< Terug

Preekschets Jona 2:7

Jona 2:7

Vijfde zondag na Pinksteren

Maar u trekt mij levend uit de dood omhoog, o heer, mijn God!

Schriftlezing: Jona 2

Uitleg

Na Gods redding van de zeelieden krijgen we nu als tweede scène Gods redding van Jona. Het proza van dit gedeelte krijgt legendarische proporties en daarbij komt de poëzie van een psalm.

Het inleidende prozagedeelte (2:1-2) is kort. We moeten maar niet speculeren over de vraag welke vis hier bedoeld kan zijn. De verteller wil duidelijk maken dat God als Schepper heerst over de monsters en machten van de zee (Gen. 1:21; Ps. 89:10-11; Ps. 148:7 en vooral Ps. 104:26). De drie dagen en nachten die Jona in de buik van de vis doorbrengt, zijn een vaste uitdrukking voor een periode van vasten (1 Sam. 30:12; Est. 4:16).

Na deze proza-inleiding volgt een psalm (2:2-10; N.B. de versnummering verschilt in sommige vertalingen). Het kan gaan om overname van een bestaande psalm uit het genre ‘danklied van een individu’. Het citeren van de psalm is dan, op het moment dat Jona zich nog niet na gedane redding in een tempel bevindt, wel enigszins proleptisch. Thematiek en woordgebruik van de psalm sluiten nauw aan bij de omliggende prozatekst (bijv. het werkwoord ‘aanroepen’, qr’, in vs. 3; ‘geloften doen’, ndr, vs. 10, de werkwoorden van ‘afdalen’ en ‘opstijgen’). Daarmee lijkt deze psalm geschreven te zijn bij het Jonaverhaal, met een idioom dat wij uit het psalmenboek kennen.

De psalm bestaat uit vier strofen: vs. 3, vs. 4-5, vs. 6-7 en vs. 8-10. Het thema dat in de eerste strofe wordt ingezet bestaat uit drie elementen: doodsnood ervaren, God aanroepen en redding ontvangen. In de volgende strofen worden deze elementen met wisselende vormen en beelden herhaald.

Het is moeilijk om recht te doen aan het ingewikkelde spel van tijden en wijzen waarover de Hebreeuwse grammatica beschikt. Het heeft hier de voorkeur de bepalende werkwoorden van de strofen (perfectum) met een tegenwoordige tijd te vertalen. De eerste strofe (vs. 3) heeft dan een ferme, stellende inzet: ik roep tot de Heer en Hij hoort naar mijn stem. De baarmoeder waaruit het leven ontstaat (beten) wordt hier de lugubere buik van het dodenrijk (sheool).

In de tweede strofe (vs. 4-5) wordt het element van de doodsnood beeldend uitgewerkt. Hier is de stellende kernzin vers 5: ‘Wat mij aangaat, ik moet zeggen: ik word verstoten.’ Het partikel ‘ak uit vers 5c geeft een vertaalprobleem. Het kan gelezen worden als een afwijkende schrijfwijze van ‘ek, ‘hoe’: hoe zal ik (ooit) uw heilige tempel weer gaan aanschouwen? (zo o.a. Stuart). Het partikel ‘ak kan een versterkende betekenis hebben: zeker, ik zal uw heilige tempel weer gaan aanschouwen. Maar evenzogoed heeft het woord een beperkende betekenis: ach, dat ik tenminste nog uw heilige tempel weer zal aanschouwen. We interpreteren de vier strofen van deze psalm als vier rollende golven die steeds sterker worden. Dan past een vertaling die het wenskarakter of de onzekerheid uitdrukt.

In de derde strofe zinkt de dichter tot de bodem van de zee, waar het doodsrijk voor altijd de weg naar het leven afsluit. Na deze perfecta past het niet om de persoonsvorm watacal van vers 7c (een imperfectum consecutivum) als een narratief vervolg te vertalen. Het werkwoord moet een andere wijze uitdrukken dan de voorgaande werkwoorden: nu het zo is dat het water mij omvat en ik afdaal, zult U nu mijn leven optrekken., of nog voorzichtiger als wens: … zult U nu mijn leven optrekken? Of wellicht als een existentiële noodkreet: . trek dan mijn leven op! De vertaling van het werkwoord met een tegenwoordige of toekomende tijd of bevelende wijs heeft de voorkeur boven een verleden tijd.

Hetzelfde geldt voor de vierde strofe (vs. 8-10). Hier is het bepalende werkwoord zacharti in vers 8: ‘Ik herinner de Heer eraan: mijn gebed zal tot U komen in uw heilige tempel.’ Net als in vers 5 is het vertoeven in de tempel geen feit na verkregen redding, maar een wens of een vurig voornemen.

Het slot van de psalm, ‘Het is de Heer die redt’, is een geloofsovertuiging die uit hoop voortkomt, niet uit een verkregen status. Jona bidt tot God vanuit de diepste doodsnood. Hij loopt niet vooruit op een redding waar hij recht op zou hebben. Het enige waar hij aan vasthoudt is zijn gebed tot God, zonder enige claim te doen op wederzijdsheid (voor wat, hoort wat). Dat geloof gaat zo ver dat aan het slot van de psalm zelfs elke claim van redding voor zijn eigen leven is verdwenen. We lezen geen enkele uitdrukking in de zin van: voor mij komt er wel de redding van de Heer.

Wel de naam van de Heer voluit in de mond nemen en in zijn waarde erkennen, maar daar geen persoonlijke geloofsrechten op baseren, dat is de spirituele weg die Jona in een afgedwongen geloofsvasten van drie dagen en nachten begaat. De Franse filosoof Paul Ricoeur sprak ooit van een ‘foi sans-garantie’, een geloof zonder gegarandeerde, metafysische zekerheden (Ricoeur, 37-38). Voor hem was dat niet alleen de basis van zijn geloof, maar ook de enige manier om het geloof te verwoorden tot een niet-kerkelijke maatschappij en cultuur. Voor de profeet Jona, op weg naar het ongelovige Nineve, een hele weg om te begaan.

Aanwijzingen voor de prediking

Nood leert bidden, zegt het spreekwoord. Maar wat voor gebed kun je in nood dan wel leren? Voor een beantwoording van die vraag laten we ons leiden door de psalm van Jona 2.

Heel kort kan verteld worden hoe Jona in een situatie van doodsnood is beland. Zijn geworstel met God is het geworstel dat veel profeten kennen. Denk aan Elia (1 Kon. 19) of aan Jeremia (Jer. 15). De drie dagen en nachten zijn aanduiding van een periode van vasten en bezinning. Wellicht kunt u iets aandragen van eigen ervaringen van vasten en bezinning. Bij Jona leidt dat tot een gebed ‘uit diepten van ellende’ (Ps. 130). We volgen zijn gebed na en zien dat als vier golven die Jona verder stuwen door de vier strofen van het lied. Jona begint bij een vast besef dat God het smeekgebed verhoort. In de tweede strofe komt er een feitelijke doodsdreiging, waarbij de golven over Jona heen slaan. Hij klampt zich dan vast aan de hoop ooit weer de tempel te kunnen bezoeken. Is dat vaste hoop of vertwijfeling? Bij de werkelijk grote angsten en vragen van ons leven kan dat toch door elkaar lopen? In de derde strofe is er niet meer aan de dood te ontkomen; Jona zakt weg naar de bodem van de zee. Wat blijft is de hoop op een God die hem aan de dood zal onttrekken. En dan de slotstrofe, wanneer de laatste adem wordt uitgeblazen. Daar blijft Jona God eraan herinneren dat het gebed om een reddende God in de tempel thuishoort.

Jona bidt met aanhoudende drang, maar ook met een toenemende mate van onthechting. Hij claimt niets bij God, hij eist geen ‘voor wat, hoort wat’. Wat is ervoor nodig om te belijden: ‘Het is de Heer die redt’, zonder daar eisen voor jezelf aan te stellen of een invulling aan te geven? Een geloof dat geen voorwaarden stelt: dat legt Jona in het gebed op het moment van zijn sterven. Dat biedt ruimte voor de ontmoeting met een onvoorwaardelijke God van heil.

Jona wordt vervolgens gered. Dat valt buiten de rand van deze psalm. Want het geloof kan ook uitgespeld en uitgebeden worden bij een nabijheid van de dood zonder navolgende redding in dit leven. Het is overigens voor Jona nog een hele toer om deze reddende God een plaats te geven in zijn geloof en in zijn leven. Maar dat is een verhaal voor later.

Als nood leert bidden, wat leert dit gebed uit nood ons dan? De kracht van volharding. De durf om tot God te blijven bidden en daarbij alle beelden en woorden rondom God te laten vallen, tot op de kale Naam van Hem die redt. ‘Geen ander teken dan dat van de profeet Jona’ (Mat. 12:39) heeft Jezus willen uitdrukken. Hij leidde toe naar God, zonder daar voor zichzelf exclusieve claims van redding aan te verbinden. Een profeet en een Mensenzoon leren ons wat bidden is.

Liturgische aanwijzingen

De Willibrordvertaling (1995) komt nog het dichtste bij het werkwoordgebruik dat we in de Uitleg uiteenzetten. Rondom het ‘De profundis’ van Psalm 130 zijn prachtige composities gemaakt; Lvdk Gezang 19. De psalmen zijn rijk aan beelden over de zee, bijvoorbeeld Psalm 72, 74, 104, 148. Lvdk Gezang 345 verwijst naar Jona; Lvdk Gezang 40 drukt met vragen en gaandeweg een verzekering die opkomt ook een soortgelijke groei van een geloofsweg uit. Lvdk Gezang 484; Tr 35. Ondersteunende lezingen uit 1 Koningen 19, Jeremia 15, Matteüs 12:38-41.

In de voorbereiding op de preek kan bewust aan gesprekspartners gevraagd worden welk lied of welke tekst naar boven komt als ze denken aan een gevaar waaraan ze zijn ontkomen.

< Terug