slaaf en plaatst iemand buiten het koninkrijk (5:21). De lijst van ondeugden lijkt losjes samengesteld. Ook bij de Stoïcijnen fungeerden lijstjes met deugden en ondeugden. Voor Paulus gaat het echter niet om de kiezende mens, maar om de tegengestelde uitwerkingen van vlees en Geest.

Opvallend is het enkelvoud ‘vrucht’ van de Geest, tegenover de ‘werken’ van het vlees. De genoemde eigenschappen hangen samen en vertonen een zodanige eenheid, dat dit de ‘vrucht van de Geest’ in een mens genoemd kan worden. De kenmerken zijn te verbinden aan het doorgaande motief van de verbondenheid in de gemeente. Tegelijk beschrijven ze de persoonlijke groei van een mens die de richting van de Geest volgt. En dan is het een prachtige mens, die hier wordt geschetst. Een waardevolle persoon voor de gemeenschap. Een christen die zijn vrijheid gebruikt voor het doel waarvoor hij/zij die gekregen heeft.

Aanwijzingen voor de prediking

Welke richting wijst de Geest? Dat is een eerste vraag die opkomt bij de tekst. Een existentiële vraag voor christenen, die gehoor willen geven aan de stem van God. Daaronder ligt het besef dat je geroepen bent om met je leven antwoord te geven op de God die je bevrijd heeft. Vanuit de bevrijding start de zoektocht naar de wil van God, naar praktische wijsheid, kortom naar de richting die de Geest wijst. Verlegenheid en onzekerheid zijn daarin niet onbekend, maar ook teleurstelling of onverwachte perspectieven.

Onder de oproep van Paulus ligt de vooronderstelling dat de Geest ons leven leidt. Letterlijk: dat wij door de Geest leven. Hij formuleert dit eerst als de werkelijkheid, los van onze ervaring. Het werk van de Geest laat zich op verschillende niveaus ontdekken: in het persoonlijke leven, in de ontwikkeling van ‘het christendom’ en in het proces over de eeuwen, dat begonnen is met Pinksteren. Op al die niveaus gaat het om de bevrijding door Jezus Christus. De realiteit van de Geest vormt de achtergrond bij het ontdekken van zijn actuele leiding.

De richting van de Geest wordt door Paulus met klem aanbevolen. Daarover moet men zich druk maken, in plaats van de vraag of Joden wel voldoende van de wet herkennen in het leven van de christenen. De Geest is gericht op de vrijheid, die het geloof in Jezus Christus brengt. Laat dat steeds meer de wil en concentratie van gelovigen worden. Daartegenover staan veel andere zaken die de aandacht en energie wegzuigen.

De leiding van de Geest kent een heel persoonlijke kant. Een prachtige schets wordt hier gegeven. De Geest maakt van christenen mooie mensen: ze lijken op Christus. Ieder mens wil wel groeien in de genoemde negen aantrekkelijke karaktereigenschappen. Tegelijk kent ook ieder zijn/haar teleurstellingen. Ook al moet er aandacht zijn voor gebrokenheid en beperking, toch mag de schets van Paulus de nodige belichting krijgen.

De lijst van deugden kan frustrerend werken, als het wordt opgevat als een onhaalbaar ideaal of als een normatief profiel. Maar Paulus noemt het de vrucht van de Geest: geen werk van een mens, geen checklist voor de christen en zeker geen voorwaarden voor een kind van God. Het zijn effecten van de vrijheid, die je biddend invult met de Geest.

Het contrast met de werken van het vlees is groot. Ondanks de algemene afkeuring van de genoemde zaken is het wel de dagelijkse praktijk, zeker in de media. Met enige humor is dit goed te beschrijven. De scherpe tegenstelling waarschuwt ons voor onszelf en onze begeerten. Paulus roept op tot actief verzet: sla ze aan het kruis. Zo actief kunnen we de Geestesvrucht niet organiseren. Een vrucht heeft tijd nodig om te groeien en te rijpen. Maar je kunt de groei wel bevorderen.

Het volgen van de Geest is de gewenste invulling van de bevrijding door Jezus Christus. Daarin komt het leven van een mens tot vervulling. De Geest werkt aan karaktervorming. Vaak begint het met kleine stapjes: één goede daad leidt tot een tweede. Die vormen een goede gewoonte. En dat leidt uiteindelijk tot een goed leven en een goed karakter: Jezus Christus neemt door de Geest zijn intrek in de mens.

Liturgische aanwijzingen

Als oudtestamentische lezing is te denken aan Jesaja 48 of Psalm 25 over Gods leiding. Ezechiël 36 en Jeremia 31 geven licht op het nieuwe leven. Uit het Nieuwe Testament: Johannes 15, 16; Efeziërs 4; Kolossenzen 3. Het thema ‘vruchtbaarheid’ levert ook suggesties op voor liederen: Psalm 1, 65, 67, 143 en 146; Gezang 15, 252, 473. Passend in het kerkelijk jaar zijn Gezang 233, 234 en 235.

Geraadpleegde literatuur

J. van Bruggen, Galaten. Het goed recht van gelovige Kelten, cnt-iii, Kampen, 2004.

< Terug