< Terug

Preekschets Jeremia 31:3

Jeremia 31:3

Veertiende zondag na Pinksteren

Ik heb u liefgehad met eeuwige liefde.

Schriftlezing: Jeremia 30:23-31:14

Het eigene van de zondag

Jeremia denkt steeds vanuit de verbondenheid tussen God en volk (zie bijvoorbeeld Jer. 31:1). In deze passage verwoordt de profeet dat in twee beelden: dat van de vader en de zoon (31:9) en dat van het huwelijk (31:3-4). De profeet gebruikt menselijke situaties om iets duidelijk te maken over de verhouding tussen God en volk.

Liturgische aanwijzingen

Deze oudtestamentische schriftlezing is goed te combineren met de lezing van Exodus 6:1-7 (thema ‘verbond’, Ex. 6:6) en met 1 Johannes 4:7-11 (thema ‘liefde’). Mogelijke liederen: LvdK Psalm 68:3; Gezang 75:13, 14, 15; 225; 481.

Uitleg

Is Jeremia in de hoofdstukken 30-31 vooral op het heil van zijn verbijsterde volk bedacht, aan het begin van deze passage, in 30:23-24, lijkt toch nog weer de ‘oude’ Jeremia om de hoek te komen kijken. Er klinken daar harde woorden over een Godsoordeel, dat zich voltrekt als een tornado, onontkoombaar en alles vernietigend.

We kennen Jeremia vooral als profeet van boete en ondergang. Hij confronteerde mensen in de laatste decennia voor de ondergang van Juda en Jeruzalem in 586 voor Christus met de tekorten van hun situatie, zowel op maatschappelijk als op religieus gebied. Daarmee hield hij de mensen van Juda een spiegel voor en stelde hij een harde diagnose. Het ging de profeet echter om bekering van zijn volk. Uit zijn boek blijkt dat het hem diep pijn deed dat mensen niet naar zijn waarschuwingen hebben willen luisteren. Het zal hem ook zeker pijn hebben gedaan dat zijn prognose van ondergang uitkwam, de consequentie wanneer men zich niet bekeerde, voltrok zich. In de verwoesting van land en stad zag Jeremia die tornado van Gods boosheid.

Jeremia heeft mensen niet in die misère willen laten zitten. Daarom komt de profeet in Jeremia 30-31 met een heilsboodschap. Niet voor het eerst trouwens, want ook in bijvoorbeeld 23:1-8 vindt men heilswoorden van de profeet. Maar die zijn duidelijk bedoeld als contrast met de dan bestaande toestand van door de profeet afgekeurd onheil. Zowel voor de profeet zelf als voor zijn hoorders zal de draai naar heilsprediking een punt geweest zijn. Hoe werd nu deze profeet geloofwaardig met een andere boodschap? Jeremia doet daarin hetzelfde als hij deed met zijn onheilsprediking: voortdurend duidelijk maken dat hij niet op eigen gezag spreekt, maar namens God. Zo doet Jeremia dat in de lange heilspassage in 31:1-14 maar liefst vijf keer. In 31:1, 2, 7, 10, 14 staat er een verwijzing naar het spreken van God.

De woorden van 30:23-24 vormen één van de zogenaamde doubletten in het boek Jeremia, woorden die op twee plaatsen voorkomen. Ze staan ook in 23:19-20. Daar vormen ze een onderdeel van de harde discussie in 23:9-32 over ware en valse profetie. We worden dan teruggebracht naar de periode vóór de verwoesting van Jeruzalem. Dan predikt Jeremia onderwerping aan Babel, terwijl andere profeten coalities ondersteunen tegen Babel (Jer. 27). De argumenten die dan steeds worden gebruikt tegen de ‘andere’ profeten zijn: ‘Ik (God) heb hen niet gezonden.’ (23:21, 32; 27: 15; 28:15; 29:8) en: men verkondigt eigen droombeelden (23:16, 32). Elders wordt dat als leugen aangemerkt (27:10, 14, 16; 28:15). Er is wel een wezenlijk verschil in de plaatsing van de woorden in Jeremia 23 en 30. In hoofdstuk 23 zijn zij deel van Jeremia’s conclusies, in hoofdstuk 30 zijn ze beginpunt van een redenering.

In Jeremia 30 heeft Jeremia’ s voorzegging van de ondergang van Jeruzalem zich voltrokken. Daardoor is Jeremia volgens het criterium van Deuteronomium 18:22 een ware profeet gebleken, werkelijk door God gezonden. Maar als de lezer bij doorgaande lezing van het boek Jeremia in 30:23-24 de woorden uit 23:19-20 herkent, dan hangt om die woorden de geur nog van de discussie over het onderscheid tussen ware en valse profetie.

Jeremia maakt in deze ‘preek’ in Jeremia 30:23-31:14 duidelijk dat God niet alleen een vernietigend God is. Tegenover de korte passage 30:23-24 staat de lange uitweiding over de liefdevolle Vader die naar zijn kind kijkt, naar Efraïm, zijn eerstgeborene (31:9). In Jeremia’s woorden wint de eeuwige liefde van God (31:3) het van zijn toorn. Efraïm merkt dat uit daden van God. Er worden in Jeremia 31:1-14 vele daden van God genoemd in het voordeel van zijn volk: Hij bevrijdt zijn volk uit de handen van de Babyloniërs (31:7, 11), Hij brengt ze op weg naar het eigen land (31:2, 9), Hij haalt de uiteengeslagen leden van zijn volk weer bijeen (31:8, 10), Hij bouwt het gekwetste volk weer op (31:4), Hij zorgt voor water en gebaande wegen (31:9). Zo mag het volk jubelend naar Sion komen, naar Jeruzalem als woonplaats van God (31:6, 12). Ieder mag mee (31:8), jong en oud (31:13). Overvloed valt het volk ten deel, uitgedrukt met de drieslag ‘koren, most en olie’ (31:12): de basisvoorwaarden van het leven: eten en drinken, brood en wijn. De olijfolie was in het oude oosten zeer belangrijk in het huishouden; het werd gebruikt zowel bij de voeding als bij verlichting en geneeskundige zorg. In alle facetten van het leven wil God zijn zorg voor mens laten blijken. Zo is Hij Vader.

Het is, zingt de profeet, goed om in die relatie te leven. Dat verduidelijkt de profeet nog met een tweede beeld, het beeld van het huwelijk tussen God en volk. God is de man en het volk de vrouw. In Jeremia 31:4 wordt Israël omschreven als ‘huwbaar meisje’. Dat beeld van het huwelijk tussen God en volk had Jeremia al eerder gebruikt, in Jeremia 2:2. Dat huwelijk was echter stukgelopen. Maar in zijn eeuwige verbondenheid met zijn volk herstelt God deze relatie. Het is God menens met zijn liefde voor zijn volk.

De begrippen ‘bouwen’ als beeld voor herstel van volk en land (31:4) en ‘planten’ (31:5) refereren aan dezelfde begrippen in Jeremia 1:10. Ook daar was al aangeduid dat na afbraak herstel zou volgen. Bij dat herstel wordt eerst gezorgd voor onderdak, daarna voor levensonderhoud.

Allerlei termen in de tekst suggereren dat de teruggang naar het eigen land moet worden gezien als een tweede uittocht, een parallel van de uittocht uit Egypte. Zo refereert Jeremia met de begrippen ‘uittrekken’ (31:4) en ‘opgaan’ (31:6) aan de uittocht uit Egypte. Zoals Mirjam en de vrouwen met tamboerijnen en reidansen de bevrijding uit Egypte vierden (Ex. 15:20), zo wordt ook nu op de bevrijding van Babel gereageerd (31:4). Het komen op de hoogte van Sion (31:12) mag men parallel lezen met de intocht in Kanaan.

Aanwijzingen voor de prediking

Prachtige poëzie is hier geschreven. De uit Jeremia 31 gelezen woorden ademen een intense vreugde. Voortdurend klinken er woorden die op blijheid wijzen. Waar God in deze passage zich reddend (vs. 7, 11), verzamelend (vs. 8, 10) en leidend (vs. 9, 10) inzet voor zijn volk, reageert het volk met vreugde over het herstel van het bestaan. Gods verbondenheid met zijn volk vormt ook hier het kader. Er wordt in Jeremia 31:1 expliciet over gesproken met woorden die sterk lijken op Jeremia 30:22. Daar is de gedachte van Gods verbondenheid eindpunt van een passage, in Jeremia 31:1 staat het aan het begin van de lofzang op Gods uitredding en terugvoering naar het eigen land.

Menselijke situaties worden in deze passage gebruikt om iets duidelijk te maken over Gods liefde en verbondenheid. In menselijk gedrag kan met andere woorden een parallel worden gevonden van wat God naar mensen toe doet, al is natuurlijk jammer genoeg ook het omgekeerde waar, dat menselijk handelen God ook kan verduisteren. In bepaalde menselijke handelingen ziet Jeremia iets doorstralen van Gods handelen. Het gaat om de vader-zoon-relatie en de huwelijksrelatie. In beide beelden zit een keuze. In beide beelden zit ook saamhorigheid opgesloten. In de verhouding tussen God en volk zal het zeker ook om bescherming gaan.

Het ligt in de lijn van de tekst om in de preek stil te staan bij het vaderschap van God. Velen hebben een positief gevoel bij dit begrip, anderen hebben er een afkeer van. Onze eigen ervaringen met vaders spelen daar een rol bij. In de Schriften is het begrip positief gebruikt, om Gods toegenegenheid uit te drukken, om Hem als helper van mensen te typeren. Als bevrijdende God is Hij ons in Jezus nabij gekomen. Het initiatief ging ook daarin van God uit. Als Jeremia in 31:4 zingt ‘Ik heb jullie getrokken met eeuwige banden van liefde’, zou Johannes dan in 1 Johannes 4:10 niet op dezelfde golflengte zitten als hij schrijft: ‘Niet wij hebben Hem liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad’? In dat kader staat ons leven. Het reilt en zeilt maar niet wat op zichzelf. Het is in Gods bescherming opgenomen. We liggen deze liefhebbende Vader na aan het hart. Vanuit deze liefde zoekt Hij ons op en heelt ons leven.

< Terug