< Terug

Preekschets Lucas 7:28b

Lucas 7:28b

Zestiende zondag na Pinksteren

Maar in het Koninkrijk van God is de kleinste nog groter dan hij.

Schriftlezing: Lucas 7:24-30

Het eigene van de zondag

Naast de opmerkingen gemaakt bij de vorige zondag, is het ook het begin van de Vredesweek. Een week waarin we ons ook binnen de kerk de vraag mogen stellen hoe ware kracht zichtbaar wordt.

Uitleg

Na het vertrek van de boden van Johannes spreekt Jezus tot de menigte over Johannes en daarmee indirect over zichzelf. Opnieuw speelt op de achtergrond 3:1-20 mee, met expliciet daarbij de vraag wat eigenlijk het doel van de menigte was geweest om naar de woestijn te gaan: op grond van welke verwachting zijn jullie in de woestijn gaan kijken en hebben jullie je laten dopen?

Opvallend is dat Lucas in vers 24 spreekt over de aggeoi (engelen) van Johannes. Aggelos betekent weliswaar bode, maar in de meeste gevallen gaat het dan om een bode van God, een engel dus. Wil Lucas dat suggereren? Temeer omdat hij hen ook als mathètai, discipelen, had kunnen aanduiden (vgl. vs. 18) of andres, mannen (vs. 20).

Evenzeer opmerkelijk is de nadruk die valt op zien (één keer theastai, twee keer idein). Tot drie keer toe gebruikt Jezus het woord ‘zien’ en vermijdt Hij het woord ‘horen’, wanneer Hij spreekt over de motivatie van de schare om naar Johannes te gaan. Is dit denigrerend bedoeld; je gaat kijken naar iets wat je het aanhoren niet waard vindt? Gezien de waarderende woorden die volgen is dat niet aannemelijk.

Drie keer stelt Jezus de vraag wat de menigte in de woestijn is gaan zien. De eerste twee vragen zijn retorisch en onthullen wat Johannes niet was, de derde vraag maakt duidelijk wat hij wel was: een profeet, of beter gezegd meer dan een profeet. Het wuivende riet moet niet allegorisch worden verstaan; Johannes was geen zwak en wankel figuur, iemand die met alle winden meewaait. Bedoeld wordt, dat een gewoon natuurverschijnsel als wuivend oeverriet toch niet zoveel aandacht verdient. Dat geldt ook de kleding van Johannes, onvergelijkbaar met de pracht en praal van tetrarch Herodes; zeker geen gang naar de woestijn waard. Aan Johannes was niets te zien. Hij liet alleen maar horen, dat binnenkort iets te zien zou zijn. In die zin was hij een profeet (vgl. Luc. 3:1-9).

Nu zegt Jezus alleen, dat hij ‘zelfs meer was dan een profeet’. Waarom dat laatste? Twee citaten uit Tenach zorgen voor verheldering: Maleachi 3:1 en Exodus 23:20. Beide teksten hebben echter een verschillende achtergrond. Zo leest Maleachi 3:1 in LXX: ‘idou, ego exapostello ton angelon mou kai epiblepsetai hodon pro prosopou mou ’ (‘let op, ik zend mijn bode en hij zal de weg voor mij effenen’). Hier wordt de weg dus voor God geëffend. Terwijl Exodus 23:20 in LXX zegt: ‘idou, ego apostello ton angelon mou pro prosopou sou hina phylaxe se en te hodo’ (‘let op, ik zend mijn bode voor je uit, om je te beschermen op je weg’). Hier wordt de weg dus voor het volk bereid. Het evangelie citeert min of meer Maleachi, maar vervangt, Exodus volgend, de eerste persoon door de tweede, met als gevolg dat de omstanders sterker betrokken raken: ‘Johannes is de bode van God die voor jullie de weg zal bereiden.’

Zo wordt Johannes een zichtbaar teken van de eindtijd, een engel die voor de Messias uitgaat; het eindproduct van Tenach. Hij is het die een ongekend profetisch getuigenis doet uitgaan, door als nazireeër, afkomstig uit een gerenommeerd priestergeslacht, als een engel (een bode), te worden ingeschakeld op de drempel van een nieuwe tijd. Daarom zal de geringste gelovige, die zich laat opnemen in het Koninkrijk van God, groter zijn dan hij.

De verzen 29 en 30 zijn problematisch. Sommige exegeten leggen Jezus deze woorden in de mond, zodat zijn toespraak doorloopt. Erg logisch klinkt dat niet. Eerder lijkt sprake van een verhelderende aantekening van een redacteur, hoewel de tekst door geen enkel handschrift wordt aangevochten. Ikzelf kan niet anders concluderen dan dat Lucas zelf hier een evaluatieve opmerking maakt over de ontvangst van Jezus’ woorden. Een reactie die afhankelijk was van het feit of men zich al dan niet door Johannes had laten dopen: ‘Alle mensen die dit hoorden (de woorden van Jezus) brachten hulde aan God en zijn gerechtigheid, omdat zij zich (destijds) door Johannes hadden laten dopen.’

Zo wordt zichtbaar dat al met Johannes, de wegbereider van de Messias, zich een zekere scheiding in Israël begon te voltrekken; wel of geen verlangen koesteren, wel of geen zien in de woestijn, wel of geen doop door Johannes, wel of geen verwachting dat zonden vergeven kunnen worden, wel of niet openstaan voor een nieuwe tijd, wel of niet loskomen van de groep of partij waartoe je behoort. Wat we zien is, dat in het al dan niet kiezen voor Johannes, een zekere positie ten opzichte van Jezus al zichtbaar wordt. Dit wordt versterkt door het met name noemen van de tollenaars (vs. 29, vgl. 3:12), Farizeeën en wetgeleerden (vs. 30). Zij staan model voor het aannemen dan wel afwijzen van het plan van God, hetgeen Lucas verder zal uitwerken in de twee volgende gedeeltes.

Aanwijzingen voor de prediking

De oudtestamenticus Claus Westermann schreef ooit in zijn boekje Gods engelen hebben geen vleugels nodig: ‘Als mij gevraagd zou worden of ik wel eens een engel heb gezien, zou ik daar geen bevredigend antwoord op weten te geven. Als de vraag echter luidde of ik ooit wel een bode van God ben tegengekomen, zou ik met een ondubbelzinnig ja hebben geantwoord. De bijbel spreekt niet uitsluitend over engelen, of liever gezegd: boden Gods, omdat wij behalve in God, ook nog in engelen moeten geloven. De bijbel spreekt van hen opdat God dichter tot ons kan naderen. De verhalen in de bijbel die over een engel vertellen willen slechts de ervaring doorgeven van mensen die op een speciaal moment, tijdens grote spanning of groot gevaar, zo dicht door God benaderd zijn dat ze in het spreken van een mens het woord van een bode Gods hoorden, en dat ze een helpende hand ervoeren als eendoor God gezonden steun.’ Ook wij weten dat mensen engelen kunnen zijn. Maar er zijn engelen en engelen; Joseph Mengele was geen Florence Nightingale.

Ook in Lucas 7:24-30 komen engelen voor; die van Johannes, bodes die namens hem kwamen vragen of Jezus de komende was. Dat waren heel gewone mensen, wellicht met dezelfde twijfels als hun meester; toch zijn zij van mannen engelen geworden. Alleen engelen komen en engelen gaan. Dat laatste wordt in het evangelie met nadruk gesteld; een knipoog naar het citaat uit Exodus 23:20 (vs. 27). Zo herkent Jezus in Johannes de beloofde engel, waardoor diens leerlingen, die zijn vraag herhalen, ook worden tot engelen Gods.

Op deze manier laat Jezus zien, dat Johannes groter was dan wie ook uit een vrouw geboren en meer dan een profeet. Maar waarom was zijn status groter dan die van enig ander mens? Niet omdat hij een engelachtig wezen was, wel omdat hetgeen hij voorbereidde zijn intrede in deze wereld had gedaan. God naderde ons in Jezus zo dicht, zijn helpende hand kwam zo dichtbij, dat de conventionele manier om zwakte (wuivend riet) en rijkdom (weelderige kleding) te meten doorbroken is. God ziet om naar de kleinen in deze wereld; de blinden, lammen, melaatsen, doven, doden en armen (vgl. Luc. 7:22) en hun geeft Hij aanzien (vgl. Luc. 1:52).

Door over Johannes te spreken als de grootste mens ooit uit een vrouw geboren, die kleiner is dan de kleinste in het Koninkrijk van God, doet Jezus een oproep aan de volgers van Johannes en zijn omstanders. Ruil de gebruikelijke verwachtingen ten aanzien van Gods komen in voor de manier waarop God zich in Jezus heeft laten kennen. De nadruk die de woorden ‘engelen’ en ‘zien’ in dit schriftgedeelte krijgen maken duidelijk, dat wij zelf engelen kunnen zijn en zien. Een mooie oproep om zelf bode te worden in een wereld die wel wat vrede kan gebruiken. Hulpmiddel daarbij is niet een blindelings vertrouwen in eigen kracht of die van de groep waartoe wij behoren, maar de Geest (Zach. 4:6).

Liturgische aanwijzingen

Als profetenlezing kan Zacharia 4:1-14 worden overwogen. Bij liederen kan gedacht worden aan datgene wat bij zondag 9 september staat, maar ook aan Psalm 91:5; Gezang 476:1.

Geraadpleegde literatuur

Claus Westermann, Gods engelen hebben geen vleugels nodig, Baarn 1998, 7.

< Terug