< Terug

Preekschets Johannes 8:11

Johannes 8:11

Judica

Ook Ik veroordeel u niet. Ga heen, zondig van nu af niet meer!

Schriftlezing: Johannes 7:53-8:11

Het eigene van de zondag

Zondag Judica (de vijfde in de ‘veertig dagen’), kent vanouds het accent op het oordeel. De psalmen 42 en 43 weten van een mens die zich opmaakt om voor God te verschijnen, al was het maar in de herinnering. Maar hoe vreugdevol het refrein ook is, dit lied kent ook de donkerte van een eerlijke zelfreflectie. Zo’n reflectie vindt plaats in de liturgie, waar een mens naakt voor God staat. Het verhaal uit Johannes is niet van de hand van deze evangelist, maar zo inhoudsvol dat het gelezen moet worden. Ook daar is het oordelen niet van de lucht. Bevrijdend klinkt het woord ‘Ook Ik veroordeel u niet.’ Daarom zo kort voor Pasen deze lezing op deze zondag.

Liturgische aanwijzingen

Lezing Oude Testament: Psalm 42 en 43. Liederen: LvdK Psalm 32; 143; 129; Gezang 176. Uit ZG I lied 25 ‘Wie zal voor God verschijnen?’ en 53 ‘Straf mij in uw gramschap niet’. Het verdient uiteraard aanbeveling de psalmen 42 en 43 op creatieve wijze te laten klinken, afwisselend sprekend en zingend of met een gezongen antifoon, dan wel met orgelverzen etc.

Geraadpleegde literatuur

Voor de commentaren, zie zondag 6 maart. Daarnaast: K. Barth, KD III/4, Zürich 1951, 263vv; O. Noordmans, VW8, Kampen 1980, 296-298; THWNTII en III; G. Achterberg, Verzamelde gedichten, Amsterdam 2000, 607.

Uitleg

Het verhaal van de ontmoeting tussen Jezus en de vrouw die betrapt werd op overspel behoort niet tot het evangelie naar Johannes. Daarom behandelt Bultmann deze perikoop niet. We komen het verhaal tegen in enige handschriften uit de derde eeuw. Dat het bij Johannes een plaats kreeg, komt wellicht doordat het een illustratie geeft van de uitspraak van Jezus in Johannes 8:15 ‘Ik oordeel niemand’. Schnackenburg vindt het aannemelijk dat het gedeelte in de lijn van de synoptische evangeliën geschreven is. De houding van Jezus komt overeen met het beeld dat de synoptici van Hem geven (vgl. Luc. 7:47).

Vers 53-2 Jezus verkeert dagelijks in de tempel om te leren (vgl. Luc. 19:47, 20: 1, 21:37). In de nacht verblijft Hij in de stilte van de Olijfberg. Het leren, didaskein, heeft de gestalte van het rabbijnse leren en moet van daaruit begrepen worden. Niettemin is in de evangeliën het leren onmiddellijk verbonden met de gestalte van Jezus zelf en de komst van het Rijk Gods (vgl. ThWNT II, 143 vv.) Het conflict dat volgt, wordt ook daarom op het scherp van de snede uitgevochten.

Vers 3-5 Het leren wordt onderbroken door een groep mannen, schriftgeleerden en Farizeeën, die een vrouw in het midden stellen, een op overspel betrapte vrouw. Het gaat hier om een getrouwde vrouw. Moicheia, overspel, wordt alleen voor getrouwde vrouwen gebruikt. De man komt in het verhaal niet ter sprake. De tekening is beeldend, met name dat ‘in het midden stellen’ heeft iets van een provocatie. Ook het ‘betrappen’, katalambano, is provocerend; als bij een overval hebben ze haar meegenomen. De vraag die klinkt is duidelijk, naar de wet is ons bevolen ‘zulken, toiautas’ te stenigen. De vraag of de wet ooit in Jezus’ tijd op deze manier werd gehandhaafd, is gezien de compositie niet relevant, maar het antwoord luidt negatief. Alleen de Romeinen hadden het ius gladii, de joden niet. Overigens schrijft zowel Leviticus 20:10 als Deuteronomium 22:22 voor, dat man en vrouw bij overspel zullen sterven. Daarom de vraag: ‘Gij, wat zegt gij?’

Vers 6-9 De vraag is natuurlijk een strikvraag. Als Jezus zich tegen de steniging uitspreekt tast Hij het gezag van de thora aan en dus van God zelf. Als Hij zich voor de steniging zou uitspreken, tast Hij het recht van de Romeinen aan en zijn eigen boodschap van vrijheid voor de mens. De strikvraag is een thema in de evangeliën (vgl. Mat. 22:15, Luc. 6:7, 20:20). Deze vraag geeft ook aan dat het de opponenten niet om de vrouw gaat en haar situatie, maar om een grond om Jezus aan te klagen. Daar gaat Jezus dan ook op in door zich te bukken en met zijn vinger op de grond te schrijven. Schnackenburg geeft een overzicht van de interpretaties van deze handeling:

  • De verwijzing naar Jeremia 17:13 waar het gericht van God alle zondaars aangaat.

  • Het Romeinse gebruik waarin een rechter eerst voor zichzelf het vonnis neerschrijft alvorens het uit te spreken.

  • Het schrijven zou op Exodus 23:1 en 7 betrekking hebben (1e schrijven in Joh. 8:6 correspondeert dan met Ex. 23:1 en het 2e schrijven in Joh. 8:7 met Ex. 23:7). De vooronderstelling is dan dat de boze echtgenoot de mannen aangezet zou hebben zijn vrouw mee te nemen.

  • Het schrijven zou een teken zijn van nadenken en bezinning. Jezus schort zijn oordeel op en wil niet ingrijpen.

Schnackenburg kiest voor de eerste interpretatie. Die laat zich ook verdedigen door de loop van het verhaal. De omstanders verstaan het gebaar niet, hun doorvragen is daar het teken van. De even beroemde als confronterende uitspraak over het werpen van de eerste steen is eenmalig, ook het woord anamartètos, zondeloos, is dat. De uitspraak roept een herinnering aan Deuteronomium 17:7 op: de getuigen werpen de eerste steen. Het tweede schrijven geeft de omstanders de ruimte tot de inkeer (vgl. ook Mat. 22:22). Opvallend is dat als eersten de oudsten opstappen. Is dat een teken van inzicht of is het een teken dat zij dit oordeel eigenlijk, letterlijk, ontlopen? Jezus en de vrouw blijven over in het midden, maar hoe anders is de situatie nu.

Vers 10, 11 Het korte afsluitende gesprek is van grote schoonheid. Twee vragen stelt Jezus. Hij vraagt niet naar een excuus. ‘Vrouw, waar zijn zij? Heeft niemand u veroordeeld?’ Katakrinein is hier een juridisch begrip (vgl. Mat. 12:41, 42; Mar. 14:64; zie THWNT III, 953v). De vragen geven de vrouw de ruimte te antwoorden. Dat antwoord is kort en getuigt van eerbied, oudeis, kurie. Jezus sluit zich aan bij de anderen: ‘Ook Ik veroordeel u niet’. Hij besluit met een heenzending en een opdracht. In die opdracht is het ‘van nu aan’ bepalend voor het ‘niet meer’. Zij krijgt vrijspraak om bevrijd te leven.

Aanwijzingen voor de prediking

Er zijn vele mogelijkheden om deze perikoop in een preek aan de orde te stellen. Men kan zich proberen in te leven in de verschillende personages; de vrouw, de schriftgeleerden, de omstanders. Dan geeft men een enscenering, het verhaal wordt tot een spel waarin met name de associaties, in het licht van de uitleg, hun creatieve kansen krijgen. Gezien het karakter van de zondag verdient het wellicht de voorkeur de tekst in zijn opeenvolging van scènes op de voet te volgen en daarbij het accent te leggen op de vraag op welke wijze hier bevrijding geschiedt.

Als het gaat om de vele relaties waarin mensen leven, is het begrip ‘overspel’ een diepe kras op de plaat. Er zijn redenen genoeg om te verklaren waarom het gebeurt. Maar gaat het daar om? Dit verhaal laat zien dat er vrijspraak is voorbij het gebod, zonder het gebod terzijde te schuiven. Jezus gaat nergens tegen de thora in, integendeel. De vraag is wel hoe het gebod gelezen en verstaan wordt en of de diepte ervan wel gepeild wordt wanneer mensen hun oordelen, gelegitimeerd door de bijbel, botvieren op anderen. Dat geldt niet alleen op het gebied van de seksualiteit waar een mens triomfen viert en nederlagen betreurt. Dat geldt in alles. Juist daarom is een verwijzing naar Jeremia 17:13 hier op zijn plaats. We lezen daar: ‘Allen die U verlaten zullen beschaamd worden; wie afwijken, zullen in de aarde geschreven worden, omdat zij de bron van levend water, de Here, verlieten . De prediking kan hier in barmhartigheid de scherpte van deze tekst van Jeremia laten gelden. De beroemde uitspraak van Jezus over ‘wie van u zonder zonde is .’ kan niet gebruikt worden als een excuus, integendeel. Het verhaal geeft heel duidelijk aan dat van mensen oprechtheid en omkeer gevraagd wordt en deze dingen ontstaan niet op bevel, maar worden geboren in een eerlijk moment van reflectie; de mannen dropen af. Het moment van reflectie in de preek bij deze episode biedt de prediker bij de voorbereiding de mogelijkheid zichzelf in de spiegel van het verhaal te zien en biedt de hoorders de kans om naar zichzelf te kijken en de balans op te maken.

De bevrijding in dit verhaal geldt niet alleen de vrouw, ook de mannen worden bevrijd van hun preoccupaties. Dat Jezus hier de vrouw niet oordeelt heeft een diepe zin. Barth wijst erop dat de vrouw alleen blijft met Hem die op haar plaats de veroordeelde is en haar daarom vrijspreekt. Daarin nam Hij het gebod en de overtreding ervan volstrekt ernstig. Een mens kan alleen verder vanuit de vrijheid die haar of hem gegeven wordt. In de Psalmen 42 en 43 is het verlangen naar bevrijding met handen te tasten. Ook weet deze psalm ervan hoezeer bevrijding een kostbaar goed is. Belagers en spotters genoeg. Kennelijk is er wel, vaak diep verborgen in ons leven, een herinnering die heilzaam is (Ps. 42:5). Maar die versterkt juist het verlangen naar ‘licht en waarheid’. De gang van de psalmist loopt uit op een ontmoeting met ‘de God mijner jubelende vreugde’. Onnavolgbaar schoon zei Achterberg het zo: ‘de woorden lieten los van hun figuur en brandden in de blos waarmee zij heenging, als een kind zo licht. Zo geestelijk schreef Jezus Zijn gedicht.’

< Terug