< Terug

Preekschets Genesis 33:4

Genesis 33:4

Vijftiende zondag na Pinksteren

Esau rende hem tegemoet,
sloot hem in zijn armen en kuste hem.
Beiden lieten hun tranen de vrije loop.

Schriftlezing: Genesis 32 en 33

Uitleg

‘Door te interpreteren moeten we er iets van leren, anders bevinden we ons uitsluitend in een volkenkundig museum’, motiveren Hanneke Meulink-Korf en Aat van Rhijn (mk/vr) hun nauwkeurig bijbellezen en hun vraag naar de betekenis van vrijwel alles (in: De onvermoede Derde). Ook in het ‘Derde Zijlicht’ komt het me voor dat hun hermeneutische blik is geïnspireerd door Nagy, Girard en Levinas.

Genesis 32 en 33:1-17 scharnieren om Genesis 32:25-33. In het gedeelte voor de worsteling treft Jakob voorbereidingen voor de ontmoeting met Esau; in het gedeelte erna vindt de ontmoeting plaats. Mijn vraag is: wat is er veranderd na de worsteling?

mk/vr benadrukken de ambiguïteit van Jakob: hij is een rijk en machtig man maar tegelijkertijd kwetsbaar als een dienstknecht – deze betrekking tot Esau benadrukt Jakob sterk. mk/vr pleiten ervoor om niet over de vrees van Jakob heen te lezen maar integendeel die serieus te nemen. In vers 8 kun je ‘bevreesd worden’ en het ‘benauwen’ als een versterking van elkaar lezen, maar mk/vr volgen rabbijnse commentaren: Jakob was bevreesd omdat hij misschien gedood zou worden; maar wanneer Jakob de Jabbok overgaat, de grens die hem nu nog scheidt van Esau, zou Jakob zijn broer kunnen gaan doden. Dat maakt hem bang. Maar er is iets, wat hem van moord weerhoudt; iets, wat hem verantwoordelijk maakt voor het leven van zijn broer. Esau representeert in die zin een ‘wet’ die ‘de vanzelfsprekende eis tot zelfbehoud doorkruist en betwist’. Het zal van Jakob afhangen of er toekomst is of niet, voor de broers en iedereen voor wie zij verantwoordelijk zijn (kinderen!). Vers 10 en 11 tonen Jakobs twijfel aan zijn mogelijkheden hiertoe. Overigens lijkt de angst voor Esau toch ook een aanleiding voor zijn hulpvraag, maar deze psychische nood laten mk/vr minder zwaar wegen dan de ethische wet waaraan Jakob, bang als hij is, moet voldoen.

Jakob zoekt hulp, zoekt een uitweg uit het dilemma ‘gedood worden’ of ‘doden’. In vers 21 horen we Jakob bedenken (ethische verbeelding!) hoe de ontmoeting tussen Esau en hem kan verlopen. Opmerkelijk is de viervoudige herhaling van penee (op z’n Amsterdams: ponem). In de NB: ‘Laat ik zijn aanschijn verzoenen door de broodgift die voor mijn aanschijn uitgaat; daarna durf ik zijn aanschijn aan te zien, misschien zal hij zijn aanschijn opheffen.’ Verzoenen, chapar, heeft associaties met: afwenden van (Gods) toorn; iemand door een gift gunstig stemmen. Kun je zeggen: Jakob wil proberen Esaus gezicht te redden? Wie dat oprecht en niet-strategisch doet, verwerft krediet bij de ander.

De NB vertaalt ‘geschenk’ met ‘broodgift’, maar dat kan ik niet volgen. Een mincha wordt gegeven aan profeten, (vreemde) koningen; het kan een opgelegde bijdrage zijn (belasting) en een offergave. Dat lijkt me wel passend: er zit een soort plicht achter dit geschenk! Er móet ‘iets’ gegeven – en ontvangen – worden, wil de relatie weer leefbaar worden. mk/vr: ‘Communicatie is een werkelijkheid gemeenschappelijk maken. Dat begint daarmee dat ik iets wat “van mij” is geef aan iemand anders; niet als genadebrood maar als “voor jou”.’ ‘Genadebrood’ vind ik toch niet gek: de broers zijn afhankelijk van elkaar voor de voortgang van hun leven.

De worsteling van Jakob en zijn tegenstander (in rabbijnse traditie ook ‘de engel van Esau’ genoemd, mk/vr), zou gezien kunnen worden als een vorm van toe-eigening van een ethisch bewustzijn waarvan Jakob niet meer los kan komen. De Plaats (zie 6 september) van de worsteling en het Aangezicht van de zegenende tegenstander vallen samen: Peniël, Ponem van God, vers 31. Worstelend in de ruimte van God vindt Jakob zijn redding, maar niet ongeschonden komt hij uit de strijd. mk/vr: ‘Ethiek komt van buiten, en postvattend in een mens slaat de ethiek een wond.’ De zon gaat op, nu kan het dag worden! Door de strijd aan te gaan, is Jakob nu toegerust voor de ontmoeting met degene bij wie hij in de schuld staat. Zijn ‘ziel is gered’: zijn levensgeest is niet vernietigd, heeft toevlucht gevonden, is bevrijd uit de greep van onheil (gedood worden of doden).

Nu vindt de ontmoeting daadwerkelijk plaats. Er staat niets over het resultaat van 32:14-22, dus we moeten het doen met wat er zich nu tussen Jakob en Esau afspeelt. Jakob gaat, kwetsbaar, voor zijn ‘leger’ uit en buigt zeven keer voor zijn ‘heer’. Is hij onderdanig, kruiperig, slim-strategisch bezig? Wordt Jakob met dergelijke kwalificaties recht gedaan? Jakob geeft waar Esau recht op heeft: hij erkent dat hij bij Esau in het krijt staat. Jakob had immers ook op hoge poten naar Esau kunnen gaan: ik ben de eerste, ik ben machtiger dan jij, buig jij maar voor mij. In dat geval had Jakob de rivaliteit onmiddellijk aangewakkerd en het sluimerende conflict geactiveerd. Jakob verwerft met zijn gedrag jegens Esau constructief recht.

Het kan zijn dat Esau naar Jakob toerent met al z’n mannen om hem te grazen te nemen, maar door Jakobs gedrag daarvan afziet. mk/vr verwijzen naar een oude rabbijnse discussie over puntjes in de tekst die erop kunnen duiden dat ‘Esau op het kritieke moment te maken kreeg met een onvermoede weerstand die te groot voor hem was, waardoor het hem, als door een wonder, onmogelijk werd om te doen wat hij van plan was’. mk/vr vragen zich af, wat dat voor weerstand was, waardoor Esau ‘de aandrift tot fysiek geweld en machtsuitoefening als het ware [omzette] in de kus?’ Zij denken dat dit ‘ethische weerstand’ heet. Het zien van Jakobs aangezicht was voor Esau aanleiding om wat er mogelijk van zijn toorn over was te laten varen.

Vers 4 Jakob en Esau zijn ‘in tranen’, ze ‘zijn zichzelf niet meer’, ze houden zich niet langer ‘goed’. mk/vr citeren in dit verband Levinas: ‘Emotie is een wijze van staande blijven terwijl de grond onder je voeten wegzinkt.’ De vijandschap, de rivaliteit tussen beide broers verdwijnt, ze zien elkaar niet langer als te elimineren objecten: ze vinden een nieuwe positie waarin het niet meer mogelijk is er elkaar te beheersen. mk/vr: ‘Ontlasting van een zijnde dat zijn greep opgeeft. Dat is misschien de betekenis van tranen. Een onmacht van het zijn dat tot menselijkheid vervalt.’

mk/vr stoppen hier hun interpretatie van de tekst. Mij lijkt het zinvol om nog even verder te lezen over de uitwerking van het opheffen van hun rivaliserende posities wegens hun gedeelde tranen.

Vraagt Esau in vers 5 naar de hem gepasseerde ‘broodgift’ of is hij belangstellend naar hen die Jakob vergezellen? Jakob ziet kans nu het conflict ter sprake te brengen en vertolkt zijn wens tot het in beweging brengen van de ethische balans tussen de broers: ‘Dat is om genade te vinden in de ogen van mijn heer!’ Esau gaat echter aanvankelijk aan de relationele moeilijkheid die Jakob aanzwengelt voorbij, in vers 8. Jakob maakt in vers 10 en 11 duidelijker hoezeer hij afhankelijk is van Esau; door van Jakob een geschenk aan te nemen, maakt Esau het voor Jakob mogelijk om diens schuld (enigszins?) in te lossen.

Nu wil Esau het verleden opheffen door met Jakob te gaan optrekken, en sterker nog: hij wil Jakobs tegenover zijn, als het ware Jakobs bruid!

Esau zegt ook allang ‘broer’, maar Jakob blijft ‘heer’ zeggen. Drukt Jakob respect uit, houdt hij afstand? Ik interpreteer het als volgt: er moet verschil tussen hen blijven, elk moet zijn eigen plaats innemen, is op eigen wijze gezegend. Anders steekt rivaliteit onmiddellijk weer de kop op. Ieder moet zijn eigen leven leiden, niet dat van zijn broer. Dat Jakob hierover niet rechtstreeks met Esau spreekt, doet mij zeer. Mogelijk vermijdt Jakob de – onvruchtbare – mogelijkheid om het conflict op te rakelen?

Het zou me niet verbazen, in navolging van de NB, als Seïr een woordgrapje is met saïr (= de harige, een geitenbok). Misschien ook: zondebok? Esau keert terug naar het overjordaanse als de verstotene die erkenning heeft gekregen voor zijn lot? Jakob bouwt, na de verzoendag met zijn broer, loofhutten voor zijn vee. Hij blijft een mens, op weg naar zijn bestemming.

Aanwijzingen voor de prediking

De sympathie van onbevangen lezers ligt, zo bleek mij, bij Esau. Jakob ervaren ze als een strateeg, die bovendien achterbaks is wanneer hij richting Soekkot vertrekt. De moeilijkheid van de verkondiging zal erin liggen om het gehoor mee te krijgen in een andere interpretatie van de tekst. Dat alleen al kan evangelie zijn: de werkelijkheid van (voor-)ingenomen posities anders interpreteren en daardoor ruimte ontdekken voor een ‘nieuw lied’.

Familieruzies kent bijna iedereen. De noodzaak om elkaar op te zoeken (uitvaarten, trouwpartijen) levert vaak spanning op. In slapeloze nachten en zichzelf- rechtvaardigende verhalen bereiden mensen zich voor op de ontmoeting. Mogelijk kan een pastor helpen met vragen die de spanning vruchtbaar maken. Zijn / haar hoop is erop gericht om beide partijen op eigen grond te doen komen. Erkenning vinden voor de ingenomen positie van beiden is een begin. Doordenken op vragen als ‘Waarin schuilt bij jouzelf gevaar voor de ander? Wat kan jij doen om de ander tegemoet te komen?’ is een vervolg. Een mens die uiteindelijk vanuit eigen verantwoordelijkheid voor de relatie de ander wil ontmoeten, is een gezegend mens, ongeacht wat er gebeuren gaat. De rivaal kan in de ontmoeting die volgt op een ‘vreemde weerstand’ stuiten, nu zij / hij geen vijandschap maar erkenning voor de eigen positie ontwaart. Kunnen de strijdende partijen zich nog goed houden, of verandert er iets in hun gedrag jegens elkaar? Op dat laatste hopen we, want alleen daarin is toekomst te verwachten.

Liturgische aanwijzingen

Psalm 6 is misschien erg dramatisch, maar wel passend bij Jakobs worsteling in de nacht; idem Gezang 377; Tt 11; 36; 70; 84; 203; 205; Gezang 108, interessant de spanning tussen ‘eigen grond’ en ‘samen leven’; idem Tt 211; 216 is passend bij tranen van verzoening.

< Terug