< Terug

Preekschets Lucas 1:18 – Tweede Advent

2e advent

Lucas 1:18a
Zacharias vroeg aan de engel: ‘Hoe kan ik weten of dat waar is?

Schriftlezingen: Psalm 62: 1-9; Lucas 1: 13-25 (de reactie van Zacharias en Elisabet)

Het eigene van de zondag

Voor de Adventszondagen: zie bij eerste adventszondag. In de vorige preek ging het om de trouw van God aan zijn woord. Hier gaat het om de ontvangst die dat woord bij mensen vindt. Onmacht om te geloven, aanvechting en vertrouwen. De vragen van het persoonlijk geloofsleven komen hier aan de orde.

Uitleg

De verzen 18-25 vormen met het voorgaande één geheel. Na de verkondiging van het woord door de engel volgt nu de ontvangst ervan bij Zacharias en Elisabet. Bij de toeëigening van het woord gaat het menselijk toe. Er is ruimte voor tegenwerpingen, woord en wederwoord. Er is tijd waarin het woord wortel mag schieten. De mens krijgt niet het laatste woord. Hij mag wel een tussen woord spreken. De toeëigening geschiedt ‘op de wijze van de dialoog’ (H. Jonker, Theologische praxis, Nijkerk 1983, 241 e.v.).

  • Vers 18. Het Griekse kai hier adversatief: ‘maar’. Met de tegenwerping van Zacharias neemt de geschiedenis een wending. ‘Waaraan zal ik dit weten?’ Een vraag naar (proefondervindelijk) weten, naar een teken (tastbaar) dat Zacharias de zekerheid geeft dat God zijn belofte vervullen zal. Vergelijk de vraag van Abraham in dezelfde situatie (Genesis 15:8). Zacharias is een ‘oude man’ en Elisabet ‘op hoge leeftijd gekomen’, letterlijk ‘gevorderd in haar dagen’. Ze zijn op een stadium van de levensweg gekomen waarop men geen kinderen meer krijgt. De geboorte die de engel aankondigt gaat tegen het natuurlijk verloop der dingen in. Dat maakt het voor Zacharias onmogelijk te geloven. Een aartsvaderlijke situatie (vgl. Genesis 17:17 en 18:11).

  • Vers 19. Kai weer adversatief: ‘maar’. De engel maakt een tegenwerping. Het ‘ik’ van de engel heeft in het Grieks sterke nadruk. De engel stelt zijn gezag tegenover de tegenwerping van Zacharias. ‘Gabriël’: Kohlbrugge geeft de betekenis van de naam als volgt weer: ‘Mein Gott ist ein Mann, der was kann’ (Festpredigter, Wuppertal-Elberfeld 2.j., p. 54).’Die voor Gods aangezicht sta’, als een dienaar voor de koning. In dit alles bevestigt de engel het goddelijk gezag van het woord dat hij gesproken heeft. Hij is hoogst persoonlijk tot Zacharias gezonden om hem deze goede tijding te verkondigen. De engel gaat niet in discussie over mogelijkheid of onmogelijkheid. Hij bevestigt slechts het goddelijk gezag van het woord. Het evangelie wordt herhaald, een zaak van goddelijk geduld.

  • Vers 20. ‘Zie’, de inleiding tot het teken dat Zacharias krijgt. Het teken is een afgebakende periode van gedwongen zwijgen. Een tastbaar teken, zoals Zacharias gevraagd had. Een periode waarin tegenwerpingen tot zwijgen komen om plaats te maken voor het woord van God dat wanneer de tijd daar is in vervulling zal gaan. Het teken is meteen ook een afstraffing van Zacharias’ ongeloof. Boven dit alles staat Gods trouw. Zijn woorden hebben en krijgen ‘hun tijd’.

  • Vers 21-23. Kort verslag van de verdere gang der gebeurtenissen, volgens de taak die Lucas zich gesteld heeft de dingen ordelijk te vertellen (vgl. de inleiding op het evangelie, 1:1-4). Opvallend is dat men uit het feit dat Zacharias niet kan spreken afleidt dat hij een gezicht heeft gezien. Men vergelijke daarbij Ezechiël 3:26,27 en Daniël 10:7 e.v. Men hield kennelijk met de blijvende mogelijkheid van een directe godsopenbaring rekening; vergelijk 2 Makkabeeën 3:24 e.v. en de parallellen uit de rabbijnse literatuur die Strack en Billerbeck geven bij Lucas 1:11a. De verwachting van voortgang in Gods heilshandelen is nooit geheel uitgedoofd.

  • Vers 24-25. De vervulling van de aankondiging van de engel, de reactie van Elisabet. ‘Zij verborg zich vijf maanden’. Er is nogal wat gespeculeerd over de reden daarvan. De Statenvertalers tekenen erbij aan: ‘Namelijk totdat het volkomen kon blijken dat zij bevrucht was’. Calvijn kent deze opvatting ook maar wijst haar af. Van ongeloof of schaamte kan volgens hem bij Elisabet geen sprake zijn zoals uit haar woorden in vers 25 blijkt. Hij oppert twee andere mogelijkheden: 1. Zij wil het wonder niet voordat het zichtbaar is aan de praatjes van de mensen blootstellen. 2. Het plotseling zichtbaar worden van de zwangerschap zou de mensen meer tot lofzang aanzetten. Het bezwaar tegen dergelijke overwegingen is dat ze geen steun vinden in de tekst. De vijf maanden van Elisabets verberging vinden hun vervolg in vers 26: ‘In de zesde maand’, gerekend vanaf het begin van Elisabets zwangerschap. Dan vindt de aankondiging van de geboorte van Jezus plaats. De verberging van Elisabet kan men zien als een gelovig wachten dat aan de Messias de voorrang geeft. Pas als het kind in de ontmoeting met de zwangere Maria opspringt in haar buik, treedt Elisabet uit de verborgenheid tevoorschijn: ‘Waaraan heb ik dit te danken, dat de moeder mijns Heren tot mij komt?’ (1:43). De woorden van Elisabet in vers 25 sluiten aan bij soortgelijke situaties in het Oude Testament; vergelijk Genesis 30:23 van Lea en de lofzang van Hanna in 1 Samuël 2:1-10. De onvruchtbare lijdt verachting van de kant van de mensen maar wordt door God aangezien. In dat besef mag zij met opgeheven hoofd leven te midden van de mensen. Roem in God gaat hier gepaard met een gelovig gevoel van eigenwaarde ten opzichte van de mensen, het besef er te mogen zijn.

Aanwijzingen voor de prediking

De tegenwerping van Zacharias komt voort uit het feit dat hij met zijn denken gevangen blijft binnen de wetten van de natuur. Het geloof rekent met het wonder: ‘Ik geloof in God de Vader, de Almachtige Schepper van de hemel en de aarde’. Het geloof rekent met de onbegrensde mogelijkheden van een God die mogelijkheden schept. De hele gang van het Apostolicum kan men zien als een omkering van de natuurlijke gang der dingen: geboren, gestorven en begraven, op de derde dag weer opgestaan – ik geloof de opstanding van het vlees en een eeuwig leven. Niet de dood maar het leven heeft in het evangelie het laatste woord. Niettemin vecht de natuurlijke gang der dingen het geloof hevig aan. Men kan hier ook denken aan de harde wetten van de menselijke natuur. Zo min als de engel aan de tegenwerping van Zacharias toegeeft, evenmin mag de prediking zich laten dwingen binnen de grenzen van de wetten der natuur. Meer dan een eeuw geleden merkte Gunning al cynisch op: ‘Waarlijk, de ijverige voorstanders der natuurwetten, zo bevreesd dat daarop ooit enige inbreuk plaats vinden, kunnen zich gerust stellen: er is op aarde kommer genoeg, en daar vloeien tranen en bloed genoeg om hen te overtuigen dat die wetten nog voortdurend in kracht zijn’ (geciteerd door A. van de Beek, Wonderen en wonderverhalen, Nijkerk 1991, p. 185). Er zijn tijden van zwijgen waarin men met zijn vragen en tegenwerpingen op zichzelf teruggeworpen wordt. Maar het woord is machtiger dan onze tegenwerpingen. Gods woorden zullen in vervulling gaan ‘op hun tijd’. Het geloof kent verschillende gestalten. Naast het gevecht dat Zacharias met zichzelf heeft te leven staat het stille vertrouwen van Elisabet. In de gemeente van Christus is voor beiden plaats.

Liturgische aanwijzingen

Psalm 42, 43, 62, 131; Gezang 127

< Terug