< Terug

Preekschets Jeremia 32:25 – Vierde Advent

Jeremia 32:25

Vierde adventszondag

Toch hebt u, heer, mijn God, mij gezegd de akker te kopen en in aanwezigheid van getuigen te betalen. En dat terwijl de stad in handen van de Chaldeeën valt.

Schriftlezing: Jeremia 32

Uitleg

Dit hoofdstuk beschrijft gebeurtenissen uit het jaar 587 voor Christus (het tiende jaar van koning Zedekia, en het achttiende jaar van Nebukadnessar). De Babylonische troepen hebben de stad Jeruzalem omsingeld. Het beleg is tijdelijk onderbroken vanwege de opmars van de farao met zijn troepen (vgl. Jer. 37), maar korte tijd later hervat. Nebukadnessar staat met een grote overmacht voor de poorten van de stad, en het is een kwestie van tijd en Jeruzalem zal ingenomen worden. Jeremia heeft deze gebeurtenissen – in opdracht van God – zelf aangekondigd. Het is het oordeel van God over het gedrag van zijn volk.

Er zijn ook profeten die andere geluiden laten horen: het zal heus zo’n vaart niet lopen. Wij zijn toch het volk van God, Hij heeft toch een verbond met ons gesloten? God is met ons, Hij zal ons echt niet in de steek laten. De tempel, de plek waar Hij onder ons wil wonen, zal Hij echt niet prijsgeven. Opnieuw wordt Jeremia geconfronteerd met tegenwerking. Ook de koning is niet gediend van zijn boodschap: Jeremia wordt gearresteerd en opgesloten (vs. 2-3).

In die donkere situatie komt zijn neef bij hem, en biedt hem een akker te koop aan. Daarbij speelt mee dat Jeremia ‘losser’ is: hij kan door aankoop de akker in de familie houden. Toch blijft het een merkwaardige en ook onmogelijke vraag: waarom een stuk grond in (binnenkort) bezet gebied kopen? Wat heb je daar aan? Ondanks dit dilemma koopt Jeremia dat stuk grond toch: het is een opdracht van God (vs. 8), die er een bedoeling mee heeft. De akker is volgens de here een belofte voor de toekomst (vs. 15). Dus wordt het koopcontract in aanwezigheid van getuigen opgesteld en de koop wordt (compleet met ceremonieel) bezegeld.

Na de aankoop raakt de profeet in vertwijfeling: heb ik er wel goed aan gedaan? Het lijkt hem een zinloze onderneming. Nog even en het zal afgelopen zijn met Juda en Jeruzalem. De grond zal binnenkort bezet gebied zijn. Waarom dan toch ‘investeren in een failliete boedel’ (Poot)? Jeremia klaagt zijn nood aan God. Zijn gebed is enerzijds een uiting van diep vertrouwen: voor de here is niets onmogelijk (vs. 17). Hij is de Schepper van hemel en aarde, Hij is de grote en machtige God, zijn daden zijn indrukwekkend. Anderzijds is zijn gebed een uiting van zijn vertwijfeling: waarom moest hij die akker kopen, terwijl de stad in de handen van de Chaldeeën valt (vs. 25)? Hij begrijpt er niets van. Aan de ene kant Gods almacht, aan de andere kant de ondergang van de stad en de tempel. En hijzelf er tussenin, klem.

God antwoordt: voor hem is inderdaad niets onmogelijk (een herhaling van wat Jeremia in zijn gebed al zei). De profeet zal daar hoop uit geput hebben. Maar het vervolg ontneemt hem weer alle hoop: ook al is er voor de here niets onmogelijk, toch gaat het aangekondigde oordeel door en zal de stad in puin vallen; Jeruzalem zal bestormd, veroverd en platgebrand worden (vs. 28). God neemt niets van zijn woorden terug. Vanwege de zonden van het volk vaagt God Jeruzalem weg (vs. 31).

Toch is dat niet het laatste. Er volgt een ommekeer: Maar toch… (vs. 36) Zonder dat er een reden voor is, belooft God een nieuw verbond met zijn volk te sluiten. Ook al gaat het volk (door eigen schuld) de ondergang tegemoet, toch maakt God (uit genade) een nieuw begin. Dit einde is het einde niet. Zij zullen het land weer bewonen. Er zullen weer akkers gekocht worden (vs. 43). Nu komt de betekenis van de aankoop van de akker door Jeremia aan het licht: het is een onderpand, een garantie van de ommekeer die volgt. De akker die Jeremia in oorlogstijd koopt, blijkt symbolische betekenis te hebben: het is een ‘tegoedbon’ (Van der Zee) van Gods toekomst; de terugkeer van het volk uit de ballingschap, naar hun eigen grond: het land waar eenmaal gerechtigheid zal wonen. Nog voordat ze weggevoerd worden, belooft God dat er ook een terugkeer volgt. In zijn trouw laat God zijn volk niet los.

Aanwijzingen voor de prediking

  • Het is goed om iets van de achtergrond van dit hoofdstuk te belichten, zonder dat het een uitvoerig historisch exposé wordt. Het gaat immers om de verbinding met het leven hier en nu.

  • Op verschillende manieren kan gezocht worden naar verbindingen tussen dit hoofdstuk en ons leven. Een mogelijke insteek is de reactie van Jeremia op de opdracht de akker te kopen. Hij moet dat doen in onzekere tijden. Er is sprake van een politieke en religieuze crisis. Daarin zijn duidelijk parallellen waar te nemen met onze tijd, zoals de economische crisis en de onzekerheid over de euro, maar ook de voortgaande secularisatie en de plaats van religie in het publieke domein.

  • Omdat de stad op het punt staat ingenomen te worden, twijfelt de profeet aan de zin van zijn aankoop. Hij vraagt zich af waarom hij dit moet doen, terwijl de Chaldeeën al voor de poort liggen (vs. 25). Hij komt in aanvechting: het is zinloos wat ik doe. Dit is weggegooid geld; investeren in een failliete boedel. Geld steken in een nagenoeg failliete onderneming doe je niet, tenzij je er nog iets in ziet.

  • Er is verschil in wat Jeremia ziet en wat de here ziet: Jeremia ziet er niets meer in, voor hem is de aankoop van de akker zinloos. Voor God is dat anders: Hij ziet er – ondanks alles – nog wel iets in. Ons zicht is vaak beperkt. Daarom is het bemoedigend te horen dat God meer ziet en verder kijkt. Zo krijgt de aankoop van de akker een ongelooflijk diepe betekenis: God heeft er een plan mee; het wijst op de toekomst die Hij voor zijn volk in petto heeft.

  • Er bestaat spanning tussen wat je om je heen waarneemt en wat God belooft. Dat had Jeremia, en wij herkennen het ook. Geloven vandaag lijkt een zinloze onderneming; volgens velen is het investeren in een aflopende zaak. Dat kan in aanvechting brengen. ‘Geloof is een onrustig ding’ (Luther). Hoe houd je de hoop vast?

  • Preken over hoop kan goedkoop worden en het risico in zich hebben niet uit te stijgen boven het niveau van wat stichtelijke dooddoeners en clichés. Het gaat hier over een tegendraads gebeuren: Jeremia’s actie is op het eerste gezicht een zinloze exercitie. Hetzelfde geldt voor de kerk in West-Europa. Het gevaar van teleurstelling ligt op de loer. Voor je het weet krijgt de stem van de mismoedigheid de overhand. Daarom is het goed om te zien dat God door de ondergang heen werkt naar een nieuw begin. Ook al zie je er nog niets van. Jeremia weet ook niet hoe het verder moet, maar hij legt het in Gods hand. Wij hebben hoop, omdat God er is. En omdat Hij vasthoudt aan zijn toekomst, en daaraan werkt – ook in het verborgene.

  • De hoop is daarom niet gebaseerd op prognoses of programma’s, maar op Gods trouw en reddend ingrijpen. Hij investeert in een failliete boedel. Hij zendt zijn Zoon naar deze wereld: Christus komt, ‘koopman in oud roest’ (Gerrit Achterberg). Hij koopt de failliete boedel op en betaalt daarvoor de prijs. (Laat de predicator, sprekend over oud roest en faillissement, tegelijk ook pastor zijn.)

  • De gemeente van Christus heeft weet van een ‘tegoedbon’: in deze ondergaande wereld is een geopend graf, dat wijst naar de toekomst. God wekte zijn Zoon op uit de dood en belooft nieuw leven, een nieuwe toekomst. Het zaad ontkiemt op de akker, en brengt veel vrucht voort.

Liturgische aanwijzingen

Jeremia 32 is (te) lang om als geheel te lezen. Men kan bepaalde gedeelten uit het hoofdstuk lezen of, als het toch helemaal gelezen wordt, de lezing onderbreken met een lied. 1 Petrus 1:1-9 zou als tweede lezing kunnen fungeren. Uit het lb: naast de adventsliederen (zoals Psalm 130 en Gezang 125) ook Psalm 37 (God schenkt het land aan wie zijn weg bewaren), Psalm 85 (God brengt een omkeer in het lot van zijn volk), Gezang 9 (God keert de rollen om), Gezang 38 (Ondanks de ontrouw keert God zijn volk niet de rug toe), Gezang 294 en Gezang 447. Verder passen ook elb 224 en elb 246.

Geraadpleegde literatuur

Preekschets van A. Noordegraaf over Jeremia 32:15 in: J. van der Graaf e.a. (red.), Het Woord der prediking. Handreiking voor predikanten deel 3, Kampen, 2000, 70-74; T. Poot, Wakker worden met profeten en apostelen, ’s-Gravenhage, 1985, 33-34; in Postille 27 staat ook een preekschets over Jeremia 32:25.

< Terug