< Terug

Preekschets Jesaja 16:3c – 4e zondag van de herfst

Vierde zondag van de herfst

Verberg de vluchteling, lever de ontheemde niet uit.

Lezing: Jesaja 16:1-5
Thema: vluchtelingen

Zie ook

Het eigene van de zondag

Als we in de herfst de rust en ruimte krijgen voor een voortgaande reflectie kunnen ook wat minder toegankelijke Bijbelgedeelten aan de orde komen. In de lezing van vandaag zien we Jesaja de complexiteit blootleggen van manipulatief gedrag; het hoort helaas bij het arsenaal dat mensen ten opzichte van elkaar hanteren. In de chaotische emotionele warwinkel van belangen en verlangens kan Gods boodschap immers ook gebruikt of zelfs misbruikt worden. Het nadenken daarover daagt ons uit om onze koers naar een door God gekwalificeerde rechtvaardige samenleving opnieuw te ijken. Dat is een noodzakelijk proces; al was het maar om daarin onze eigen verantwoordelijkheid op het spoor te komen.

Deze en de volgende preekschets stellen twee weinig bekende fragmenten van de profetie van Jesaja centraal. Het zijn moeilijke teksten die Bijbelse basismotieven in hun omkering onderzoeken om daarmee uiteindelijk dat basismotief te bevestigen. Vandaag is dat het appèl op de bescherming van vluchtelingen.

Uitleg

Inleiding

De tekst van Jesaja 16:1-5 bevat een klaagzang die uitgesproken wordt door verdreven inwoners van Moab. In Jesaja 15 en 16 staat een onheilsprofetie over Moab. Het oordeel behelst de vernietiging van diens steden en de verdrijving van diens inwoners, zodat zij bij Israël moeten aankloppen om hulp. De vluchtelingen uit Moab smeken om bescherming (Jesaja 16:4) en daarmee refereren ze aan het motief dat Israël vanuit de tora goed kent, namelijk de opdracht om zich het lot van vluchtelingen aan te trekken. Het klinkt hier alleen uit de mond van de vrouwen van Moab die op dat moment een pleidooi voor hun eigenbelang voeren.

Het oordeel over Moab is onderdeel van de serie onheilsprofetieën van Jesaja dat de Israël omringende volkeren treft. De serie begint in Jesaja 10:5 met een oordeel over Assyrië. Over onder andere Babylonië, de Filistijnen, Aram, Egypte en Nubië, Tyrus en Sidon worden eveneens onheilsprofetieën uitgesproken. Zelfs de aarde treft een oordeel (Jesaja 24).

Interne kritiek

Het voorafgaande gedeelte (Jesaja 1 tot 10:4) staat in het teken van interne kritiek op Israël. Jesaja begint (Jesaja 1:2) met een aanklacht tegen en onheilsboodschappen voor Israël en Jeruzalem. In een rede met apocalyptische toonzetting verwoordt Jesaja als profeet van de God van Israël de verwijten van God aan zijn volk, want humaniteit en rechtvaardigheid zijn ver te zoeken (Jesaja 1:15-17). In de profetieën zoals Jesaja die verwoordt – in de aanklachten die Israël treffen en vervolgens in de weg van omkeer die dan gewezen wordt – staan zowel de gerechtigheid (zedekia) als het recht (misjpat) centraal (Jesaja 1:27, Jesaja 10:1,2a, zie ook Psalm 94:2-6).

Vluchteling worden; speelbal in de wereldpolitiek

Het onrecht dat in Gods ogen onder het volk heerst geeft de omringende landen niet het recht om Israël met eigen kwalijke bedoelingen te bedreigen, ook al zijn die omringende landen soms een instrument van Gods woede (zie Jesaja 10:5). De omringende volken die in de onheilsprofetieën genoemd worden staan voor verschillende vormen van afgoderij. Babylonië bijvoorbeeld staat voor macht en heerschappij, Egypte voor militaire macht. Moab wordt gekwalificeerd als hoogmoedig en verwaand (Jesaja 16:6, Jeremia 48:29). De profetie over Moab beslaat in Jesaja hoofdstuk 15 en 16; in Jeremia 48 staat een profetie over Moab die veel parallellen heeft. Moab ligt ten oosten van de Dode Zee en het breidde in die tijd zijn macht uit in de richting van de Jordaanvallei (Jeremia 48:8). Moab wordt verwoest; zijn inwoners worden voor zover zij overleven, verdreven. De klaagzang van Moab wordt een aanklacht tegen Israël waarin het aan zijn eigen tora herinnert wordt. Een andere verhouding t.o.v. Moab in relatie tot de tora, vinden we bij Ruth de Moabitische. Het gezin van haar Israëlische schoonmoeder Noömi kwam – gevlucht voor een hongersnood – in Moab wonen (Ruth 1:2), en Ruth zal later krachtens de tora van harte door Israël opgenomen worden.

Vers 3c vertaalt de NB met: verberg de verdrevene, verraad een vluchteling niet. De HSV kiest qua betekenisweergave van deze woorden als de NB. Het woordenboek Koehler/Baumgartner geeft als betekenissen voor ndh: verdrijven, uiteenjagen (van dieren), verstrooien, ontheemd raken. En voor ndd: vluchten. Zie ook Jesaja 10:31, Jesaja 21:14, Jesaja 22:3.

Vluchteling zijn; gevangen in belangenstrijd

Opvallend zijn de verschillende betekenislagen van de uitspraak van vers 3–4a. Het perspectief verandert telkens wanneer je bedenkt welke mensen in hun verschillende posities deze woorden gesproken kunnen hebben, of waarom ze door wie bij welke mensen in de mond gelegd zijn. De oproep tot het verbergen van de vluchteling / verdrevene en het niet verraden of niet uitleveren van een ontheemde / vluchteling, klinkt in eerste aanleg als een regel die in algemene zin nagekomen moet worden. Maar deze oproep komt bij Jesaja uit de mond van vluchtelingen zelf die daarmee hun eigen belang dienen. Het zijn zelfs Moabitische vluchtelingen die in de onheilsprofetie van Jesaja in hun vluchtelingschap een oordeel van God ondergaan vanwege de hoogmoedige houding van Moab, o.a. ten opzichte van Israël. De suggestie is trouwens dat het hier de vrouwen zijn die spreken als de ontheemden en zo als ervaringsdeskundige een pleidooi voeren voor de ontheemden van Moab in bredere zin. Vrouwen dragen in oorlogssituaties vaak een zwaarder lot; zij hebben in Gods ogen dan meer recht van spreken. Maar misschien worden zij juist daarom wel bewust als spreekbuis bij dit ongeluk dat Moab in zijn geheel treft, naar voren geschoven. Het kan bedoeld zijn om de uiterste vernedering van Moab te beschrijven, namelijk dat nota bene hun vrouwen moeten smeken om een humane behandeling bij hun vroegere vijand.

Het perspectief wisselt opnieuw als we ons realiseren dat Moab hier niet echt aan het woord is, maar Jesaja, die deze smeekbede uittekent. Toch wordt er met die imaginaire smeekbede van Moabs vrouwen wel een appèl gedaan op de bestaande rechtsregels van Israël zelf. Zo spreekt Jesaja bij monde van Moab juist Israël aan dat tegelijkertijd in zijn profetie aan een zelfkritisch onderzoek onderworpen wordt: het appèl van de vluchtelingen van Moab is terecht! Een laatste perspectiefwisseling in de tekst kan dan zijn dat de geadresseerde van Jesaja hier niet alleen in de directe rede Israël is, maar vooral in de impliciete zin omdat de opzet is om Israël aan zijn constitutie te herinneren. Daar ging immers Gods aanklacht ten aanzien van Israël over: stop met het onderdrukken van de zwakkeren, maar bescherm hen en doe hen recht.

Rechtdoen aan vluchtelingen en vreemdelingen

Als alle leed geleden is wordt in Davids huis het recht (misjpat) hersteld (vers 4b-5). De hoop van Israël, maar kennelijk ook de hoop van de vluchtelingen is daarop gevestigd. Over het herstel van het verbond van God met zijn volk en de terugkeer van gerechtigheid zingt ook Psalm 85. Ook hier klinken de woorden chèsèd (goedertierenheid, genade, liefde), emet (trouw) en zedekia (gerechtigheid). De vreemdelingen (gerim) worden in Israël beschermd doordat hun positie in de wet- en regelgeving in de tora verankerd is. De legitimering daarvoor is gelegen in de eigen ervaring van vreemdelingschap van Israël tijdens de slavernij in Egypte (Leviticus 19:34, Deuteronomium 10:19). Maar er is ook een identificatie met het vreemdelingschap die daarvoor al begonnen is. In de geschiedenis namelijk van de aartsvaders van Israël die begint met Abram die alles wat hem vertrouwd is achter zich laat (Genesis 12:1). Israël herinnert zich dat zijn stamvader een zwervende Arameeër was (Deuteronomium 26:5). Dat is een bestaan dat van plaats naar plaats voert en risico’s met zich meebrengt. Vreemdeling worden betekent een confrontatie met de zelfkant van een gesettelde samenleving. Abram wordt vanwege een zware hongersnood zelfs economisch vluchteling (Genesis 12:10). In het Nieuwe Testament klinkt het besef door dat ook wij slechts vreemdelingen en gasten zijn op deze aarde (Hebreeën 11:13, zie ook Leviticus 25:23). Het is tenslotte God zelf die zich als vreemdeling onder ons begeeft (Jeremia 14:8, Matteüs 25:35c, 43a) en die zijn stem laat horen door de mond van vreemdelingen (1 Korintiërs 14:21).

Aanwijzingen voor de prediking

De vreemdeling of vluchteling komt in de Bijbel in beeld als een kwetsbare bij uitstek. Vreemdelingen worden vaak in één adem genoemd met de weduwen en wezen. De bescherming van deze groepen is in tenach verankerd. God kiest voor hen (Psalm 146:9a). In onze samenleving zien we hoe vluchtelingen, asielzoekers, gemangeld worden tussen onmogelijkheden. Schrijnende voorbeelden zijn kinderen die uitgezet worden naar een land dat zij niet kennen, of uitgeprocedeerde asielzoekers die wanhoopsdaden plegen.

Als je naloopt hoe de oproep: verberg de vluchteling, lever de ontheemde niet uit, in vers 3, in de tekst van Jesaja functioneert, mag ook de dubbelzinnigheid en de belangenstrijd daaromheen aan de orde komen. Vluchteling zijn bestaat niet als identiteit; het is een (tijdelijke) positie. Waar halen wij de hoogmoed vandaan om te denken dat wij niet ook in die positie zouden kunnen verkeren?

Kijk naar de rol van vrouwen in dit verhaal.

Excurs: het zoeken naar schaduw doet denken aan het verhaal van de vrouwen van Srebrenica die na hun deportatie uit de enclave in 1995 dagenlang in de brandende zon op de landingsbaan van het vliegveld van Tuzla gezeten hebben. Dat relativeert op geen enkele manier het lot dat hun mannen trof. Alleen, zij kunnen het navertellen; overleven verplicht.

Een vluchteling hoeft niet geïdealiseerd te worden. Hij/zij heeft soms een geschiedenis waar inderdaad veel vragen bij te stellen zijn. Bij Jesaja is de vraag van een Moabitische vluchteling een beroep op de humaniteit van hen die de mogelijkheid hebben om te helpen. Zo’n appèl kan komen van je voormalige vijand. Daarmee is principieel niet gevraagd om degene die als vluchteling voor je staat in alles te rechtvaardigen, maar het gaat om het geven van de mogelijkheid om te leven. Hoe dan ook. Dat staat in de tora beschreven (Leviticus 19:34). Het gaat om de humaniteit van Godswege en daar is ook onze menselijkheid van afgeleid (Matteüs 25: 31 e.v.).

De profetieën van Jesaja beogen het herstel van het recht in Israël. Het recht oprichten en gerechtigheid doen is de weg die tot omkeer leidt (Jesaja 1:27). De wetgeving rond vluchtelingen wordt in Nederland in principe gerelateerd aan het Europese Vluchtelingenverdrag, Genève 1951, waarin het recht van de vluchteling uitgangspunt is. Maar de uitvoering van ons vluchtelingenbeleid wordt steeds meer ingegeven door overwegingen van beheersbaarheid. Laten we het herstel van recht zoeken. Adonai is een God van recht, genade en trouw. Wij allen verwachten zijn rechterstoel.

Met kinderen en tieners

Hoe moet je een pleidooi voeren voor andere kinderen? Denk bijvoorbeeld aan acties op scholen als medeleerlingen terug moeten naar een land van herkomst waarin zij nooit hebben gewoond. Dan worden allerlei argumenten naar voren gebracht; ook de humanitaire overwegingen waarvan de overheid zegt zich er zelf aan te willen houden.

Zie ook het extra kindermoment bij deze schets.

Liturgische aanwijzingen

Naast de schriftlezing van Jesaja 16:1-5 kan Psalm 146 klinken.
Als Nieuwtestamentische lezing mogelijk Matteüs 15:21-28.
Zingen: als gloria NLB 146c(6); overig: NLB Psalm 7(4), NLB 1008, 941(2), 802, 997, GvL 484

Geraadpleegd

H. Wildberger, Jesaja, Biblischer Kommentar Altes Testament Band X/8, Neukirchen-Vluyn, 1975

< Terug