< Terug

Preekschets Lucas 5:13

Lucas 5:13

Tweede zondag na Epifanie

Jezus stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein!’

Schriftlezing: Lucas 5:12-16

Het eigene van de zondag

In de periode van Epifanie gaat het om de vraag: wie is Jezus? En vanuit wiens macht doet Hij de dingen die Hij doet en zegt Hij de dingen die Hij zegt? Vorige week ging het over een genezing van een bezetene, vandaag gaat het over een genezing van iemand met huidvraat. Zo wordt zijn ziekte omschreven in de Nieuwe Bijbelvertaling. In oudere bijbelvertalingen staat ‘melaatsheid’. Dat is voor veel lezers een bekender woord en roept meer gevoel en associaties op. Maar hoe je het Griekse woord lepras ook vertaalt, ook deze genezing maakt indirect duidelijk wie Jezus is.

Uitleg

Dit korte verhaal vinden we in alle drie synoptische evangeliën, in Matteüs 8:1-4, Marcus 1:40-45 en in Lucas 5:12-16. Het zijn drie verschillende versies van dezelfde gebeurtenis. Het is opvallend als je de drie versies met elkaar vergelijkt, hoe – ook in dit korte verhaal – iedere evangelist zijn eigen accenten legt en er zelfs zijn eigen verhaal van maakt. In deze preekschets worden ook enkele vergelijkingen gemaakt tussen Lucas en Marcus.

Opvallend is dat niet wordt verteld waar dit verhaal zich afspeelt, in welke stad of streek, of bij wie in huis. Ook de naam van de man die genezen wordt, wordt niet verteld. Evenmin ook wordt er iets verteld over omstanders zoals bijvoorbeeld de leerlingen van Jezus, andere mensen, of godsdienstige leiders zoals de Farizeeën. Dat deze genezing eigenlijk ‘nergens’ plaatsvindt, dat de man die wordt genezen anoniem blijft en dat er geen getuigen zijn van deze genezing symboliseert een van de ergste gevolgen van deze ziekte. Als je melaats bent, dan ben je helemaal alleen en eenzaam!

Melaatsheid is een verzamelnaam van allerlei huidziekten zoals onder andere lepra, een ziekte die mensen afschuwelijk kon verminken. Melaatsheid kan erg besmettelijk zijn en daarom zijn mensen erg bang voor deze ziekte. In de wet van Mozes (Num. 13 en 14) staat uitgebreid beschreven hoe iemand zich moest gedragen als hij of zij melaats was. De melaatse moest in gescheurde kleren lopen en roepen: ‘Onrein, onrein!’ Ze mochten niet in de synagogen komen of in de tempel, en ook de stad of het dorp waarin ze woonden, moesten ze verlaten. Je moest alleen wonen, of samen met andere melaatsen. Je hoorde nergens meer bij, je werd buitengesloten, je was bijna gelijk aan een dode.

Een melaatse man komt bij Jezus, valt languit op de grond en zegt: ‘Heer, als u wilt, kunt u mij rein maken.’ De man zegt niet: ‘Als u kunt…’ Maar hij zegt: ‘Als u wilt.’ Dat Jezus hem kan genezen, daar twijfelt hij niet aan, hoewel melaatsheid in veel gevallen een ongeneeslijke ziekte was. Zijn geloof en vertrouwen in de genezende kracht van Jezus zijn groot. Maar waarom zegt hij dan: ‘Als u wilt. ’? Omdat melaatsheid in die tijd werd gezien als een straf van God. Als je zo’n erge ziekte kreeg, dan moest je wel iets ergs hebben gedaan in je leven. Maar deze man gaat toch naar Jezus en vraagt heel bescheiden, languit liggend op de grond, of Jezus hem wil genezen.

Jezus steekt zijn hand uit en raakt hem aan. Of Hij zijn hand op de schouder van de man legt of hem bij de hand pakt, wordt niet verteld. Het gaat erom dat Jezus hem aanraakt. De aanraking werkt genezend, de melaatsheid is meteen weg! Opvallend is weer dat Jezus, zoals bij meer genezingen, de man verbiedt om het verder te vertellen aan andere mensen. Wel moet hij, geheel in overeenstemming met de wet van Mozes, zich officieel rein laten verklaren door de priester, zoals het geschreven staat in Leviticus 14.

Jezus raakte de melaatse man aan. Volgens de wet van Mozes mocht je geen melaatse aanraken, want dan werd je zelf ook onrein. Door de aanraking werd de man genezen, maar welke gevolgen had deze aanraking voor Jezus? Helemaal niets? In de beschrijving van Lucas lijkt het er wel op. Het verhaal eindigt bij deze evangelist met de mededeling dat Jezus (vrijwillig) zich terugtrok op eenzame plaatsen om te bidden.

In de beschrijving van Marcus eindigt het verhaal anders. Daar gaat de man overal vertellen wat er is gebeurd, met als gevolg dat Jezus niet meer openlijk in de stad kan verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de stad zich moet ophouden. Dit komt minder vrijwillig over, maar meer als een gedwongen actie van Jezus. Om het nog sterker uit te drukken: Jezus bevond zich op eenzame plaatsen, de plaats waar melaatsen moesten wonen. Jezus is als een melaatse. Door de aanraking zijn de rollen omgedraaid. De man is genezen, maar Jezus is als een melaatse! Marcus laat Jezus zien als de lijdende Knecht van de Heer uit Jesaja 53. In Jesaja 53:4 staat: ‘Hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam.’

Aanwijzingen voor de prediking

Soms kunnen we ons in een situatie bevinden waarin woorden tekortschieten. Je komt bij iemand op bezoek die heel erg verdrietig. Het verdriet is zo groot dat je als bezoeker niet goed weet wat je wel of niet moet of kunt zeggen. Want hoe graag je ook zou willen, je kunt het verdriet niet wegnemen, zelfs niet verzachten. Wat moet je zeggen? In dit soort situaties zijn woorden vaak niet het belangrijkste, maar het feit dat je er bent! Je hoeft in sommige situaties ook niet zo veel te zeggen. Zwijgend naast of bij iemand zitten, even je hand op iemands arm of schouder leggen, iemands hand vasthouden, een arm om iemand heen slaan kan al veelzeggend zijn. Naast de taal met woorden is er ook de taal van de aanraking. Deze taal kan in sommige situaties meer zeggen dan woorden.

In de Bijbel lezen we vaak dat Jezus, naast alle woorden die Hij heeft gesproken, ook de taal van de handen sprak. Jezus raakt mensen aan, pakt hen bij de handen en omhelst hen. Zelfs mensen die ziek en melaats zijn, raakt Hij aan. Genezingen van Jezus vinden niet alleen plaats door middel van woorden, maar ook door aanrakingen. Mits ze op een zuivere en oprechte manier worden gehanteerd, kunnen aanrakingen genezend, troostend en zuiverend werken, ook vandaag.

Ondanks dat het volgens de wet van Mozes verboden was om in de buurt van andere mensen te komen, gaat de melaatse man toch naar Jezus toe. Bijzonder in veel bijbelverhalen is dat, in tegenstelling met gezonde mensen, juist de zieke mensen en mensen die in nood zijn, een antenne hebben om aan te voelen wie Jezus is. Soms hoor je mensen zeggen: ‘Toen ik in de problemen zat, of: toen ik ziek was, toen was het alsof God dicht bij me was, toen heb ik zijn nabijheid ervaren. Maar nu ik niet meer ziek ben en het weer beter met me gaat, lijkt het erop dat God weer verder weg is.’ Zo zitten wij, mensen, soms in elkaar. Als alles goed gaat in ons leven, hebben we het vaak te druk om Gods aanwezigheid te zoeken en te ervaren. Soms moeten we eerst iets bijzonders meemaken, tegenslag hebben in ons leven, of iets blijs meemaken zoals de geboorte van een kind, willen we meer open staan voor Jezus, voor God… Maar gelukkig is Gods nabijheid of zijn troostende en helende handen op onze schouders niet afhankelijk van onze stemming, ons geloof of onze levensomstandigheden, maar alleen van zijn liefde voor ons.

Liturgische aanwijzingen

Bijpassende liederen zijn: Gezang 162:1 en 5; 170:1 en 2; 408:1, 2, 3 en 4; 487 (Lvdk).

Geraadpleegde literatuur

C.J. den Heyer, Markus 1(tt), Kampen, 1985; H. Mulder, Lukas 1(tt), Kampen, 1985; H. Schurmann, Das Lukasevangelium 1,1-9,50(htknt), Freiburg 1984; J.T. Nielsen, Het evangelie naar Lucas I(pnt), Nijkerk 1979.

< Terug