< Terug

Preekschets Johannes 16:16 – Hemelvaart

Johannes 16:16

Hemelvaart

‘Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug.’

Schriftlezing: Johannes 16:16-24

Het eigene van de feestdag

Hemelvaart kun je wel het stiefkind onder de kerkelijke vierdagen noemen. Komt dat omdat ons wereldbeeld veranderd is? De dagen dat er ophef ontstond over de woorden van de eerste astronaut, Joeri Gagarin, dat hij God niet had gevonden in de ruimte, liggen ver achter ons. Maar in tegenstelling tot bij Lucas wordt Jezus’ ‘gaan naar de Vader’ in onze lezing bepaald niet ruimtelijk verbeeld. Luisteren naar Johannes op Hemelvaart zou je kunnen zien als een laatste pelgrimsstatie voor Pinksteren. Want de zending van de Geest geeft precies aan waar we op Hemelvaartsdag bij stilstaan: geloven is een gewekt en niet te stillen verlangen naar het rijk. Een verlangen dat, behalve in een volledig opgetuigde viering, ook stem kan krijgen in een sobere vesper.

Uitleg

‘Al heeft Hij ons verlaten, Hij laat ons nooit alleen’ (Lvdk 234) is het perspectief van waaruit we deze perikoop een plaats geven in de verkondiging op Hemelvaartsdag. Ditmaal dus niet het accent op hemelvaart als de troonsbestijging van Jezus. Er is trouwens zeker een innerlijke samenhang tussen het hemelvaartmotief bij Lucas en het ‘gaan naar de Vader’ bij Johannes. Want de vragen en de aanvechting die in Johannes 16 bepalend zijn, worden impliciet verondersteld bij Lucas als het in de periode tussen opstanding en hemelvaart gaat over ‘al wat het koninkrijk Gods betreft’. Ondanks veertig dagen onderwijs klinkt dan de vraag of het koningschap voor Israël in deze tijd hersteld zal worden. Het antwoord op die vraag is: wachten en het uithouden met de Geest (Hand. 1:6-8). Niet zien en toch geloven, het is een niet te elimineren spanning voor wie door Jezus’ woorden geraakt zijn.

Johannes 16 volgt op de woorden over de tegenstand die de discipelen te wachten staat (15:18-27). De woorden hebben een eschatologische ernst, en ‘getuigen zijn’ krijgt hier (martureoo) – in navolging van Jezus – de kleur van martelaar zijn. ‘Er komt zelfs een tijd dat iedereen die jullie doodt, meent daarmee God te dienen’ (16:2). Jezus waarschuwt zijn leerlingen opdat ze hun geloof niet verliezen. Want de weg die Hij gaat zal hen in grote verwarring achterlaten. Huilen en weeklagen (vs. 20) zullen ze, als mensen die door rouw verscheurd worden. Uiteraard moeten deze woorden allereerst gelezen worden in het licht van Jezus’ komende lijden en sterven, beschreven vanaf hoofdstuk 18. Maar tegelijk horen we hoe de discipelen er hier op voorbereid worden om mét God zonder God in deze wereld te leven. ‘Jullie zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld’ (16:33). Maar juist daarom: ‘Werkelijk, het is goed voor jullie dat ik ga’ (vs. 7). Heel uitdrukkelijk staat er dat de ‘pleitbezorger’ anders niet komen kan. Eerst moet een mens soms alles uit handen geslagen worden, wil hij/zij oog krijgen voor wat werkelijk waar en waardevol is. ‘De Geest van de waarheid zal (…) de weg wijzen (hodegein) naar de volle waarheid’ (vs. 13).

Het weggaan van Jezus is iets anders dan het huis uit sluipen. Hij blijft iemand op wie wordt gewacht (vrij naar Rutger Kopland). Hij gaat naar de Vader (vs. 10) en zo zal hij de wereld in het ongelijk stellen. Door de machthebbers gehaat en uitgeworpen, zal hij Gods reddende gerechtigheid aan het licht brengen. Want dat is het antwoord op de vraag die de leerlingen bezighoudt: wat betekent het toch: ‘Ik ga naar de Vader’ (vs. 17)?

Nóg een vraag houdt de leerlingen bezig: ‘Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug’ (16:16-18). Tot driemaal toe (vs. 17-19) worden Jezus’ woorden in de aansluitende verzen herhaald. Woorden die, gezien de parallel in Jesaja 26:20, waarschijnlijk apocalyptisch geduid moeten worden. ‘Trek je terug in je kamers, mijn volk, en sluit de deur achter je. Nog een korte tijd, tot de woede bekoeld is.’ In Jesaja wordt Gods bevrijdend handelen verkondigd. In datzelfde hoofdstuk (26:17-18) de metafoor van de barensweeën die Johannes in 16:21 gebruikt. Maar in Jesaja 26 géén toekomst – ‘op aarde werd geen mens meer geboren’. Brown over mikron (zie ook Joh. 13:33): ‘Het is een uitdrukking in het ot die door de profeten gebruikt wordt om optimistisch te verwoorden dat het maar kort duurt tot Gods bevrijding aanbreekt.’ Daarom wordt in het volgende vers met kracht Israëls opstanding uit de dood verkondigd.

‘Een korte tijd en jullie zien me niet meer.’ Niet voor niets blijven de woorden van Jezus als een vraag en struikelblok in de dialoog hangen. De evangelist weet dat Jezus spreekt over de tijd tussen kruis en opstanding, over verdriet dat in vreugde (vs. 20) zal veranderen. Maar de leerlingen weten niet – en zij niet alleen! – wat opstanding is (zie Joh. 10:16, 14:5, 16:5, 20:10 en 25). Waar Jezus naar de Vader gaat, staan de leerlingen met lege handen en kapotte dromen. Wat ‘korte tijd’, wie zegt dat de pijn (thlipsoo, ook in vers 33) van de barensweeën, evenals in Jesaja 26, niet slechts lucht voortbrengt? Hoe zullen we het in de tussentijd volhouden Gods rijk te verwachten? Een tussentijd, zie vers 33, waar we op zijn minst geplaagd worden door ‘het ondoorzichtig karakter van de gebeurtenissen’ (Herman Ridderbos). Maar waar evenals in Jesaja 26:19 van Godswege de proclamatie van nieuw leven klinkt, zo komt de Geest ons ‘bekendmaken wat komen gaat’ (16:13). Wachten en bidden – om gaande te blijven.

Met Hemelvaart gedenken we de pijnlijke ontmaskering van alle onrecht en geweld tegen hen die Gods recht en trouw op aarde belijden. Zie ook Openbaring 11:7-9 en 12 – ‘Toen stegen ze in de wolk op naar de hemel, voor het oog van hun vijanden.’ Ook Johannes spreekt van de levensgeest die de getuigen door de barensweeën heen zal vasthouden en die hun oog zal geven voor Gods nieuwe begin. ‘Jullie hebben nu verdriet, maar ik zal jullie terugzien’ (vs. 22). Die laatste woorden zijn een omkering van de belofte in Jesaja 66:14 (Septuaginta), waar de gelovige God zal zien. De metafoor van de barensweeën wordt ook in de profeten gebruikt als het gaat om de verlossing van Jeruzalem, dwars door het geweld van de volkeren heen.

Aanwijzingen voor de prediking

  • Met de hemelvaart van Jezus komt zijn weg niet ten einde. Zijn ‘zitten aan de rechterhand Gods’ is geen rusten. Hij is gegaan om ‘een plaats gereed te maken’ voor ons (Joh. 14:2). Dat zal wel niet betekenen dat hij nu bezig is ‘huisjes voor ons te timmeren’, zoals een kind dat plastisch uitdrukte. De woorden in Johannes 14 staan in samenhang met Jezus’ belofte dat Hij de Vader zal vragen ‘een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn’ (14:16, 16:7). In het werk van de Geest kondigt zich de bevrijdende, ruimte-makende heerschappij van Christus aan. Daarom kan Paulus ook spreken over ‘pleiten voor ons’ (Rom. 8:34). Of, zoals Ad den Besten dichtte: ‘waar ons Hoofd is voorgegaan, is voor het lichaam nu vrij baan naar een bestaan volkomen’ (Lvdk 210).

  • Als het ergens om gaat, dan gaat het vandaag om luisteren met ‘Schrift-geleerde’ oren. Recht doen en trouw betrachten en nederig de weg gaan van je God, zo mag met de woorden uit Micha 6:8 de weg van Jezus beschreven worden. Dat is de weg die we ook bij Henoch, Mozes en Elia getekend vinden, mensen die God in zijn hart gesloten heeft en die zo de hemel vonden.

  • ‘Geloven zou makkelijker zijn als we Jezus bij ons hadden’, zegt men soms. De Geest zet ons op onze voeten. Niet een leven lang in het klasje van Jezus, maar durven leven, durven vragen (16:24).

  • Droefheid wordt tot vreugde: niet in een eenmalig moment van bekering of extase. Maar omdat zijn waarheid gaandeweg voor ons oplicht. Een waarheid die je samen zoekt en vindt, een weg die je samen gaat. Geen geconserveerde waarheid, want die wordt taai en smakeloos. In het Johannes-evangelie is de waarheid geen these of dogma, maar een mens.

  • Nog een korte tijd. Ja, toch. Soms lijkt de kruisweg door de geschiedenis eindeloos. Maar Hij bewoont ons met zijn Geest en zucht in ons de toekomst tegemoet. En als het ons te lang en te zwaar valt, zegt Hij: ‘Ik heb de wereld overwonnen.’

  • In Jezus’ naam blijven we God bidden en alles vragen. we vragen vooral of zijn Geest ons bij zijn toekomst wil bepalen. Jezus wil niet bij ons zijn als een herinnering aan hoe mooi het eens was, maar als de levensadem die ons gaande houdt. Zijn belofte wekt hoop de wereld nieuw te zien. Laat je verrassen op hemelvaart. Een gemeente die in verwachting is, reken maar dat dat vragen oproept. ‘Hoelang nog?’ Nog een korte tijd, want iedere dag, in ieder kind, in iedere glimlach, in ieder lied wordt toekomst geboren.

Liturgische aanwijzingen

Psalm 42 en/of 43 kunnen als eerste lezing een plaats krijgen of gezongen worden. Daarin klinkt de klacht en het verlangen dat Gods licht en waarheid (43:3) op aarde openbaar worden. Gezang 234 noemden we al, maar ook Gezang 79 sluit mooi bij de thematiek aan. Bij een gesprek met de kinderen zou aangeknoopt kunnen worden bij het beeld van de zwangerschap. Negen maanden wachten is een lange tijd, maar als het kind eenmaal geboren is zijn we er zo blij mee dat alle ongemak en spanning naar de achtergrond verdwijnen.

Geraadpleegde literatuur

Raymond E. Brown, The Gospel according to John, xiii-xxi, Anchor Bible, New York, 1970; H. Ridderbos, Het evangelie naar Johannes, deel 2, Kampen, 1992; ‘Weggaan’, in: Rutger Kopland, Verzamelde gedichten, Amsterdam, 2006.

< Terug