< Terug

Preekschets Johannes 17:13

Johannes 17:13

Exaudi of Weeskinderen

Nu kom ik naar u toe

Schriftlezing: Johannes 17:1-13

Het eigene van de zondag

Deze zondag heeft twee namen: zondag weeskind en zondag exaudi. Dat zegt veel. De Heer, de opgewekte, is teruggekeerd in de Vader. Verheerlijkt. Verhoogd. Nieuwe Adam. Tot eenheid gebracht. Voor Hem geldt oorsprong en voltooiing al. Achterblijvers verlangen des te meer.

De gekende, die jou kende, vertrouwt de leerlingen. Hij heeft hen toegerust. Zullen ze het kunnen? Zullen ze in de Geest van de Vader waarin Jezus handelde verder kunnen gaan? Deze zondag vertolkt het onzekere van die noodzaak. Het besef te klein te zijn voor het grote dat verwacht wordt. Tegenstrijdige gevoelens spelen een rol. Heimweevol verlangen dat zich vult in het besef van leegte en verlorenheid. Verweesd, er allen voor staan, vol van besef dat niet te kunnen, met de onbedwingbare neiging om dan heel hard te gaan roepen: . verhoor… hoor… jij. mij… alsjeblieft!

Uitleg

Kenmerkend voor deze dag lijkt de leegte. Het niemandsland wanneer Jezus van deze wereld afscheid neemt. Vanaf hoofdstuk 14 tot hoofdstuk 17 is er het thema afscheid, dat de tussentijd, het in-tussen, in gedachten roept. Paulus spreekt van ‘nu en nog niet’.

De evangelist Johannes heeft in alles zo zijn eigen manier van vertellen. Zo ook vertelt hij op een eigen manier over het afscheid van Jezus. Geen hemelvaart. Maar een rede aan tafel besloten met een gebed. Een laatste maaltijd waarbij laatste dingen gezegd worden. In hoofdstuk 17 draait het om drie thema’s: De eenheid tussen Vader en Zoon. Vader en Zoon kennen betekent eeuwig leven. Dat is levenskwaliteit. De vereenzelviging/liefde tussen Christus en zijn leerlingen en de aanwezigheid en de komst van de Geest.

Jezus wordt getekend als een waarachtig bidder. Soms trekt hij zich daarvoor terug. Soms bidt Hij een nacht lang. Hij bidt alleen of openlijk, op verzoek van mensen, aan het graf van Lazarus, en nu, op deze afscheidsavond gaat Hij de leerlingen voor in gebed. Gewoon, aan tafel. Daar spreekt Hij tot de Vader. In dat spreken is er een vereenzelviging met de Vader en tegelijkertijd ook met de leerlingen die mee verenigd worden. Hij is bemiddelaar. De Vader krijgt de eer, de heerlijkheid, het gewicht dat Hem toekomt. Er ontstaat eenwording, door de kracht van het luid en overduidelijk uitgesproken gebed. Hij bidt, vlak voor Pesach, als Mensenzoon. Lijdende knecht en Hogepriester. Hij brengt de ontheemden voor God.

Biddend komt het uur waarin de hemel de aarde ontmoet. In Jezus’ handelen geeft de aarde, in de nieuwe Adam, gehoor aan de hemel. Daarin worden de ontheemden van de aarde omhooggeheven. Heel de Schrift door is te kennen dat Gods heil zich buigt naar de aarde en geschiedt in de verheffing van de geringen. Gods woord dat zich verenigt met ontluisterden. De woorden die gebruikt worden betekenen doelbewust opheffen. Eindelijk zal er bevrijding en recht zijn. In dit innige bidden worden de leerlingen betrokken. Geen leerling hoeft onaangeraakt te blijven. De school van het gebed brengt leerlingen tot navolging. Ze leren zijn blikrichting. Ze blijven niet zoals ze zijn. Leerlingen kiezen voor de vereniging met Jezus, de Vader, de Geest. Ten koste van de identificatie met de wereld.

Een emotioneel geladen cruciale maaltijd. Er hangt een sfeer van nu, nu moet het, nu het nog kan; anders gaat het niet meer worden. wanneer er op Hemelvaart gesproken is over afscheid, kan er nu ruimte zijn om stil te staan bij de vraag: En dan? wat dan? wat en hoe, daarna? De gemeente wordt daarom ook wel een verweeuwde genoemd, een verweesde. De jaren vergleden en de gemeente bezon zich op Jezus’ afscheid. Er wordt gepraat, er worden herinneringen opgehaald en alles wordt in een nieuw verband bijeengebracht. Eerdere woorden worden beter verstaan. Op een dieper liefdesniveau. De tafelrede van afscheid komt tot stand en vindt haar besluit in een gebed. Jezus’ grote gebed, te zien als het Onze Vader van Johannes. Hij leerde allen die God Vader noemen, zichzelf geroepen te weten tot de ander, die broer is en zus. Door God Vader te noemen, kent Jezus zichzelf als Zoon, de Eniggeborene die tot broer wordt voor zijn leerlingen.

Johannes onderstreept in zijn hele Evangelie dat er twee rijken zijn. Dat van het vlees en dat van de Geest. Dat van de kosmos en dat van de werkelijkheid van God.

Johannes houdt van woorden uit de rechtspraak. God en wereld zijn in een rechtsgeding verwikkeld. Dus: parakletos, pleitbezorger, voorspraak. Een voorbidder, een Godsadvocaat is hier. Dit gebed is een voorspraak, een pleitgebed.

Aanwijzingen voor de prediking

Over wat voor leegte spreekt deze dag? Waarvan leeg? Waarvan vol? Of gaat het om de vraag naar ‘wie’? Wie hoort wie in de tussentijd? Wat is dat tussen voor een midden? Hoe is het in ons nu, tussen Jezus’ afscheid en zijn terugkomst? En hoe, wanneer en in wie is Hij terug? Aanwezig?

Deze zondag verbeeldt het uithouden in geestelijke verbondenheid met God in een wereld die van Hem vervreemd is. Niet pas nu, maar in principe. Het maakt dat geloof en hoop zich vernieuwen en zich vestigen op Gods koninklijke vaderschap.

De hulpeloosheid van dat lege staat haaks op zelfverzekerd triomfalistisch geloven. Leegte geeft besef van tekort en daarin wordt verlangen gewekt naar vervulling. Lege handen worden opgeheven. De neiging om van alles te willen doen wordt actief wachtend bedwongen. Zo doet deze zondag denken aan het zalig noemen van degenen die niets hebben om zich op voor te laten staan. De gemeente is radicaal onthand en oefent in openheid voor een Geest die komen zal. Die niet op afroep beschikbaar is en nooit in haar bezit zal zijn.

Jezus geeft zich al biddend rekenschap van het feit dat Hij straks niet meer lijfelijk present is, waardoor de leerlingen in een soort tussentijd komen. Wanneer mensen gehoord hebben dat een geliefde niet lang meer te leven heeft, komen er ook zulke ‘laatste’ gesprekken. De gedachte komt omhoog: hoe helpt Jezus ons als Hij niet meer tastbaar hier is? Blijft een afwezige geliefde nabij? Hoe gaat dat? Het zijn vragen die rouwenden van binnenuit kennen: moeten we elkaar nog iets vertellen? Ligt er geen oud zeer? Heb ik jou wel gezegd dat ik van je houd? Heb je wel gemerkt, door al mijn gedoe heen, dat ik van je houd? Heb je wel gesnapt dat juist het aandurven van ruzie met jou een blijk was van mijn liefde? Heb ik je wel vergeving gevraagd? Zou je weer met me trouwen? En andersom: heb jij wel gehoord waar het mij om te doen was in het leven? Hebben we dat genoeg laten merken? Wij, samen?

Hier is als laatste woord een gebed. Als alles gezegd is, zitten mensen stil bijeen. Dan klinkt soms spontaan de vraag, de behoefte: zullen we bidden? Het hart wordt neergelegd voor de Eeuwige. Eén spreekt woorden voor samen. Johannes neemt ons mee naar dat intieme bidden. Jezus is de voorganger. De leerlingen horen dat er gebeden wordt voor hen. Dit gebed als een laatste woord. Wij zijn er getuige van dat Jezus bidt voor zijn leerlingen, voor zijn gemeente. Tot op vandaag is er die bemoediging in dit gebed als een nalatenschap. Een houvast voor de tussentijd. Zo is die tussentijd verre van leeg.

Verlatenheid kan een onderdeel zijn op deze zondag. Als nabestaande kun je zorgen hebben: zullen er weer mensen zijn die jou, zoals toen je geboren werd, zullen kleden, koesteren en beveiligen? Alleen geworden weet je je opeens weerloos, als nieuw, pasgeboren en naakt in de wereld geworpen. Hoe zal dat gaan? Om dat element kunnen wij mensen niet heen. Toch kan het daar niet bij blijven. Het mag Jezus’ bedoeling niet in de weg staan. We zouden Jezus’ werk tekortdoen. We zouden te veel met ons eigen ‘ik’ bezig zijn en aan heil voorbijgaan. De gemeente past vreugde. Jezus is terug in de Vader. In de erkenning daarvan schuilt Eeuwigheidsleven. Jezus’ gebed brengt de gemeente in de Ene en wijst richting Schrift.

Jezus werkt eraan mee dat de achterblijvers bemoedigd overeind zullen blijven. Er is leegte noch verlatenheid wanneer Jezus’ gebedsintenties verwerkelijkt worden in de gemeente. De gemeente leeft, midden in deze wereld, als zijn lichaam. Jezus weet van de moeite die het kost om geestelijk te leven tussen werelds denken. Altijd is dat een contrast. Altijd staat het menselijke ego haaks op de overgave aan Liefde die God is. Net als ouders met inzicht kinderen gereedschap willen geven om de boze wolven in het bos te kunnen weerstaan, geeft Jezus bagage mee. Gereedschap om te kunnen volharden in het ‘nog niet’. Bagage als erkenning en bagage als troost in de belofte van bewaring. In dit bidden ontstaat bemoediging.

Van den beginne geeft God bemoediging mee voor onderweg. Adam en Eva worden gekleed, Noach en de zijnen krijgen de regenboog en ons is het gebed en het woord van Christus gegeven voor de tussentijd. Troostende Geest van God. De gemeente mag gaan in dat spoor van troost en bemoediging. Kritisch in de wereld in dienst van Gods Geest. Dan is tussentijd nabije tijd.

Liturgische aanwijzingen

Psalm 27 in de Groeibijbel van Piet van Midden; Psalm 27:2 en 4; Gezang 126:2; Gezang 231:1 en 3; Gezang 244:1 en 2; Gezang 250:1, 2 en 3; Gezang 319:1, 4 en 5; Gezang 457:1, 2 en 3; Gezang 480:1 en 5.

Geraadpleegde literatuur

E. Marijnissen, Het Woord ter Tafel, zien en horen met Johannes, Hilversum, 1989; J. Nieuwenhuis, Johannes de Ziener, Het evangelie, de brieven, de openbaring, Kampen, 2010; P.J.P. van Midden en C. Otte, Groeibijbel, dl. 2. Matteüs, Hoevelaken, 2000.

< Terug