< Terug

Preekschets Lucas 12:37

Lucas 12:37

Reminiscere

Gelukkig de knechten die de heer bij zijn komst wakend aantreft. Ik verzeker jullie: hij zal zijn gordel omdoen, hen aan tafel nodigen en hen bedienen.

Schriftlezing: Lucas 12:35-48

Het eigene van de zondag

De naam voor de tweede zondag van de veertigdagentijd, Reminiscere, is ontleend aan Psalm 25:6: ‘Gedenk uw ontferming’. De tekst van deze zondag illustreert dat de barmhartigheid van God niet samenvalt met de gemeente. In het antwoord op Petrus’ vraag (Luc. 12:41) of de gelijkenis tot de leerlingen of ‘tot allen’ is gericht, geeft Jezus geen direct antwoord. Hij stelt alleen maar de vraag of zij de knechten zijn waarover Hij zojuist sprak. Gods barmhartigheid strekt zich wijder uit dan de leerlingen denken. Vanwege die onvanzelfsprekendheid wordt de vraag van de gemeente dringender: Gedenk uw barmhartigheid!

Uitleg

Is de tekst onderdeel van een verzameling van kleine gelijkenissen over de komst van Christus, wellicht vergelijkbaar met de parabels in Matteüs 24 en 25 over de portier en de wachtende staf van het huis (36-38), over de dief (39) en over de rentmeester (42)? Vooral de parallel met de wachtende meisjes in Matteüs 25 is opvallend. Hoewel de meisjes slapen – in tegenstelling tot de knecht die waakt – is de overeenkomst toch te vinden in het gegeven dat de waakzaamheid van de wijze meisjes bestaat uit het feit dat zij voorbereidingen voor de komst van de bruidegom hebben getroffen. Een andere synoptische parallel zou Matteüs 24:44-51 kunnen zijn. Hoe dan ook, de gemeente en haar leiders (Petrus, vs. 41) bevinden zich in een periode van ‘waken en dienen’. De combinatie van beelden van de gordel (opgeschorte lendenen, hsv) en de brandende lamp (35) drukt beide aspecten uit. Op de achtergrond klinkt het verhaal van de uittocht (Ex. 12), waar gewaakt wordt in de nacht. Waken dat wachten is, tot het moment dat God aangeeft. Maar bij de opgeschorte lendenen hoort ook de pose van de slaaf die dient in het huis van de heer. En daar lijkt het vervolg zich op toe te spitsen.

Twee zaligsprekingen zijn verbonden met het dienen van de huisknechten. De rentmeester uit vers 43 wordt zalig gesproken wanneer hij zijn gewone werk doet, op de juiste tijd het voedsel aan het personeel geeft. De staf van het hele huis heet zalig (37) als zij de heer van het huis verwachten. Niet slechts de portier waakt, maar de hele staf van het huis is waakzaam, als een beeld voor de hele christelijke gemeente die de verwachting van de komst van Christus niet uitbesteedt aan een enkeling, maar deze als haar eigen roeping verstaat. De symboliek van de exodus en van de bruiloft komen samen in de heer die, hoewel hij op zich laat wachten, personeel heeft dat in opperste paraatheid is. Zij houden zich bezig met hun plicht. ‘In der Erwartung des messianischen Festes haben sie noch unter ethischen Bedingungen das irdische Leben zu bestehen’ (Bovon).

De omkering vindt plaats als de heer komt: in plaats van gediend te worden door zijn personeel, neemt hij zelf de houding van de dienstknecht aan. Geen aardse heer zou zoiets ooit hebben gedaan. Maar, zo wijst Jeremias op de voetwassing in Johannes 13: Jezus deed het wel. Daarmee verbindt Lucas de tradities van Johannes 13 en Marcus 10:43-45. Jezus identificeert zich met de heer die als leider slaaf wil zijn om gediend te worden in plaats van om te dienen. Dit wordt in Lucas verbonden aan een zaligspreking. Daarmee wordt ook een andere lijn doorgetrokken. De lijn vanuit Exodus, de pesachmaaltijd bij de uittocht en de maaltijd die Jezus met zijn leerlingen heeft in de nacht voor zijn verraad: de maaltijd die in het licht van het toekomstige heil staat. In de parousie zal er het messiaanse banket zijn, zoals in de dagen voor Jezus’ lijden de pesachmaaltijd gehouden is.

Niet langer is dan het perspectief ethisch, maar wordt het geestelijk (Bovon): ‘Wees bereid’. Twee wegen worden zichtbaar: tegenover de zaligspreking (37, 38) is er het gevaar van de inbreker (39). Daarmee worden in dit gedeelte verschillende beelden rond waakzaamheid met elkaar verbonden: de heer die van de bruiloft terugkeert en de maaltijd opdient voor de staf van zijn huis enerzijds, en de dief die een gat slaat in de lemen wand van het huis (‘inbreken, doorgraven’) anderzijds. Beide beelden hebben iets van het onberekenbare, maar het vervolg is radicaal anders.

Aanwijzingen voor de prediking

In hoeverre verstaat de gemeente zich vandaag als een wachtende gemeenschap? Als het eigene van deze zondag is dat we roepen tot God dat Hij zijn ontferming gedenkt, dan krijgt het wachten op de komst van de Heer al vanuit het liturgisch jaar een inkleuring. Want ontferming valt je toe, genadig en zonder dat je er bij voorbaat recht op hebt, zeker als de ontferming onderwerp van gebed tot God is. De wachtende gemeente is een biddende gemeente; een lijn die op meerdere plaatsen in de Schrift getrokken wordt. Waakt en bidt. Het gebed om ontferming, het liturgische decor, krijgt vanuit het bijbelgedeelte een bijzondere inkleuring. Gods ontferming is uiteindelijk dat de Heer komt, knielt, dient en een maaltijd klaarzet. Gods ontferming is dat Hij ons nodigt tot de gemeenschap met Hem. Tegelijkertijd ‘spiritualiseert’ hierdoor het wachten van de gemeente niet. Dat risico is natuurlijk groot. Maar wie bidt om de ontferming van de Heer kan niet anders dan zelf ook vanuit de ontferming leven en barmhartigheid tonen. Het is een soortgelijke verbinding die er in het gebed des Heren is als het gaat om vergeving: Gods vergeving ontvangen heeft slechts betekenis voor hen die leren vergeving te schenken. De knechten over wie de Heer zich ontfermt, zijn dezelfde knechten die ontferming schenken: de rentmeester die het overige huispersoneel op de juiste tijd hun voedsel geeft (42) in plaats van hen te slaan en zelf dronken te zijn (45).

Dat wachten maakt een pas op de plaats voor allerlei georganiseer. Het brengt de gemeente en haar leiding terug bij de kern: wachten op de ontferming van de Heer en in de tussentijd de huishouding van het koninkrijk van God op het oog hebben. Geestelijk leven en diaconaat, spiritualiteit en ethiek. Genade die uitziet naar de Heer en omziet naar de broeder. Daarin wordt de gemeente zalig gesproken; zij heeft een gelukkige toekomst als ze blijft bij de kern van het evangelie. Juist in de tijd van Pasen brengen we onszelf terug tot de kern. Grote woorden en daden passen dan niet. Is het niet vanwege de marginale positie die de kerk inmiddels in de samenleving inneemt, dan wel vanwege de Heer die zich niet openbaart in het grootse en meeslepende.

Zo wordt de gelijkenis niet alleen een beeld van de gemeente, maar in de tijd voor Pasen horen we Jezus ook iets onthullen over het geheim dat Hij zelf is. Als in de parousie de Heer komt om te dienen aan de tafel maakt de paasmaaltijd in de lijdenstijd iets zichtbaar van het toekomstig heil waarvan de gemeente leeft en waarin zij haar hoogste geluk vindt. En totdat de Heer komt, weet zij zich geroepen hetzelfde te doen als de Heer zal doen als Hij komt: als een goede huisbewaarder zorgen voor voedsel voor de andere dienaren. Daarmee komt de hoge roeping van de gemeente in beeld om in deze wereld te zijn als de Heer die zij verwacht. En om te voorkomen dat zij verder springt dan haar polsstok lang is, horen we die roeping in de tijd voor Pasen vanuit het gebed om Gods ontferming.

Liturgische aanwijzingen

Oudtestamentische lezing Exodus 12, epistellezing uit 1 Tessalonicenzen 5:1-11.

Gezang 186: ‘Zing, mijn tong’: een lied van de oude kerk; waken door het verhaal te vertellen van kribbe naar kruis.

Gezang 172: ‘een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd’ (waken en dienen).

Psalm 85; Psalm 37.

Geraadpleegde literatuur

Joachim Jeremias (Die Gleichnisse Jesu, 1970); François Bovon (ekk). Zie verder 17 februari.

< Terug