< Terug

Preekschets Lucas 9:31

Lucas 9:31

Reminiscere

Ze spraken over het levenseinde dat hij in Jeruzalem zou moeten volbrengen.

Schriftlezing: Lucas 9:28-36

Het eigene van de zondag

De naam Reminiscere heeft deze zondag te danken aan de ingangspsalm: ‘Denk aan uw barmhartigheid, Heer, aan uw liefde door de eeuwen heen. God, verlos Israël, verlos het van al zijn angsten’ (Ps. 25:6,22). De Schriftlezing uit Lucas stelt opnieuw het lijden van Christus aan de orde. Dit biedt een kans het lijden nog eens te bespreken maar nu vanuit een andere invalshoek.

Uitleg

De lezing begint met een tijdsaanduiding. Ongeveer acht dagen nadat Jezus dit gezegd had, zo lezen wij, ging Hij met Petrus, Johannes en Jakobus de berg op om te bidden. Het gaat om de acht dagen die verstreken nadat Jezus over zijn lijden had gesproken. De tijdsaanduiding verbindt de twee perikopen aan elkaar. Maar die niet alleen. Ook het gebed verbindt. Zie Lucas 9:18. Ook daar is Jezus in gebed. In beide perikopen is bovendien een selecte groep bij Jezus. Eerst zijn het de twaalf, nu zijn er nog maar drie leerlingen aanwezig. Lucas 9:28-36 en Lucas 9:18-27 horen bij elkaar. Dit wordt duidelijk gemaakt in vorm en inhoud.

In de NBG-51 worden de verzen 28-42 samengebracht onder het kopje ‘de verheerlijking’. In de nieuwe vertaling gebeurt dit niet. Hier worden de verzen 18-50 bijeengehouden door het kopje ‘onderricht aan de leerlingen’. Een betere keuze. De NBG-51 legt wel erg veel nadruk op de verheerlijking, terwijl in de perikoop die voor ons ligt daarover slechts kort gesproken wordt; veel korter dan in de parallelle verhalen in de evangeliën van Matteiis en Marcus. Wij lezen: ‘Terwijl Jezus aan het bidden is, verandert de aanblik van zijn gezicht en wordt zijn kleding stralend wit.’ Meer aandacht is er niet voor de verandering die aan Jezus geschiedde. Zijn verheerlijking geschiedt bovendien in het verborgene. De leerlingen zijn hiervan geen getuige. Mozes en Elia worden getuigen. Zij verschijnen als Jezus verheerlijkt wordt. Opeens zijn zij er. Zij spreken met Jezus en wel over het naderende levenseinde van Jezus dat Hij in Jeruzalem moet volbrengen. Dat is opvallend, omdat Matteiis en Marcus daarvan geen verslag doen. De lijdensaankondiging, die in Lucas 19:18-27 door Jezus zelf wordt gedaan, wordt hier door getuigen uit het Oude Testament herhaald. Let op dat Petrus en de twee anderen geen getuigen zijn van deze lijdensaankondiging. Zij zijn in slaap gevallen en maken de verheerlijking en het woord van de profeten niet mee. Kunnen zij de verheerlijking niet meemaken omdat de heerlijkheid te groot is?

Petrus heeft het hoogste woord gehad toen hij zei dat Jezus de Messias is. Maar wanneer hij ervan getuige kan zijn dat zijn Heer verheerlijkt wordt, valt hij samen met de anderen in slaap. Het is niet de enige keer dat de leerlingen zullen slapen. Ook tijdens de gebeurtenissen op de Olijfberg vallen zij in slaap. Op de cruciale momenten in het leven van Jezus zijn de leerlingen niet in staat om met hun Heer samen te waken (Luc. 22:45 en 46).

Eenmaal wakker zien de leerlingen toch nog de luister van Jezus en de twee mannen. De eerdere vermelding van Jezus’ stralende gezicht en van zijn witte kleed wordt nu pas echt belangrijk. De leerlingen van Jezus krijgen een blik in de toekomst. Uit joodse literatuur weten wij dat aan het einde van de tijden het aangezicht van de rechtvaardigen zal stralen. Bovendien weten we dat ook witte klederen zullen behoren tot de dracht van de toekomst.

Maar als Petrus zijn ogen open doet en begint te spreken staan Mozes en Elia al op het punt om te vertrekken. Petrus wil dat verhinderen. Hij stelt voor drie tenten te bouwen. Op dat moment maakt hij duidelijk dat hij de identiteit van de beide andere mannen kent. Hij noemt hen Mozes en Elia. Hoe hij tot deze kennis komt, wordt nergens duidelijk. Naast Elia wordt Mozes nooit genoemd in relatie tot de Messias. Van overlevering kan Petrus zijn kennis niet hebben. De evangeliën staan alleen als zij Mozes en Elia noemen in relatie tot Jezus. Maar ondanks zijn kennis weet Petrus toch niet waar hij over praat. Hij wil de luister van deze drie op aarde vasthouden. Maar dat kan niet.

Op het moment dat Petrus spreekt, komt er een wolk aandrijven. Uit de wolk klinkt een stem: ‘Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar hem.’ Het is de stem die ook bij de doop geklonken heeft. Het ‘luister naar hem’ wordt toegevoegd vanwege de leerlingen. Bovendien is de uitdrukking ‘uitverkorene’ nieuw. Bij de doop is er nog geen sprake van ‘uitverkorene’. Sterker: ook elders komt deze benaming niet voor. Waarom hier voor deze woorden gekozen wordt, blijft onzeker. Op andere plaatsen wordt wel gesproken over ‘enige’. Misschien dat het volgende verhaal waarin het gaat om een enig kind te veel als een contrastverhaal werd opgevat om hier het woord ‘enig’ ook te gebruiken. Gezien het feit dat niet alle handschriften ‘uitverkorene’ kennen, mag opgemerkt worden dat de lezing ‘uitverkorene’ al vroeg als vreemd is ervaren.

Tijdens het spreken van de stem verdwijnen Elia en Mozes. Opmerkelijk is de laatste zin over het zwijgen van de leerlingen. In andere evangeliën wordt aan de verheerlijking het verbod op spreken gebonden. Hier houden de leerlingen spontaan hun mond.

Aanwijzingen voor de prediking

  • Jezus heeft gesproken over zijn lijden. Acht dagen later wordt de aankondiging van zijn lijden herhaald, maar nu door twee getuigen uit het Oude Testament. Het zijn Mozes en Elia die bij zijn verheerlijking spreken over het lijden dat Hij in Jeruzalem zal moeten volbrengen.

  • De gedachte van de Messias die moet lijden, is niet nieuw. Ook in het Oude Testament is het lijden van de Messias een bekend gegeven. (NB. Het is goed om enkele voorbeelden te geven. Lucas geeft zelf duidelijk aan dat het lijden volgens de schriften gebeurt.)

  • Maar dat is niet de enige reden waarom Mozes en Elia hier optreden. Wie nog moeite heeft om het lijden van Jezus te begrijpen wordt door hun aanwezigheid gerustgesteld. Zij zijn niet de minsten uit het Oude Testament. Als zij spreken over het lijden van de Christus, dan spreken zij met gezag. De eerste christenen zullen hier zekerheid aan hebben ontleend. Ze lopen niet zo maar een vreemde beweging achterna. Zij staan in een traditie. Het is daarom goed de lijn vanuit het Oude Testament door te trekken, ook al ter wille van luisteraars van vandaag die denken wel genoeg te hebben aan het Nieuwe Testament. Mozes en Elia kunnen in de prediking de continuïteit van Oude en Nieuwe Testament personifiëren.

  • De grootste problemen zijn toch de problemen die het lijden meebrengt. Niet alleen wij hebben moeite met het lijden van de Heer. De mensen direct om Hem heen hebben er ook moeite mee. Het zou zo veel mooier zijn geweest als Hij niet had hoeven lijden. In dit opzicht is de reactie van Petrus ook zo begrijpelijk, namelijk dat hij drie tenten wil bouwen om de luister van zijn Heer vast te houden. De Messias verdient de luister. Maar krijgt die niet. Het leven gaat door. De luister die Petrus en de anderen op de berg te zien krijgen, is slechts een voorproefje van de dingen die zeker komen zullen. Maar eerst zal Jezus nog moeten lijden. Iedere poging om dat te verhinderen, deugt niet.

  • Lijden, steeds weer dat woord ‘lijden’. Ik weet zeker dat het lijden prikkelt. Maar het lijden moet ook prikkelen. Want ook al moet het Jezus overkomen, het lijden mag niet vanzelfsprekend wezen. Het lijden is ook niet vanzelfsprekend in die zin dat ‘moeten’ op een automatisme duidt. In het evangelie wordt niet voor niets de moeite benadrukt die de leerlingen met dat lijden hebben. Wij mogen ons best met de moeite van die mannen identificeren. Petrus is een prachtig voorbeeld. Hij stommelt door de verhalen van het evangelie heen. De behoefte om vooraan te staan en de angst te moeten lijden spelen door elkaar heen.

  • Met dit evangelie geconfronteerd is het goed om in het eigen hart te kijken. Welke emoties spelen bij ons? Wat willen wij? Mee vooraan met Jezus staan? Of kruipen we toch maar liever weg? Waarschijnlijk kennen wij beide gevoelens. Het komt erop aan de uitnodiging van Jezus tot de navolging te herkennen en een plaats te geven. Immers: nog maar kort tevoren heeft Jezus over zijn lijden gesproken en de zijnen opgeroepen tot zelfverloochening, kruis dragen en volgen. De Christus zal niet alleen lijden. De navolging vraagt om meelijden.

  • Voor ons die daar moeite mee hebben, klinkt de stem van God uit de wolk: ‘Dit is mijn Zoon, de uitverkorene, luister naar hem.’ Als wij terugschrikken voor de consequenties van zijn lijden, dan mogen wij ons zijn stem te binnen te roepen. Dit is de werkelijkheid die Hij ons toont: het is zijn eigen Zoon die ons voorgaat en die tot ons spreekt. Het lijden is zwaar en meelijden vraagt veel; maar mee te lijden zal voor ons niet te zwaar worden. Zijn stem wijst ons de goede weg en leidt ons naar een zeker einde. Zijn stralende gelaat en zijn witte klederen, ook al worden ze maar even gezien door de leerlingen, zijn ons een zeker teken dat Jezus ons door de dood naar het leven leidt. Het slot van de preek mag in het teken van Gods toekomst staan.

Liturgische aanwijzingen

Op deze tweede zondag in de lijdenstijd herinneren wij God aan de belofte van zijn barmhartigheid door te beginnen met Psalm 25. Vanwege de nadruk op het lijden is het goed om ook te benadrukken dat het lijden niet op zich staat, maar dat er steeds weer sprake is van een doorgang. In deze kan Gezang 172 een belangrijke rol vervullen. Ook Gezang 176 is buitengewoon geschikt om te zingen.

< Terug