< Terug

Preekschets Jeremia 1:9

Jeremia 1:9

Vierde zondag na Epifanie

En de heer strekte zijn hand uit, raakte mijn mond aan en zei tegen mij: ‘Hiermee leg ik mijn woorden in jouw mond…’

Schriftlezingen: Jeremia 1:1-10; Lucas 4:21-30 (32)

Uitleg

Ook de roeping van de profeet Jeremia gaat gepaard met bijzondere ervaringen, zo vertelt de begintekst van Jeremia. Dat is ook noodzakelijk voor een legitimatie. Je kunt wel beweren profeet van de heer te zijn, maar voor de geloofwaardigheid moeten wel ‘geloofsbrieven’ overlegd worden. Het moet vaststaan dat wat de profeet verkondigt hem door God zelf in de mond is gelegd. Dé Achilleshiel van de profeet is natuurlijk of uitkomt wat hij heeft gezegd. Juist in de profetieën van Jeremia is dat vaak een ‘discussiepunt’; hij geeft zelfs een soort criterium tegenover zijn tegenstanders inzake het onderscheid tussen ware en valse profetie (zie Jer. 28:9; vgl. Deut. 18:22): een profetie is waar als die vervuld wordt. Dat is nogal ontnuchterend. Vooraf valt er niets te verifiëren en komt het aan op ‘door het geloof alleen’.

Wellicht is Jeremia’s schrijver Baruch voor een groot deel van de tekst van het boek Jeremia verantwoordelijk. Voor tekstkritische informatie over de Hebreeuwse en Griekse versie van Jeremia zij verwezen naar de commentaren. De roeping van Jeremia is een geconstrueerd verhaal. Wanneer en waar Jeremia het woord van de heer gehoord heeft blijft in het ongewisse. Op de achtergrond laat zich de roeping van Jesaja in de tempel van Jeruzalem vermoeden zoals die beschreven is in Jesaja 6, al ontbreekt bij Jeremia het hemelse visioen. Hier is de formule: ‘Het woord van de heer geschiedde tot mij.’ Maar ook is er het aanraken van de mond van de profeet door de hand van de heer. Het gebeuren wordt toegespitst op de openbaring van het woord. De godsspraak zegt in poëtische vorm dat Jeremia al van de moederschoot aan was uitverkoren als profeet. Zo’n orakel is niet uniek en heeft parallellen elders: Jesaja 44:2, 24; 49:1,5; Psalm 2:7; vele parallellen van buiten het Oude Testament bewijzen de herkomst uit het koningsritueel. De overdracht daarvan op een profeet kon alleen maar gebeuren als er geen koningschap meer was. In Juda was dat het geval na de val van Jeruzalem. Toen stopte ook de verkondiging van Jeremia. De roepingsscène wil dus Jeremia’s prediking duiden. Jeremia maakt bezwaar: hij vindt zich te jong (nacar: puber); Jesaja noemt zich onrein, te midden van een onrein volk, Mozes zegt dat hij geen goed spreker is. Maar waar het om gaat is dat de verkondiging van het woord zijn oorsprong alleen in God zelf heeft. Het spreken van ‘het ambt’ als zodanig – hoe belangrijk ook in de openbaringsgeschiedenis – zal het woord van God niet vervangen. Maar dat de hand van God de mond van Jeremia aanraakt is er symbool voor dat het woord door God zelf in zijn mond gelegd wordt (vs. 9). Het is niet zijn eigen woord. Niet de persoon van de profeet, maar zijn opdracht constitueert zijn ambt. Hij is spreekbuis van God. In zijn commentaar op Jeremia beschrijft A. van Selms hoe het met die roeping toegaat: ‘Opmerkelijk is de volgorde van uitdrukkingen, waardoor het profetisch ambt in beeldspraak wordt omschreven: eerst is Jeremia de advocatus Dei, dan de boodschappenjongen, dan het kleine kind’ – de Heer voert hem met het woord zoals een klein kind door moeder of vader bij het eten gevoerd wordt.

En dan in vers 10 wordt Jeremia’s opdracht inhoudelijk gevuld. Hij moet een profeet voor de volken zijn. Zijn taak heeft een universele omvang: alle koninkrijken en volken vallen binnen de invloedssfeer van Jeremia’s profetisch woord. Het doet denken aan 1 Koningen 22:28 en Micha 1:2 en ook Matteüs 28:19. De beelden worden ontleend aan het boerenleven van Palestina: opbouwen en planten zijn fundamenteel voor het economische bestaan. De schrijver van het roepingsverhaal lijkt hier uit Jeremia 18:7-9 te citeren waar eenzelfde opsomming voorkomt. Het bouwen en planten klinkt in één adem met uitrukken en verwoesten, vernietigen en afbreken, om de boodschap van heil en gericht – als het volk niet met zijn kwalijke praktijken breekt (Jer. 18:8) – in een paar woorden samen te vatten.

Aanwijzingen voor de prediking

Wie Lucas 4:21-31 leest ontmoet daar geen prediker die niet weet wat te zeggen. Van protesten tegen hun roeping zoals van Mozes, Jesaja en Jeremia om uiteenlopende redenen is hier geen sprake. De gemeente in de synagoge is diep onder de indruk van Jezus’ prediking.

De predikant is de eerste hoorder van wat hij verkondigen moet. Dat geldt ook van Jezus in Lucas 4. Zijn uitleg van de profetie van Jesaja als een universele boodschap van heil en genezing voor de volken (in de persoon van de weduwe van Sarepta en Naaman, de Syriër), wordt hem bijna noodlottig. De roeping tot profeet om het woord van God te verkondigen zal ook Jeremia in een hachelijke positie brengen.

De lezingen van deze zondag maken het predikantschap zelf tot onderwerp. Is het mogelijk en gewenst om ook eens een kerkdienst te besteden aan de mogelijkheden en grenzen van de preek? Er is niets mis mee als de predikant(e) het eens heeft over de eigen opdracht om te preken. Het moet natuurlijk niet over zijn/haar persoon(lijkheid) gaan, maar over de opdracht die de basis is van de verkondiging. Dat gold immers voor alle profeten en apostelen en ook voor Jezus. Het gaat hierbij ook over de gemeente die niet alleen maar hoorder van preken is, zij is zelfs draagster van het heil en moet het evangelie doorgeven. Elke predikant(e) weet hoe dringend de vraag is naar hoe dat moet. Het is vooral ook een vraag waarop de gemeente een antwoord moet zoeken.

Eén van de te omzeilen klippen is zichzelf een goede predikant(e) te vinden, ook al mag iemand best trots zijn op zijn/haar eventuele welsprekendheid. Er is niets mis mee om te weten dat de predikant het vak goed verstaat. Maar toch staat hij/zij in de rij met alle ‘getuigen’ die Gods Woord verkondig(d)en in de navolging van Mozes en Jesaja en Jeremia: ‘Nee, heer, mijn God! Ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong.’ Jeremia veroorzaakt een heilzame onzekerheid, die duidelijk maakt dat de verkondiging van Gods Woord niet vanzelf gaat, ondanks alle godsdienstige en liturgische routine. De predikant(e) die weet heeft van Jeremia’s ‘Ik kan het woord niet voeren’ – dat is: ik ben er niet geschikt voor – kan preken. God legt de woorden in zijn/haar mond. En omgekeerd: als God je de woorden niet in de mond legt, ervaar je als predikant(e) dat je er niet geschikt voor bent. Om met Noordmans te spreken: ‘Hij (de dominee) doet de schat in aarden vaten, zelf de breekbaarste van allen’ (vgl. 2 Kor. 4:7). Tegenover ‘ik ben niet geschikt om te preken’ staat ‘ik ben niet geschikt om te horen’.

De predikant(e) weet ook dat het lukt het woord te verstaan in en ‘onder’ de kansel. De voorwaarden daarvoor zijn ook bekend: van jezelf afzien, schuchterheid overwinnen, open staan voor het onverwachte; en niet te vergeten het homiletische handwerk: bijbeluitleg, de context van de gemeente kennen, passende retoriek en van ophouden weten.

Wellicht ervaart de predikant(e) soms zoiets als Jeremia: dat God je mond aanraakt. In Jeremia is dat zoals we inmiddels weten een redactionele constructie, het is later toegevoegd.

Wellicht is het een theologische wensdroom. Of ligt er toch een vinger Gods op onze mond: Het woord van liefde, vrede en recht is in uw eigen mond gelegd, is in uw eigen hart geschreven…

Liturgische aanwijzingen

Zie de aanwijzingen in De Eerste Dag. Psalm 40:4; Gezang 7; 481:3; 484; T 28 en 72.

Geraadpleegde literatuur

A. van Selms, Jeremia, deel I, pnt, Nijkerk 1972; W. Rudolph, Jeremia, HAT, Tübingen, 1968. Voor de aanwijzingen voor de prediking ontleende ik het een en ander aan C. Levin, München, uit zijn inspirerende bijdrage voor de negende zondag na Trinitatis, 13 augustus 2006, in: Göttinger Predigt-Meditationen, 60/3, 2006.

< Terug