< Terug

Preekschets Hebreeën 11:21

Hebreeën 11:21

Cantate

Door zijn geloof kon Jakob op zijn sterfbed de beide zonen van Jozef zegenen; daarna knielde hij neer, steunend op de greep van zijn stok.

Schriftlezing: Genesis 48; Hebreeën 11:21

Het eigene van de zondag

Cantate, ‘zingt’, is ontleend aan Psalm 98. Hoewel we weten dat de overwonnen duistere machten nog steeds onheil aanrichten blijven we zingen, omdat God toch sterker is.

Uitleg

Jakob heeft een hele geschiedenis van hoogte- en dieptepunten met de Heer. Maar als dé geloofsdaad van Jakob noemt de Hebreeënbrief dat hij op zijn sterfbed de zonen van Jozef zegende. Daaruit zou een groot geloof spreken. Voor geloof: zie uitleg 15 april.

Waarom dit als een daad van goot geloof wordt gezien kunnen we terugvinden in Genesis. Jozef krijgt twee zonen, Manasse en Effaïm, bij zijn vrouw, de Egyptische Asnat, dochter van Potifera, notabene een priester van On in Heliopolis (Gen. 41:50). Deze jongens worden door Jakob geadopteerd (vs. 5). Hij geeft hun de vaderlijke zegen mee en erkent hen zodoende als zijn zonen. Dat is al één ding dat bijzonder is, dat deze daad tot bijzondere geloofsdaad maakt: deze half-Egyptische jongens, kleinzonen van een heidense priester, opgevoed in de Egyptische cultuur, worden volledig bij Israël ingelijfd.

Manasse en Effaïm krijgen hun erfdeel, net als Jakobs andere zonen. Ze worden stamvaders in Israël. Ze worden door Jakob gelijkgesteld aan Ruben en Simeon. Zij krijgen de zegeningen die oorspronkelijk naar Ruben en Simeon zouden gaan.

Daar zitten dramatische verhalen achter.

Ruben is de oudste zoon van Jakob. Hij sliep met een van de bijvrouwen van Jakob (Gen. 35:22). Hij heeft zijn vaders bed ontwijd en komt daarom niet meer in aanmerking voor het respect van zijn vader en voor de voornaamste plaats waar hij als oudste zoon recht op zou hebben; zie Genesis 49:3, 4: hij zal geen voorrang hebben.

Simeon is de tweede zoon, maar ook die heeft het respect van zijn vader niet verdiend, omdat hij en zijn broer Levi ooit in blinde woede mannen gedood hebben (Gen. 34). Simeon en Levi ontvangen op Jakobs sterfbed ook geen zegen (Gen. 49:5-7).

Jozef plaatst zijn oudste bij de rechterhand van Jakob en Efraïm bij de linker om de zegen te ontvangen, zodat Manasse als oudste de grootste zegen zal krijgen. Maar Jakob kruist zijn handen, zodat de tweede zoon op de eerste plaats komt.

Dat is ook een geloofsdaad. De laatste wordt de eerste. Dit is een van de hoofdthema’s in de bijbel: het is steeds de jongste die door de Heer uitgekozen wordt: niet Kaïn, maar Abel; niet Ezau, maar Jakob; niet Eliab, maar David. Niet wie als eerste komt en het grootste is, staat bij God voorop, maar degene die niet meetelt bij de mensen. Dat spreekt ook uit de gelijkenissen en uitspraken van Jezus, bijvoorbeeld: hoeren en tollenaars zullen u voorgaan in het Koninkrijk van God (Mat. 21:31), de laatsten worden de eersten (Mat. 20:16), gelukkig jullie die arm zijn, et cetera (Luc. 6:17vv.), laat de kinderen tot Mij komen (Mar. 10:13-16). Voor God moeten conventies en tradities wijken.

Wat het laatste deel van de zin betreft – ‘daarna knielde (proskuneoo = knielend huldigen, aanbidden) hij neer, steunend op de greep van zijn stok’ – dit verwijst naar Genesis 47:31. ‘Israël boog zich aanbiddend neer aan het hoofdeinde van zijn bed.’ De Hebreeënbrief volgt de LXX die in plaats van rosh mittah (= hoofdeinde van het bed) rosh mittéh (= uiteinde van de staf) heeft gelezen. Om de zin kloppend te krijgen moet dan leunend/steunend ingevoegd worden. Er is mijns inziens overigens geen aanleiding om kai met ‘daarna’ te vertalen zoals de nbv doet.

Aanwijzingen voor de prediking

Dat aarstvader Jakob optreedt als geloofsgetuige ligt voor de hand. Maar wat als zijn geloofsdaad bij uitstek aangereikt wordt, verwondert ons wellicht: dat hij op zijn sterfbed de zonen van Jozef zegende.

Achter dat ene zinnetje zit een heel verhaal.

De zonen van Manasse en Efraïm zijn zonen van Jozef, die hij kreeg bij Asnat, een dochter van de Egyptische Potifera, priester van On (Heliopolis). De kleinzonen van Jakob waren dus ook de kleinzonen van een Egyptische priester. Ze zijn in de cultuur en godsdienst van Egypte opgevoed; hoewel je ervan uit kunt gaan dat Jozef hen ook zal ingeleid hebben in zijn godsdienst. Jozef heeft in Egypte immers altijd aan de HERE God, de God van zijn vaderen vastgehouden.

Door de zegen die hij hun geeft adopteert Jakob hen als zijn zonen. Dat is zijn geloofsdaad: hij durft deze half-Egyptische jongens volledig bij Israël in te lijven. Hun half-heidense afkomst is geen belemmering om tot het volk van de Heer te horen en volledig in de zegen te delen. Ze komen voor Jakob op dezelfde plaats als zijn eigen zonen en krijgen hun erfdeel, net als die andere zonen. Sterker nog: Efraïm en Manasse zullen Jakob zijn als Ruben en Simeon, de oudste zonen van Jakob. De zegen voor die oudste zonen van Jakob gaat naar deze zonen van Jozef.

Ruben en Simeon hebben hun zegen verkwanseld. Ruben sliep met een van de bijvrouwen van zijn vader en komt daarom niet meer in aanmerking voor het respect en de zegen van zijn vader. Simeon heeft ooit met zijn broer Levi in blinde woede mensen vermoord en daarom heeft ook hij geen deel meer aan de aartsvaderlijke zegen. Jakob is als vader ernstig teleurgesteld in zijn oudste zonen. Zoals die leven, daar zit geen toekomst in, die zonen kan hij de zegen niet geven. Zo zal het in Israël niet zijn, dat je geen respect voor je vader hebt, dat je je laat leiden door blinde woede. Ook daarom is deze zegen van Jakob een daad van geloof: hij kan voorbijgaan aan eerstgeboorterecht en bloedbanden om immoreel en onbeheerste krachten geen ruimte te geven.

Wanneer Jakob de zonen van Jozef de zegen geeft, laat hij de tweede, de jongste, voorgaan boven de oudste. Niet Manasse, maar Effaïm krijgt de grote aartsvaderlijke zegen die voor de eerstgeborene is.

Dát is ook een geloofsdaad. Bij mensen is de oudste zoon de eerste en de belangrijkste, degene die het geslacht zal voortdragen en de zegen erft. Jozef haast zich dan ook zijn vader te corrigeren: nee, vader, niet zo, u doet het verkeerd! Maar Jakob weet wel beter.

Op kruispunten in de bijbelse geschiedenis is het steeds de jongste, de tweede waar de Heer mee verdergaat: niet Kaïn, maar Abel, niet Ezau, maar Jakob. Het is niet vanzelfsprekend dat wie bij de mensen het eerste komt en het grootste is, ook bij God vooraan staat. Integendeel, God heeft eerst oog voor wie niet meetelt. Wie achter komt gaat bij God voorop. Dat zie je ook bij Jezus: Hij wendt zich in de allereerste plaats tot eenvoudige mensen, tot de zieken, de armen, de hoeren en de tollenaars, de slachtoffers van andermans praktijken en de mensen die gebukt gaan onder eigen schuld. Het is van essentieel belang dat de gemeente weet dat de mensen, waar wij geneigd zijn op neer te zien of die wij trachten te mijden vanwege hun levenswandel, geloof, omstandigheden of wat dan ook, bij God voorrang hebben. Wie zal er durven oordelen over Gods kinderen?

De laatste wordt de eerste. Jakob heeft al vroeg geleerd waar Gods voorkeur ligt. Isaak, zijn vader, weigerde dat te aanvaarden; Jakob bedroog zijn vader om de zegen toch te krijgen. Inmiddels weet hij hoe het werkt bij de Heer en handelt hij daarnaar.

Liturgische aanwijzingen

Liederen: Psalm 67:1, 3; 98:1, 3; 103:1, 5, 7; 134; Gezang 457:1, 3, 4; 103.

Geraadpleegde literatuur

Th.C. Vriezen, Hoofdlijnen der theologie van het Oude Testament, Wageningen 1977; C. Westermann, Genesis II. Een praktische bijbelverklaring (T&T); H. van Oyen, De brief aan de Hebreeën(pnt), Nijkerk 1962.

< Terug