< Terug

Preekschets Lucas 14:23

7e zondag na Trinitatis

Lucas 14:23

(…) want mijn huis moet vol zijn.

Schriftlezing: Lucas 14:12-24

Het eigene van de zondag

Vanouds is de lezing op de 7e zondag na Trinitatis uit Johannes 6, over brood dat uit de hemel komt en levend brood blijkt. Nu, in deze zomertijd, lezen wij over een maaltijd die klaarstaat, maar de genodigden laten het afweten. Dat roept spanning op: wat zal de gastheer doen? Enorme spanning, eschatologische spanning. Want alles gaat ook hier op het scherp van de snede.

Uitleg

In Lucas 9:51 wordt een afsluiting gemaakt en een begin. Jezus trekt op naar Jeruzalem, het bericht aangaande zijn reis naar de hoofdstad, het zogeheten lukanische Reisebericht heeft een duidelijk literair en daarmee een theologisch doel, de continuïteit van het gaan van Galilea naar Jeruzalem. Goppelt wijst erop dat Jezus opvallend vaak als trekkende mens en als gast aan tafel wordt getekend, wat zeer wel past bij dit specifieke aspect van Lucas’ theologie.

De beroemde gelijkenis wordt ingeleid door een paar episoden aan het begin van hoofdstuk 14, waar de thema’s al klinken. Jezus wordt uitgenodigd bij een overste van de farizeeën om brood te eten, beeld voor een eenvoudige maaltijd. Daar houdt men Hem in de gaten; paratêreô heeft de betekenis van nauwlettend acht slaan op. Daarmee wordt de spanning vergroot. Verder tot vers 7 is daar de genezing van de waterzuchtige op deze sabbat en de discussie daarover. De vraag is: wat is sabbat nu wel en niet?

In de verzen 7-11 horen wij dat Jezus let op de orde aan de tafel. Let op het epechô; dat heeft de connotatie van iets uiterst nauwkeurig bezien, alleen hier op deze manier in het Nieuwe Testament. De ereplaatsen zijn de prôtoklisia, de eerste plaatsen. Jezus ziet het optreden en doet een spreuk in de vorm van een gelijkenis, die afgesloten wordt met de – toegevoegde – wijsheidsuitspraak over het vernederen en verhogen. Deze uitspraak noemt Schmithals een ‘Wanderlogion uit de Spruchquelle Q’, die verwijst naar de omwenteling van de gangbare waarden en daarmee naar de wending der eeuwen. Dit geheel fraai aangeduid als het Motiv der Rollentausch. En dat is het thema van het vervolg.

De arts Lucas geeft in de woorden van Jezus in de verzen 12-14 een opsomming van mensen die genodigd dienen te worden: niet alleen de rijken – plousios is een uiterst kritisch begrip –, maar de armen, misvormden, lammen en blinden. Het do ut des tussen mensen, overeenkomend met de houding aan de tafel aangaande de plaatsen wordt hier doorbroken en geplaatst in het licht van de opstanding der rechtvaardigen en ingeleid door een makarios, een zaligspreking.

Vers 15 is een interessant vers; zomaar is daar een tafelgenoot, die dit hoort en zegt: ‘zalig al wie het brood mag eten in het koninkrijk van God!’ (NB). Hiermee bereikt Lucas dat het thema makarios en het brood eten wordt opgenomen in het licht van het basileia tou theou, en dat is een centraal begrip in zijn verhaal. Maar dit vers biedt zodoende ook de overgang naar de gelijkenis.

Deze gelijkenis komt ook bij Matteüs en in het Thomas Evangelie voor; alle drie kennen ze de weigering van de genodigden om te komen. Verder hebben ze een eigen dictie en intentie. Wie richt het feestmaal aan? Anthrôpos tis, zomaar een mens, onbekend, naamloos. Het blijkt een grote maaltijd te zijn: deipnon is het woord voor de hoofdmaaltijd. Het uitzenden van de dienaar op het uur van de maaltijd is een signaal; niet alleen doulos, slaaf, maar ook hôra, uur is een woord met connotaties aan het lijdensverhaal. Ook de woorden over het gereed zijn van de maaltijd zijn gelaagd, niet alleen door de veel latere liturgie van de kerk, maar ook de directheid van de spreekwijze geeft aan dat het ertoe doet wat hier gezegd wordt.

Over de weigeringen. Drie keer klinkt het werkwoord ‘verontschuldigen’, paraiteomai gaat verder en heeft de notie in zich van een diepgaand verzoek, bijna een gebed. Dat werkwoord klinkt niet bij de derde gast: het pas gesloten huwelijk geldt als wettige grond om uitnodigingen en de oproep tot de oorlog te weigeren. Wanneer de slaaf terugkomt en verslag doet, ontsteekt de kurios in woede (orgistheis). De anthrôpos tis blijkt hier een kurios te zijn. In woede ontsteken, let op het participium aoristus hier. Orgizomai heeft connotaties met de woede van God. Maar er klinkt een kleine, subtiele terughoudendheid in de tekst, nu wordt het woord oikodespotês gebruikt, de despoot van het huis. En die gaat dan ook optreden. In vers 22 heet hij weer kurios. De lijst met beschadigden klinkt weer, en als er dan nog plaats is, komt het werkwoord ‘dwingen’ om in te gaan aan de orde. Anagkazô is een zeer sterk woord, het woord anagkê klinkt mee, dwang. Van belang is te bedenken dat het vooral gaat om het gesprek, het overreden met argumenten.

De term die over het vol moeten worden van het huis gebruikt wordt, is interessant. Het gaat om een aoristus coniunctivus passief. En het werkwoord gemizô heeft de bijbetekenis van het aanvullen. Dat het coniunctieve passivum gebruikt wordt, geeft aan dat het een gebeuren is dat aan mensen gebeurt, de aoristusvorm dat het een eigen noodzaak heeft. (Voor het slot zie de eerste alinea van de volgende rubriek.)

Aanwijzingen voor de prediking

Het is wellicht zinnig om in te zetten met wat een uitnodiging doet met mensen. Niet alleen met de genodigden maar ook met degene die uitnodigt. Er is wat ellende rondom het al dan niet aanvaarden van een uitnodiging, niet alleen in het klein maar ook in de politieke, vaak ook zo kleine wereld.

Dat een maaltijd de connotatie heeft van een feest is een bijbels gegeven, zie Jesaja. Dat tijdens een maaltijd ook bizarre handelwijzen kunnen optreden weten we niet alleen uit de wereld van de film, maar lezen we ook hier. Dus het vlijmscherp observeren van Jezus is wellicht een opening naar enige introspectie als het gaat om ‘ ik geef opdat jij geeft’; ons bestaan is er van doordrongen.

Essentieel zijn de noties van het omkeren van de doorsneepatronen en het oordeel over die patronen. Dat betekent dan ook dat de hoorder van de preek van de predikant mag verwachten dat die hierover klare wijn schenkt.

Dan, als aansluiting hierop: in de uitleg kwam het eschatologische karakter van deze teksten naar boven, de verwijzingen naar het laatste oordeel zijn evident. Maar, en dat geldt voor alle gelijkenissen, de schrijvers van de evangeliën kennen geen abstracte eschatologie, ze plaatsen de woorden heel direct in het midden van de levens van de hoorders/lezers. Voor ons is dat wellicht moeilijk invoelbaar, er wordt wat afgepraat over het rijk Gods en dat we ons daardoor moeten laten bepalen. Maar wat haalt het uit wanneer mensen de relatie met Hem over wie het gaat in de teksten nauwelijks nog ervaren. Daarover valt wat te zeggen.

Ik raad af om in de preek een excurs te geven over de relatie Joden-christenen in de eerste eeuw. Bijvoorbeeld over de vraag of de schrijver van dit evangelie de Joden bedoelt wanneer hij het heeft over de weigering te komen naar het feest. Ik geloof dat helemaal niet, maar de vraagstelling is veel te groot voor een preek. Hermeneutisch van belang is het slot van de gelijkenis. De waarschuwing tegen de genodigden aan het eind wordt opgevangen door het vervolg in het hoofdstuk over de roep in de navolging. Ook de gasten die wel in de zaal zitten ontvangen een oproep, men zit er niet vrijblijvend. Dat plaatst deze gelijkenis dan ook in het geheel van het evangelie: de Mensenzoon is op weg naar zijn kruis, zijn opneming, 9:51.

Liturgische aanwijzingen

Lezing Oude Testament: Jesaja 25:1-9. Liederen: NLB 111:1, 2 en 5, 113:1, 760:1, 4, 5 en 6, na de lezing uit Jesaja. NLB 990:1-6, na de lezing uit Lucas 14. Dan NLB 910:1 en 4.

Geraadpleegd

Walter Schmithals, Das Evangelium nach Lukas, Zürich 1980

Joachim Jeremias, Die Gleichnisse Jesu, München/Hamburg 1965

Leonhard Goppelt, Theologie des Neuen Testaments, Göttingen 1978, S. 611

Daarnaast de gebruikelijke lexica

< Terug