< Terug

Preekschets Lukas 17:10 – 3e zondag van de herfst

Wanneer jullie alles gedaan hebben wat jullie is opgedragen, zeg dan: “We zijn maar knechten, we hebben enkel onze plicht gedaan.”

Schriftlezing: Lucas 17:1-10

Het eigene van de zondag

Alle evangelielezingen van het gemeenschappelijk Leesrooster tussen 26 juni en 30 oktober 2016 zijn afkomstig uit het reisbericht van Lucas 9:51-19:28. Dit bevat onderwijs van Jezus aan zijn volgelingen en de soms ter plekke verzamelde menigte op weg naar Jeruzalem. “Op weg met Jezus” is daarom een toepasselijk thema voor deze zondag(en).

Uitleg

Verband of losse vermaningen? Exegeten zijn het er niet over eens, of er een rode draad te vinden is in Lucas 17:1-10 of niet. Bronnenkritisch beoordeeld is de perikoop een verzameling van tradities van verschillende afkomst (Q/Mk: 17:1-3a.5-6; Q: 17:3b-4; Sondergut 17:7-10). Een poging om een samenhang tussen de vermaningen in 17:1-10 aan te wijzen doet Westra in de preekschets over Lucas 17:1. Nederigheid (17:7-10) en ongelimiteerde vergeving (17:3-4), niet meer geloof (17:5-6) zijn volgens hem het antwoord op het onvermijdelijke komen van skandala (17:1-2). Ikzelf vind dit wat geforceerd en houd het op een meer algemene samenhang: 17:1-10 geven vermaningen aan de kring rond Jezus over problemen waarmee degenen te maken krijgen die leidende functies in de gemeente hebben, zoals verleiding tot afval, vergeving, kleingeloof, en een verkeerd zelfbeeld van de gemeenteleider. De gelijkenis zelf hoeft oorspronkelijk niet met het oog op deze doelgroep gesproken te zijn, maar in zijn actuele context wijzen de taken van de slaaf op taken van de stichters en leiders van gemeentes: het land ploegen en de kudde hoeden (1 Korintiërs 9:7.10; Lucas 9:62) en aan tafel dienen (Romeinen 15:25; Handelingen 6:2). Het is dus een gelijkenis voor de leiders, die worden aangespoord om zich nederig op te stellen.

Retoriek

De gelijkenis neemt de toehoorders (“wie onder jullie”) mee in een alledaags en naar het schijnt glashelder voorbeeld, dwingt hen om drie retorische vragen te beantwoorden om aan het einde onverwacht tot een nieuwe beoordeling van de eigen situatie genoodzaakt te worden. Jezus schetst een fictief voorbeeld in de vorm van een eerste retorische vraag die ontkend dient te worden. Wie een slaaf heeft, gaat hem toch niet aan tafel vragen als hij aan het einde van zijn eerste ploegendienst naar huis komt?! De tweede vraag dient bevestigd te worden. De heer zal zeker van de slaaf verwachten dat hij een tweede dienst draait en voor zijn meester het eten klaarmaakt en hem aan tafel bedient, pas daarna zal de slaaf zelf mogen eten. De derde vraag dient weer ontkend te worden. Dankt de heer zijn slaaf voor het geleverde werk? Nee, dat was niet de gewoonte. En dan komt de schokkende boodschap binnen: zo is het ook met jullie in relatie tot God. Als jullie alles gedaan hebben, wat jullie was opgedragen, zeg dan: wij zijn onnutte knechten, wij hebben alleen gedaan, wat onze plicht was. De toehoorder wordt dus op het verkeerde been gezet: uitgedaagd om zich in de comfortabele positie van een slavenbezitter te verplaatsen, moet hij/zij aan het einde erkennen dat hij/zij juist geen aansprak mag maken op privileges, maar met de positie van de minst geprivilegieerde tevreden moet zijn.

Sociaalhistorische en traditiehistorische achtergrond

De gelijkenis gebruikt het dagelijkse leven van slaaf en heer op een boerderij als uitgangspunt, herkenbaar en normaal voor antieke toehoorders, maar ethisch niet meer acceptabel voor mensen van onze tijd. Dit vormt een moeilijkheid voor de theologische toepassing. De vergelijking van de relatie tussen mens en God als een relatie van slaaf/dienaar en Heer is diep geworteld in de Bijbelse traditie. Aartsvaders, profeten en koningen in het Oude en apostelen in het Nieuwe Testament (Romeinen 1:1, Galaten 1:10, Jacobus 1:1 enz.) beschouwden zichzelf als slaven/knechten van God. De gelijkenis brengt de harde realiteit achter de verbleekte metafoor weer tot bewustzijn. Dit wordt bijzonder duidelijk in de zelfbeschrijving als “onnutte slaven” in vers 10 (“we zijn ‘maar knechten’” in de NBV is een m.i. onterecht verzachtende vertaling). Hierin komt de internalisering van de systematische ontkenning van de persoonswaardigheid van slaven in het antieke denken tot uiting. Theologisch en ethisch dragelijk wordt dit alleen als men hier een drievoudige kanttekening bij maakt: ten eerste is de beeldspraak vanuit de theologische toepassing gekozen – en de oneindige afstand tussen God en mens mag dan de radicale zelfdevaluatie rechtvaardigen. Ten tweede is de gelijkenis juist gesproken tot mensen in hoge posities (apostelen!) die in verleiding zouden kunnen komen om al in dit leven een bijzondere erkenning te verwachten. Deze verwachting is door Lucas zelf gewekt in de gelijkenissen in 12:35-48 die eschatologische beloning en straf voor de slaven (van God/Christus) in het vooruitzicht stellen. Paulus, die in zijn gemeentes te maken had met echte slaven die zich tot Christus bekeerden, heeft als empathische theologische denker gezien, dat het problematisch is een daadwerkelijke slaaf, die door de maatschappij als een “niemand” werd beschouwd, een slaaf van God of Christus te noemen. Hij heeft hiervoor een ingenieuze oplossing bedacht: volgens 1 Korintiërs 7,22 is een als vrije geroepen Christen een “slaaf van Christus”, maar een geroepen slaaf een “vrijgelatene van de Heer”! Ten derde is de gelijkenis door Degene gesproken die in Zijn leven en sterven een voorbeeld voor het vrijwillige dienen (Lucas 22:24-28) heeft gegeven, van wie Paulus in poëtische taal kon zeggen: “Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan de mensen. Hij vernederde zichzelf en werd gehoorzaam tot aan dood, de (speciaal voor slaven bedoelde) dood aan het kruis.” (Filippenzen 2:7-8). Vanuit het evangelie als geheel moet men dus meenemen, dat de reden voor het in dienst genomen worden door de Heer diens zelfopoffering is.

Aanwijzingen voor de prediking

“Werken zonder dank en loon, alleen voor eten, kleding en onderdak en je dan nog zelf naar beneden halen door te zeggen: ik ben niets waard? Dit is toch geen goede boodschap?!” Sommige toehoorders zullen misschien spontaan zo reageren. Anderen hebben waarschijnlijk het altijd moeten klaarstaan voor anderen in hun christelijke socialisatie zo verinnerlijkt, dat ze met schuldgevoelens te maken krijgen als ze zouden toegeven, dat ook zij weerstand hebben tegen het opleggen van een levenshouding, die de eigen persoon altijd op de laatste plaats zet. Dat geldt bij uitstek voor (een deel van) de vrouwen in vele gemeentes, want in onze maatschappij hebben we weliswaar geen slaven meer, maar zijn het vaak vrouwen die buiten- en binnenshuis hard werken in posities, waar de inzet voor anderen als vanzelfsprekend geldt en waar dank schaars is. Het is homiletisch van belang om deze (expliciete of verborgen) weerstand te benoemen en duidelijk te maken: het is niet de intentie van deze tekst om mensen tot een manier van leven te dwingen, waarin zij zich zelf structureel voorbijlopen. Omdat bij deze tekst het risico sterk aanwezig is, om wel zo’n ongezonde levenshouding te kweken en te versterken, is het nodig om er actief tegen in te gaan. In het vervolg presenteer ik drie manieren om dat te doen.

De tekst is ten eerste gesproken tegen de apostelen (v. 5) en bedoeld als waarschuwing voor de verwachting, om al in dit leven bijzondere beloningen te krijgen voor het uitoefenen van het ambt van gemeenteleider (zie vooral Lk 22,24-30 als dialoogtekst). In een wereld waarin de eigen positie en status binnen de maatschappelijke hiërarchie enorm belangrijk waren, waarschuwt Jezus zijn discipelen zich niets aan te trekken van de maatschappelijk gangbare spelletjes om macht en aanzien. Doe je taak en verwacht geen bijzondere aandacht, geen lintjes of penningen, geen bonus, geen eervolle vermelding in de pers. Dat geldt niet voor degenen, voor wie het zich zelf wegcijferen al een tweede natuur is geworden. Die mogen – in vrije toepassing van het boven over 1 Korintiërs 7:22 gezegde – juist wel in het zonnetje gezet worden.

Als wij ons ten tweede realiseren dat het menszijn op zich hier met de metafoor van de slaaf wordt weergegeven, dan moedigt de gelijkenis ons aan, de plaats in de wereld, waar wij terecht gekomen zijn, als ons taakveld te aanvaarden. Doe wat je door het leven / door je schepper wordt opgedragen en verwacht geen bevestiging van buitenaf. Zorg ervoor, dat je zelf tevreden kunt zijn met je dagelijks werk. In onze keuzemaatschappij betekent dat ook, zelf verantwoording te nemen voor het vinden van dé plaats in de wereld, waar je met jouw individuele pakket van talenten en vaardigheden het beste kunt bereiken voor jezelf, je familie en de samenleving.

Een derde, wat provocatieve, homiletische gedachte. Zoals in de uitleg getoond, werkt de gelijkenis door de alledaagse werkelijkheid af te beelden (“Niemand bedankt toch een slaaf?”) en op de eigen relatie met God te betrekken (“Dan kan jij als ‘dienstknecht van God’ toch ook geen dank verwachten?!”). Wat als de gelijkenis een omdenken in de menselijke relaties tot stand wil/kan brengen? Als je je eenmaal in de positie van de slaaf hebt verplaatst dan voel je, dat je eigenlijk een “dank je wel” voor al het gedane werk zeer op prijs zou stellen. Net zoals het leuk is, als je inspanningen op allerlei levensgebieden, op het werk, als vrijwilliger etc. wel gewaardeerd worden, als er zegen op rust. Je hebt er geen recht op dat het zo komt, maar je mag het zeker hopen. En terwijl je dat doet, mag je best je medemensen die je een dienst bezorgen, de verkoopster in de winkel, de thuiszorghulp, de medewerker achter de balie of aan de telefoon, wat vaker vriendelijk bedanken. Want je moet toch van God niet meer verwachten dan jezelf bereid bent om te geven?

Liturgische aanwijzingen

Afhankelijk van de gekozen focus kunnen Lucas 12:36-38 en 22:24-30 of 1 Korintiërs 7:17-24 en Filippenzen 2:5-11 ertoe dienen om de verschillende manieren te verduidelijken hoe de metafoor van de slaaf in het NT wordt gebruikt.

Geraadpleegd

  • L.H. Westra, Preekschets Lucas 17:1

  • J.A. Glancy, Slavery in Early Christianity, 2006.

  • T. Braun, Dinner for oneoder vom Sklavenlohn, in: R. Zimmermann et al. (ed.), Kompendium der Gleichnisse Jesu, Gütersloh 2007, 661-666.

< Terug