< Terug

Preekschets Handelingen 9:32

Handelingen 9:32

Derde zondag na Pinksteren

Toen Petrus door het land reisde, kwam hij ook bij de heiligen die in Lydda woonden.

Schriftlezing: Handelingen 9:32-43

Het eigene van de zondag

De zomervakantie staat voor de deur. Veel gemeenteleden gaan dan elders naar een kerk en ontmoeten medechristenen. Thuisblijvers (niet iedereen kan op vakantie!) horen naderhand mooie verhalen. In het gedeelte van vandaag gaat het enkele keren over de ‘heiligen’. Wie ’s zomers ervaart dat er een wereldwijde ‘gemeenschap der heiligen’ is, voelt wellicht, al terugdenkend aan deze dienst, nog meer de diepte en reikwijdte aan van die realiteit: dat we met elkaar in Gods ogen ‘heiligen’ mogen zijn.

Het thema voor de preek van deze zondag is: ‘God roept ons om grote dingen van Hem te verwachten’.

Uitleg

De bekering van Saulus is een belangrijke stap op weg naar de doorbraak van het evangelie naar alle volken. Nu Lucas over die bekering verteld heeft, verlegt hij de aandacht naar Petrus. Via hem gaat God een doorbraak van het evangelie geven naar de niet-joden (hfst. 10). Hier, in Handelingen 9:32-43, maakt Lucas duidelijk met hoeveel kracht Petrus werkt en hoe belangrijk het daarom is dat juist hij die stap naar de heidenen zal gaan zetten.

Dit tekstgedeelte gaat over twee wonderen: de genezing van Eneas en de opwekking van Dorkas. Op het eerste gezicht lijkt dit verhaal over Petrus meer te horen bij hoofdstuk 10 dan bij 9:1-31. Bij nadere beschouwing zijn er echter veel verbanden tussen dit deel van hoofdstuk 9 en het voorafgaande deel. Dat komt vooral tot uiting in het woordgebruik. Kennelijk wil Lucas zelf daarmee het verband onderstrepen tussen Gods werk via Saulus en dat via Petrus.

Het eerste woord dat opvalt is opnieuw het woord ‘opstaan’ (anistèmi). Zowel Eneas als Dorkas krijgt de opdracht: ‘Sta op!’ (anastèthi). Onmiskenbaar doet dit woord denken aan de opstanding van Christus. Het is zijn opstandingskracht waardoor deze wonderen kunnen gebeuren.

Het tweede opvallende woord is het woord ‘heiligen’ (hagioi). Dit woord gebruikt Lucas slechts vier keer in het boek Handelingen, waarvan drie keer in dit hoofdstuk (de vierde keer in 26:10). In vers 13 worden de gemeenteleden in Jeruzalem met deze term aangeduid, in vers 32 de gemeenteleden in Lydda (Lod),en in vers 41 de gemeenteleden in Joppe (Jaffa). Daardoor krijgt heel hoofdstuk 9 een overkoepelende thematiek: in de gemeenschap der heiligen openbaart Christus zijn opstandingskracht. Door die kracht roept Hij Saulus uit de duisternis in het licht, door die kracht overwinnen de angstige gelovigen hun afkeer van hem en accepteren ze hem, door die kracht wordt een verlamde genezen en staat een dode op.

In het hoofdstuk zien we een steeds sterker wordende geloofsverwachting. Terwijl Ananias er nog met moeite door Jezus zelf van kan worden overtuigd dat Saulus echt veranderd is, zien we hier hoe Petrus werkt vanuit een heel concrete verwachting dat Gods kracht zichtbaar wordt. Hij zegt niet tegen Eneas: ‘Moge Jezus Christus u genezen’, hij zegt heel overtuigd: ‘Eneas, Jezus Christus geneest u!’ En om te onderstrepen dat hij zeker weet dat er op slag een verandering zal plaatsvinden, voegt hij eraan toe: ‘Sta op en breng nu zelf uw bed in orde!’ Het wonder gebeurt inderdaad en het resultaat is een golf van bekeringen, niet alleen in Lydda zelf, maar ook in de hele streek: de Saronvlakte. Saron ziet de heerlijkheid van de heer (Jes. 35:2).

Vervolgens neemt de geloofsverwachting nog verder toe. In Joppe woont Tabita. Deze Aramese naam betekent hetzelfde als de Griekse naam Dorkas, namelijk ‘gazelle’. Tabita is in heel Joppe bekend om haar giften en goede daden. Met name maakt ze veel kleding voor weduwen. Eeuwenlang kenden vooral havensteden veel weduwen, doordat mannen nogal eens op zee omkwamen (vergelijk Arnemuiden). Als Tabita overlijdt, wordt ze gewassen en in het bovenvertrek gelegd, terwijl twee boodschappers naar Petrus gestuurd worden met het verzoek om spoorslags naar Joppe te komen. Deze manier van doen roept onmiskenbaar de herinnering op aan twee oudtestamentische opstandingsverhalen, 1 Koningen 17 en 2 Koningen 4, waarin precies hetzelfde gebeurt. Deze gemeente verwacht dat Jezus via Petrus Dorkas uit de dood zal opwekken!

Of de weduwen die Petrus opwachten dit ook voor ogen hebben, is de vraag. Ze laten de kleren zien die Dorkas gemaakt heeft. Daarin kan de vraag schuilen: ‘Doe iets voor haar!’ Maar hun tranen lijken eerder rouw uit te stralen dan verwachting. Deze weduwen lijken dan ook nog niet te behoren tot de gemeente. Lucas spreekt duidelijk over ‘de heiligen en de weduwen’ (vs. 41).

In zijn optreden volgt Petrus steeds het voorbeeld van Jezus. Zijn bevel aan Eneas herinnert aan Jezus’ woorden tot de verlamde in Kafarnaüm (Luc. 5:24). Zijn optreden bij Dorkas doet veel denken aan Jezus’ optreden in het huis van Jaïrus (Luc. 8:49-56). Duidelijk is dat Petrus niet werkt vanuit eigen kracht. Het is Jezus die aan het werk is. Petrus benoemt dat bij Eneas expliciet zo, terwijl het feit dat hij naast Dorkas neerknielt om te bidden getuigt van deze zelfde afhankelijkheid.

De geloofsverwachting van de gemeente wordt niet beschaamd. Dorkas staat inderdaad op. De gemeente is inderdaad een plaats waar Gods heiligheid wordt gezien. Te midden van de heiligen toont Christus zijn opstandingskracht.

Aanwijzingen voor de prediking

Dit gedeelte stelt ons de vraag hoe het staat met onze verwachting van God. Verwachten we veel van Hem? Beseffen we wat het betekent om deel uit te maken van de ‘gemeenschap der heiligen’? Wij zijn afgezonderd voor God, we horen bij Hem. Dat betekent dat Christus in zijn opstandingskracht ook onder ons kan en wil werken. Strekken wij ons daarnaar uit?

In hun boekje Ruimte voor het wonder (Zoetermeer, 2010) vertellen Pieter van Kampen (inmiddels overleden) en zijn vrouw Nelly van Kampen-Boot over de kerkgroei in Sri Lanka en India. Tijdens een studiereis naar die landen vroegen zij voorgangers van allerlei denominaties naar de oorzaken van deze groei. Steeds kregen zij hetzelfde antwoord: ‘Dat komt door de usual things.’ Gevraagd naar wat dan die gewone dingen waren, kregen zij steeds hetzelfde antwoord: ‘Wonderen, genezingen: als mensen die meemaken komen ze tot geloof.’ Het predikantenechtpaar Van Kampen geeft in het boekje geen sluitende verklaring voor het verschil tussen India en Nederland, maar stimuleert de lezer in het nadenken daarover.

Dat deed, vele jaren eerder, ook de Deense predikant en toneelschrijver Kaj Munk (1898-1944). Al heel jong verloor hij zijn beide ouders, en hij bleef gefascineerd door de vraag wat geloofsverwachting is. In het toneelstuk Het Woord (Ordet, 1925) laat hij een dode opstaan, in antwoord op gebed. Over het stuk werd in heel Denemarken schande gesproken, want doden staan niet op! Kaj Munk had zijn doel bereikt: mensen gingen nadenken over de vraag wat we van God mogen verwachten.

In de preek kan deze verwachting naar meer kanten worden uitgewerkt. Denken wij dat alles vastligt, of geloven wij dat Christus’ opstandingskracht mensen kan veranderen? Dat doodsheid kan worden overwonnen in de psyche van mensen, in gedrag en gewoonten? En dat Christus ook de doodsheid in een gemeente kan doorbreken en nieuw leven kan geven? Dat vastgelopen conflicten toch opgelost kunnen worden? Dat God in hopeloze situaties toch een nieuw begin kan geven? Waar de verwachting van God toeneemt, komen wij zelf uit de doodsheid tot nieuw geloofsleven. We zijn heiligen, we horen bij Christus! Zoals de gemeente in Joppe Petrus liet halen, zo zullen wij vol vertrouwen stappen zetten in de navolging van de opgestane Heer.

Liturgische aanwijzingen

Teksten om mee te combineren: 1 Koningen 17 en 2 Koningen 4. Verder Filippenzen 3:10 (opstandingskracht). Liederen: uit Lvdk Psalm 89:8; Gezang 441:2 en 12; 474 en 477. Uit de elb Lied 389, 390, 393, 396, 400, 401.

< Terug