< Terug

Preekschets Lucas 1:46-49 – Vierde Advent

4e advent

Lucas 1:46-49

Mijn ziel prijst en looft de Heer,
mijn hart juicht om God, mijn redder:
hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.
Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,
ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan,
heilig is zijn naam.

Schriftlezing: Lucas 1:39-55

Het eigene van de zondag

De vierde adventszondag heet Rorate, naar het eerste woord (Latijn) van de introïtusantifoon van deze zondag, Jesaja 45:8: ‘Druppelt, hemelen, van boven en laten de wolken gerechtigheid doen neerstromen; de aarde opene zich, opdat het heil ontluike’ (NBG ’51). Zoals de knoppen van bomen en planten op springen staan in het voorjaar, zo is de verwachting van de komst van de Heer die gerechtigheid zal brengen hooggespannen. Zijn tweede komst is onlosmakelijk verbonden met zijn eerste komst.

Serie

Dit is de tweede preekschets over Lukas 1 – zie ook de schets voor 3e advent.

Uitleg

Vs. 39-45. De ontmoeting tussen Maria en Elisabet is ontroerend en vol zeggingskracht. Beiden kunnen aanleiding geven tot roddelpraatjes. Zo’n oude vrouw, en dan nog… Zo’n jong meisje, ongetrouwd, en dan al….

Het nog niet geboren kind van Elisabet profeteert nu al als een spring-in-het-veld dat het nog niet geboren kind van Maria vreugde zal brengen (‘opspringen’, zie Maleachi 3,20 (Septuagint): ‘als de messiaanse tijd aanbreekt zal het volk huppelen als kalveren die op stal hebben gestaan’). Op dat moment zingt Maria haar lied, het Magnificat zoals het genoemd wordt naar het eerste woord van de Latijnse versie.

Er zijn opmerkelijke parallellen met de lofzang van Hanna, 1 Samuël 2,1-10.

Evenals in de lofzang van Zacharias komen we hier de werkwoordsvormen in de aoristus tegen. Wat in het verleden zó is gebeurd, zal zich ook weer zó herhalen. Zo werkt God. Er zit iets in van een profetisch visioen waarin trekken van vroegere gebeurtenissen te herkennen zijn. Gods daden strekken zich uit van het verleden naar het heden met perspectief op de toekomst. Het is één doorgaande lijn.

Vs. 46-47. Het lied van Maria is persoonlijker van toon dan het lied van Zacharias (vs. 68-79): ‘mijn’ ziel, ‘mijn’ hart, ‘mijn’ redder. ‘Mijn’ ziel et cetera is een omschrijving van ‘ik’. In beide gevallen wordt de Heer, de God van Israël, geprezen, ‘groot gemaakt’ (NBG ’51).

Vs. 48-49. Het oog van de Heer viel op Maria. Er zit iets in van een keuze van hogerhand waarin ontferming bewezen wordt aan iemand die zich bevindt in de laagste regionen. Ze voelt zich als de minste dienares van de Heer naar wie Hij ‘heeft omgezien’ (vertaling NBG ’51). Om dit ‘omzien naar, oog hebben voor’ zullen alle geslachten haar voortaan gelukkig prijzen.

We komen hier een karakteristieke trek in Gods handelen tegen. Het is weliswaar geen automatisme, maar de gangen van God die de Schriften ons tekenen, geven wel hoop dat het zo gaat. Gods oog valt op hen die onderliggen of die veronachtzaamd worden. Te denken valt aan Hanna, David, weduwen, wezen en armen in het Oude Testament.

De grote dingen die de Heer gedaan heeft, gelden juist deze onderliggers. Maria mag de Magnalia Dei persoonlijk ervaren. In deze Magnalia Dei komt het unieke karakter van God aan het licht. Hij is de ‘Gans Andere’, met niets en niemand te vergelijken: heilig is zijn naam.

Vs. 50. De barmhartigheid van God kent geen einde. Zie ook Klaagliederen 3:22. Gods oog viel op haar, onverdiend, en toch gekregen. En wie Hem vereert (‘vreest’, NBG ’51) gaat dat meer en meer ontdekken. In de eerbiedige en vertrouwelijke omgang met God worden zijn grote daden gezien en erkend. Dat geldt niet alleen voor Maria, maar voor ieder die Hem vereert.

Vs. 51-53. In een breed scala aan tegenstellingen wordt getekend wat de barmhartigheid inhoudt. Ze is niet zoetsappig, maar blijkt alles te maken te hebben met gerechtigheid. Niet barmhartigheid tegenover gerechtigheid, maar barmhartigheid waarin gerechtigheid juist tot uiting komt. Dan blijkt dat de wereldse maatstaf een fiasco is. Wie zich verheven wanen, drijft Hij uiteen/hoogmoedigen stuurt Hij in de war; heersers worden van hun troon gestoten; rijken worden met lege handen weggestuurd. De heersers, rijken et cetera komen niet onder te liggen vanwege hun macht of rijkdom, maar omdat ze er verkeerd mee omgaan. Hoogmoed komt voor de val.

En wie onderliggen worden omhoog gehaald. Geringen, hongerigen, ze ontvangen wat hun naar Gods barmhartigheid toekomt. Eersten worden laatsten, laatsten worden eersten. Wie onderligt wordt verhoogd. Dat is de teneur van de Magnalia Dei in heel de Schrift, waaruit genade blijkt.

Vs. 54-55. Israël wordt hier ‘dienaar’ van de Heer genoemd. Deze term komen we ook tegen in Jesaja 41:8, waar tevens de naam Abraham klinkt. God verlost zijn volk na alle vernederingen en moeiten die het heeft ondervonden van de vroegste tijden af. Dienaar van de Heer zijn brengt moeiten met zich mee.

De Heer ‘herinnert zich’ (NBG ’51: ‘gedenken’), dat is een woord waaruit actie blijkt. Gedenken is voor iets of iemand die in gedachten komt, in beweging komen. Omdat de naam Abraham klinkt, valt hier ook te denken aan de trouw van God aan zijn verbond met Israël, voor eeuwig.

Aanwijzingen voor de prediking

De ferme taal uit de mond van een jong meisje is opmerkelijk. Het is een persoonlijk gekleurd lied, maar de inhoud ervan overstijgt het persoonlijke. Ook dat is opmerkelijk. Het Magnificat is het lied van de kerk. Staat het geloof van Maria – ‘laat er met mij gebeuren wat U hebt gezegd’ – niet model voor het geloof van de kerk, als het goed is?

Zingend in de kerk mogen we boven onszelf uitstijgen en blijven we niet haken in persoonlijke gevoelens die al of niet positief kunnen zijn. Zingend mogen we onszelf optrekken aan de Magnalia Dei. Dat is een gemeenschappelijk gebeuren, waar ieder persoonlijk bij betrokken mag zijn.

Het is goed om daarbij ook te wijzen op de traditie. Wij beginnen niet met zingen van de grote daden van God. In het lied van Israël en de kerk wordt door de eeuwen heen de lof Gods gezongen. Zingend staan we in de grote ruimte van de kerk der eeuwen, waarbij we Israël niet vergeten.

In dit lied wordt niet hoog opgegeven van de kerk, maar wel van God die oog gehad heeft voor Maria, en in haar voor Israël en in Israël voor de volken. Hier kunnen de Magnalia Dei worden genoemd die geconcentreerd zijn in de komst van het kind van Maria, de Redder van de wereld.

In Hem worden al Gods beloften samengebald en werkelijkheid. Dat blijkt een revolutionaire werking te hebben. Er vindt in de wereld eindelijk gerechtigheid plaats. Met evenveel recht kun je zeggen: er vindt in de wereld eindelijk barmhartigheid plaats.

We zullen hier vooral moeten spreken over de Redder die gerechtigheid en barmhartigheid brengt in zijn kruis en opstanding. Dat heeft een innerlijke en persoonlijke dimensie. Een innige vrede door verzoening en vergeving. Het heeft ook een dimensie die heel de wereldsamenleving raakt en onze wereld op zijn kop zet. Eindelijk gerechtigheid en barmhartigheid!

Bedacht moet worden dat dit lied niet werd gezongen in een rooskleurige situatie. De situatie van Maria is die van een armetierig meisje in een wereld vol tumult. Maar ze zingt alsof de grote ommekeer in de wereld al heeft plaatsgevonden of op dat moment plaatsvindt. Dit lied wil ons leren om Gods beloften te geloven, dwars tegen de feiten van de wereld, je eigen levensomstandigheden en gevoelens in.

Het kind dat Maria ter wereld zal brengen laat een ander kind springen van vreugde en laat zijn moeder zingen dat het een lieve lust is. Het heeft alles te maken met Gods barmhartigheid. Sterker nog, die barmhartigheid is geconcentreerd in dat kind. Het kind van Maria zal later een man aan een kruis zijn. Hij sterft aan onze zonden om leven, vrede en vreugde aan het licht te brengen voor een verloren wereld.

Er is de ellende in allerlei variaties in de wereld en in mensenlevens. Maar de bevrijding is ophanden. Want daar is die Redder, Jezus genaamd. In verbondenheid aan Hem is er hoop tegen alle hopeloosheid in.

Ideeën voor kinderen en tieners

Verteld kan worden dat de komst van Jezus blijdschap en vreugde teweegbrengt. Johannes springt al van vreugde vóór zijn geboorte. Maria zingt al van Hem voor zijn geboorte. En wij mogen ermee instemmen. Het gesprekje kan afgesloten worden met een vrolijk lied.

Met tieners kan gepraat worden over de contrasten tussen arm en rijk, hoog en laag, machthebbers en verdrukten en wat de betekenis van Jezus daarin is.

Liturgische aanwijzingen

Als oudtestamentische lezing zou 1 Samuël 2:1-10 (de lofzang van Hanna) kunnen fungeren.
Liederen: NLB 19:1 en 2 (klassieke introïtuspsalm voor deze zondag).
Te denken valt ook aan NLB 72, 146, 149, 152, 157, 438.

Geraadpleegd

  • J.T. Nielsen, De prediking van het Nieuwe Testament. Het evangelie naar Lucas I, Nijkerk 1979.

  • Heinz Schürmann, Herders Theologischer Kommentar zum Neuen Testament. Das Lukasevangelium, erster Teil, Freiburg 1969.

  • W.R. van der Zee, Vandaag gebeurt het. De verhalen van Lucas 1 tot 4, ’s-Gravenhage 1985.

< Terug