< Terug

Preekschets Jeremia 31:17

Jeremia 31:17

Vijftiende zondag na Pinksteren

Ja, er is hoop voor uw toekomst!

Schriftlezing: Jeremia 31:15-25

Het eigene van de zondag

In Jeremia 29:11, in zijn brief aan de ballingen van 597 voor Christus, en in Jeremia 31:17, in zijn verkondiging aan de ballingschapsgangers van 586 voor Christus, voert Jeremia het begrip ‘hoop’ in. Alleen op deze plaatsen gebruikt hij het in zijn boek. Hoop kan in een situatie van onzekerheid een geweldige kracht zijn. Ook de pastor Jeremia wist daarvan.

Liturgische aanwijzingen

De lezing van Jeremia 31:15-25 is goed te combineren met de lezing van Matteüs 2:13-18 (daar wordt gerefereerd aan Jer. 31:15) en met Romeinen 15:7-13 (thema van de hoop). Mogelijke liederen zijn: LvdK Psalm 107:1, 4, 19; Gezang 154:5; 170:1, 2; 452; 491.

Geraadpleegde literatuur

A. van der Wal, ‘Rachels troost’, Interpretatie 3/8 (december 1995), 7-10.

Uitleg

In Jeremia 31:15-25 lezen we de weergave van de vierde preek van Jeremia aan het adres van degenen die in Rama zijn samengebracht om naar Babel gedeporteerd te worden. Na zijn preken in 30:4-11; 12-22 en 30:23-31:14 gaat hij in deze vierde nieuwe wegen. Hij voert het begrip ‘hoop’ in (31:17), hij refereert aan bekering (31:18-19) en dicht de veelbesproken regel ‘De vrouw zal de man omvangen’ (31:22), om te besluiten met een verbeelding van het nieuwe leven in het land na terugkeer uit de ballingschap (31:23-25).

In Jeremia 31:15-25 wordt driemaal de uitdrukking ‘Dit zegt de Here’ gebruikt (15, 16, 23). Verder wordt het geadresseerde volk nu eens als een man dan weer als een vrouw aangesproken en dat alternerend: vers 16-17 als vrouw, vers 18-20 als man, vers 21-22 als vrouw en in vers 23-25 weer als man. Er zijn ook hier uitspraken in de aanspreekvorm (2e pers. 31:16-17; 21-22a) en in beschrijvende vorm (3e pers. 31:15; 22b-25). Op verschillende plaatsen klinkt een ‘ik’: van God (31:18; 20; 23; 25) of van mensen (31:18b-19). De hele passage wordt samengehouden door het woordje ‘terugkeren’ dat zevenmaal voorkomt (31:16; 17; 18 [2x]; 19; 21 [2x]). Het woord duidt zowel op terugkeer tot God (bekering) als op terugkeer naar het land. Terugkeer tot God bewerkt terugkeer naar het eigen land.

In vers 15 wordt Rachel ten tonele gevoerd als stammoeder van geheel Israël. Zij is de moeder van Jozef en Benjamin. Zij weent intens omdat haar kinderen niet meer zijn. Jozef, vader van Efraïm, staat dan model voor het Tienstammenrijk; de inwoners daarvan worden door de Assyriërs weggevoerd na de inneming van Samaria rond 722/720 voor Christus. Benjamin staat model voor het Tweestammenrijk. De aartsmoeder Rachel, zelf reeds lang gestorven, staat hier dan model voor de troosteloze Judese menigte die stad en land verliest en een onbestemde toekomst tegemoet gaat.

Hoe hartverscheurend Rachels klagen ook is, de profeet besteedt er weinig woorden aan. De inleiding van deze vierde preek is erg kort. Al in vers 16 beoogt Jeremia hoop te wekken. Daar klinkt de opdracht de tranen te drogen. Er zal toekomst zijn. De kinderen zullen terugkeren uit het land van de vijand. Nergens wordt Babel genoemd in Jeremia 30-31; het woord ‘vijand’ is ook in Jeremia 20:4-5 een omschrijving voor die macht.

Wat in vers 16 ‘loon voor uw arbeid’ heet, wordt in vers 17 nader ingevuld met ‘hoop voor uw toekomst’. Nu gaat het niet meer om ‘terugkeren uit’, maar om ‘terugkeren naar’. Dit lijkt sterk op de dubbele terminologie ‘uittrekken’ en ‘opgaan’ in Jeremia 31:4.6. Het perspectief is in Jeremia 31:17 op de toekomst gericht. Degenen die terug mogen keren, zijn de ‘kinderen’. Daaruit is duidelijk dat de voorzegging op latere tijden betrekking heeft. De ballingschap zal niet in één generatie voorbij zijn, zoals ook de woestijnreis tussen Egypte en Kanaan niet in één generatie plaatsvond (vgl. Num. 14:31). Ook hier speelt het land, ‘het gebied’ genoemd, een wezenlijke rol. Het is binnen Jeremia 30-31 een uiterlijk teken van Gods verbondenheid met zijn volk.

Met zijn op een Godswoord gebaseerde uitspraak ‘Er is hoop’ gaat Jeremia een forse stap verder dan de uitspraak in Klaagliederen 3:29, waar de vrome mens stelt: ‘Misschien is er hoop.’ Zoals eerder gesteld reageert Jeremia in hoofdstuk 30-31 op de klaagzangen van de Judeeërs na de verwoesting van Jeruzalem in 586 voor Christus. Die vrome mens van Klaagliederen 3:29 houdt sterk rekening met het feit dat de mens niet over de souvereine God kan beschikken. Het ‘misschien’ in Klaagliederen 3:29 is echter door de Peschitta wegvertaald; deze vertaling geeft weer met: ‘omdat er hoop is’. Voor Jeremia is er op basis van Godsopenbaring echter geen twijfel mogelijk: ‘Er is hoop.’ Het leven van de Judeeërs zal niet in het niets verdwijnen, maar ook niet in zinloosheid vervallen.

In het Oude Testament heeft het begrip ’hoop’ altijd betrekking op dit aardse bestaan. In het begrip ‘hoop’ reflecteert de oudtestamentische mens vanuit een bedreigende situatie op zijn verwachtingen en vooruitzichten. Hij hoopt dat het leven sociaal weer veilig zal zijn en ethisch weer zinvol. Dat wordt in Jeremia 29 en 31 als Godsgeschenk getekend.

Paulus heeft zich waarschijnlijk sterk door Jeremia laten inspireren. Hij zag zich net als Jeremia al voor zijn geboorte geroepen (Gal. 1:15). Ook hij benadrukt de functie van de hoop. Aan het einde van de ethische richtlijnen (vanaf Rom. 12:1) brengt hij in Romeinen 15:13 tot tweemaal toe de hoop ter sprake. Hij noemt God de ‘God van de hoop’ en draagt de gemeente op overvloedig te zijn in de hoop, in navolging van God. De thema’s van schepping en herschepping zijn duidelijk aanwezig in de Romeinenbrief. In hoofdstuk 8 schrijft Paulus dat de gelovige mens levend is gemaakt door de Geest. Daaraan refereert Paulus opnieuw in Romeinen 15:13. Die herschepping manifesteert zich bij de gelovige mens in de hoop.

Aanwijzingen voor de prediking

Op een moment dat iemand diep verdriet heeft, ziet diegene niets anders meer. Dan is er maar één ding wat telt: dat verdriet. Zo zit ook Rachel, metafoor voor Israël/Juda, opgesloten in het eigen verdriet. De profeet tracht het volk verder te laten kijken. Hij tracht ze iets aan te reiken, waardoor mensen een nieuw zicht krijgen. De profeet probeert mensen met nieuwe ogen naar hun situatie te laten kijken. Waar zij de toestand als hopeloos en uitzichtloos beschouwen, ziet hij op basis van Godsopenbaring een opening. Het is in de praktijk doorgaans zo dat je een ander nodig hebt om je zo’n opening te bieden. Als er toekomst ligt achter een situatie van misère, afbraak, verdriet, dan kan dat de moed geven om er doorheen te gaan. Jeremia’s verkondiging is tegelijk zijn pastoraat aan mensen met een intense verlieservaring.

Zeker in deze passage valt op hoe Israël zowel met mannelijke als met vrouwelijke termen beschreven kan worden. Dat maakt duidelijk dat het taalgebruik in de kerk ook minder exclusief mannelijk mag/moet zijn. Het is van grote betekenis steeds weer naar inclusief taalgebruik te zoeken, waardoor iedereen zich in de boodschap van Gods verbondenheid met mensen opgenomen kan voelen.

Ook hier is Jeremia weer bezig oude verhalen te vertalen naar de bestaande situatie. In de verwijzing naar de ‘kinderen’ ligt een parallel met het verhaal van de uittocht uit Egypte en de intocht in Kanaan. Bijbelse verhalen worden door Jeremia niet gelezen als bijbelse geschiedenis, maar als bron om de werkelijkheid van het eigen moment mee te duiden en te verhelderen. Op het moment dat mensen kapot zijn van het leed dat hen overkomt, put Jeremia uit de geloofstraditie. Die wordt gebruikt als een bron van inspiratie en hoop. Wat Jeremia doet, geloofstraditie mobiliseren op een crisismoment, kan ons tot voorbeeld dienen hoe wij met geloofstraditie om kunnen gaan. Die traditie is bedoeld om ons vindplaatsen van God te wijzen. Die traditie wil ons laten zien hoe mensen God ontdekt hebben in hun levens en in concrete situaties. Jeremia maakt zijn hoorders duidelijk dat God in de toekomst blijft handelen zoals Hij dat in het verleden deed: reddend, verzamelend, opbouwend, zegenend waar Hij kan.

De woorden van Jeremia 31:15, zozeer betrokken op die concrete situatie van na de verwoesting van Jeruzalem, kunnen opnieuw betekenis krijgen in de situatie van na de kindermoord in Bethlehem (Mat. 2). De tekst uit Jeremia roept een verdriet op, waarin mensen zich nadien kunnen herkennen. Ieder lijden kan als een symbool fungeren voor het totale lijden in de schepping. Zo ging J.W. Schulte Nordholt ook in Gezang 176 met het lijden van Jezus om: ‘De minsten van de mensen zijn / daar uitgestrekt in angst en pijn. / Tot aan het eind der wereld lijdt / Christus in hun verlatenheid.’

< Terug