< Terug

Preekschets Johannes 12:7

Johannes 12:7

Palmarum

Jezus dan zeide: Laat haar begaan en het bewaren voor de dag mijner begrafenis.

Schriftlezing: Johannes 12:1-11

Het eigene van de zondag

De laatste zondag voor Pasen breekt aan. Vanouds stond de intocht in Jeruzalem centraal, al dan niet in kleurrijke en spirituele processies verbeeld. In de reformatorische traditie ontstond de gewoonte op deze zondag belijdenis van het geloof af te leggen. Het is zeer wel mogelijk op deze zondag het verhaal te lezen van de zalving. Daarmee is het accent gelegd op wat komt in de goede week. Een laatste gebaar voor de Heer die op weg is naar zijn kruis. Maria zalft Hem en het hele huis is vol van de geur van de mirre. Welk een liefdevolle voorbereiding op de passio magna. Daarom is het de moeite waard het Hooglied erbij te lezen.

Liturgische aanwijzingen

Lezing Oude Testament: Hooglied 1: 1-2:7. LvdK: Psalm 24; 50: 7, 11; 146; Gezang 176; 178:1, 2, 3; 446; Uit GvL ‘Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden’, naar Psalm 103.

Geraadpleegde literatuur

Voor de commentaren, zie zondag 6 maart. Daarnaast: P.A. Elderenbosch, Het onderricht van de Messias, ’s-Gravenhage 1976; H.J. Iwand, Predigtmeditationen I, Göttingen 1977, 4e druk, 298vv; D. Monshouwer, Gevierde schrift. Systematische leesoefeningen in een Amsterdams leerhuis, Kampen 1987, 113-127.

Uitleg

Het slot van hoofdstuk 11 geeft aan dat het Pascha der joden nabij was. Velen gingen op om zich te reinigen. Daarbij meldt Johannes het een en ander over de verwachtingen van de pelgrims en over voorschriften om Jezus ‘ te grijpen’. Wat daarvan ook waar is, de toon is gezet. Aan het slot van de perikoop keert dit thema terug. Jezus gaat, zes dagen voor het Pascha, openlijk – Hij heeft niets te verbergen – naar Betanië ‘ waar Lazarus was, die Jezus uit de doden had opgewekt’.

Vers 2 In welk huis de maaltijd wordt aangericht is onbekend. Maar die maaltijd is er; ‘ deipnon’ is ook het woord voor de laatste maaltijd, het gastmaal van de bevrijding. Marta bediende en Lazarus was aanwezig. Of die laatste vermelding te maken heeft met een ‘Lazarus-traditie’ tegenover een ‘Simon-traditie’ (zoals bij de synoptici)? De vermelding van Lazarus is hoe dan ook van belang. De opwekking van Lazarus kan men lezen als een preludium op de opwekking van Jezus. Deze zwijgende gestalte aan tafel is het teken van Jezus’ heerschappij over de dood.

Vers 3 Maria verschijnt op het toneel, heel direct, ‘ oun . Zij is er helemaal, teruggetreden ten opzichte van Marta in hoofdstuk 11, komt zij nu met haar unieke geste binnen wandelen. Een pond echte, pistikos, betrouwbare nardusmirre gebruikt zij om de voeten van Jezus te zalven. Met haar haren droogt zij de voeten af. In dit ene grootse gebaar is zij getekend, dit is haar daad. Opvallend is uiteraard de hoeveelheid en de kostbaarheid van de mirre. Het zalven van de voeten duidt volgens de uitleggers op deemoed. Daarbij zij vermeld dat de voeten staan voor het gehele lichaam, zie de ‘voetwassing’. Dat deze daad tijdens een maaltijd op z’n minst vreemd is in de Joodse traditie geeft Schnackenburg aan. Dit teken is dan ook provocerend.

Vers 4-6 Judas maakt zijn verwijt, rationeel en sociaal gefundeerd. De 300 schellingen zouden de armen ten goede komen. Johannes tekent hem vervolgens als een dief, uit op eigenbelang, een gegeven dat alleen hier voorkomt. Deze tekening is uiterst negatief; ook Matteüs kent de hebzucht, maar Johannes kent weer niet de 30 zilverlingen. Dat vers 6 later is toegevoegd, behoeft geen betoog. Het antwoord van Jezus gaat niet in op vers 6. Maar het signaal is helder, de mens Judas wordt hier in een moreel oordeel gevangen.

Vers 7 Jezus duidt de daad van Maria. Gaat het om de hoeveelheid mirre? Nikodemus levert honderd pond, 19:39. Het gaat om deze geste als een teken van de dag van de begrafenis. De profetie aangaande dood en begrafenis past zeer wel in het geheel van het verhaal van Johannes (vgl. 7:33; 8:21, 38; 9:4; 10:17; 11:9). Het woord ‘ entafiasmos’ (begrafenis) is uniek in het evangelie. Twee vormen van uitleg strijden hier om de voorrang. Gaat het om een uniek blijk van liefdebetoon, of gaat het om de zalving van de koning? In het geheel van dit evangelie is te verdedigen dat Maria een teken geeft van een inzicht dat verder reikt dan haar eigen verstaan. Net als de voorspelling van Kajafas, over de dood van een mens voor het volk. Beiden doen meer dan ze konden begrijpen. Maar er is meer. Heeft Maria de mirre opgespaard uit haar eigen vermogen? Een mens spaart een half leven lang voor de begrafenis, zij kan dan de rest bewaren voor haar eigen einde. De tekst geeft geen uitsluitsel. Daarom is een keuze gevraagd. Gezien het verhaal is het zinnig om de daad van Maria te duiden als een laatste eerbetoon aan Jezus; zij eert Hem als de Heer over de dood, zonder dat te weten. Dat uitgerekend daarin de liefde en het eerbewijs aan de Messiaanse koning samengaan, is uniek. De dood van Jezus is bij Johannes overigens ook zijn intronisatie, zijn dood is teken van zijn uiteindelijke overwinning.

Vers 8 Het motief van de armen is veelzeggend. Johannes speelt de armen niet uit tegen de presentie van Jezus (vgl. ook 12:35). Integendeel, het beroep op Deuteronomium 15:11, Jesaja 58:6v en Matteüs 25:35vv is te veelzeggend om te negeren. De essentie ligt in het ‘maar Mij hebt gij niet altijd’.

Vers 9-11 Hier komt het thema van de vervolging naar voren. In het licht van de zalving door Maria gaat het leven van Jezus verder. De toeloop van velen om Lazarus te zien, vertelt Johannes om nogmaals de opwekking van Jezus voor te bereiden. Ook daar zal geloof gevraagd worden.

Aanwijzingen voor de prediking

De zalving door Maria vormt de opmaat van de passio. Deze Jezus is de Gezalfde. Net als even later bij de intocht, Johannes 12:16, begrijpen de leerlingen niet wat er gebeurt. Maria getuigt met haar daad van liefde en eerbetoon van wat haar en de lezers en hoorders in Jezus geschonken is.

In de prediking kan men de schijnwerper richten op de verschillende figuren uit het verhaal. Niet alleen op Maria, maar ook op Judas. Het is niet zinvol uitvoerig in te gaan op de uitzonderlijk negatieve tekening die Johannes van deze leerling geeft. Zijn argument dient eerlijk gewogen te worden. Juist daarom is het waardevol uit te leggen dat Judas de armen tegen Maria’s geste uitspeelt. Die handeling is niet zuiver. De overvloed van het gebaar is onbegrijpelijk voor allen die dat gebaar niet herkennen.

Jezus neemt het op voor Maria. En wel met een uniek argument: ‘Mij hebt gij niet altijd’. Dat voelt Maria aan. Dit moment hier in het huis bij de maaltijd zal nooit meer terugkomen. Dit is een buitengewoon intrigerend moment dat pastoraal-psychologisch van belang is. Dat Jezus haar daad uitgerekend verbindt met zijn begrafenis, geeft aan hoe in een mensenleven overgave in deemoed en verdriet over wat komt dicht bij elkaar liggen.

Toen Jezus Lazarus terugriep in het leven was de geur van het graf om hem heen, (vgl. 11:39). Nu geurt het hele huis van de mirre als teken van liefde (vgl. Hooglied). Judas maakt dit feest niet mee. Dat een mens ten dode gezalfd wordt komt maar één keer voor in de bijbel, Genesis 50:2. Jakob/Israël werd door de dienaren van Jozef gebalsemd en dat duurde veertig dagen. Dat was een teken van hoop en toekomst.

De relatie van Jezus met de vrouwen om Hem heen is buitengewoon indrukwekkend. Hij doorbreekt vele gangbare patronen, bijvoorbeeld de maatschappelijke en religieuze discriminatie. Deze intentie van het verhaal van Johannes is ook vandaag van ongekend belang.

Het is een goede vraag hoe over zulke verhalen te preken. Wie weet helpt het om de dieptelagen in dit fragment te ontginnen. Het gaat dan niet alleen om de exegetische wetenswaardigheden, hoe fundamenteel ook voor een goede structuur van de preek, het gaat ook om wat de tekst oproept bij de predikant en de hoorders. Daartussen ligt een meestal onbereflecteerde bijbelse theologie. Dit specifieke verhaal van Johannes helpt wellicht om enige zelfreflectie te oefenen. Welke betekenis kennen predikanten eigenlijk toe aan Jezus? Van Maria valt te leren dat er een deemoed en een overgave bestaat die voorbij de berekening gaat. Meer nog, de overvloed is een teken van een echt spiritueel verstaan van de gestalte van Jezus Christus. Een preek over deze perikoop kan teken zijn van innige spiritualiteit. Men geeft zichzelf of men geeft zich niet. Zoiets als ‘goedkope genade’ (Bonhoeffer, Navolging) zou een farce zijn. ‘ Kostbare genade’ kost de predikant het leven en schenkt leven in overvloed. Dat is een zaak van geloof zonder welk het preken een dor verhaal blijft.

< Terug