< Terug

Preekschets Marcus 11:1-11 – voor Palmzondag, 6e zondag van de 40dagen

De 6e zondag in de Veertigdagentijd of vastentijd, ook wel Palmzondag genoemd, staat in het teken van het komende lijden van Jezus. Het is zes dagen voor zijn veroordeling. De naam ‘Palmzondag’ (of ‘Palmpasen’ voor deze laatste zondag voor Pasen is erg populair. Zelfs in a-liturgische kringen gebruikt men die. Zeker het allitererende Palmpasen beklijft goed in het volkse geheugen. Grappig genoeg komen de palmtakken alleen voor in Johannes 12:13. De passages in de synoptische evangeliën (Matteüs 21: 1-16; Marcus 11: 1-11; Lucas 19: 29-40) laten in het midden om welk soort loof het gaat. Ook op scholen, en zelfs bij broodbakkers, wordt aan deze zondag vaak aandacht besteed. Oudere mensen zullen zich dit zeker nog herinneren.

Uitleg en aanwijzingen voor de prediking

Een vreugdevolle dag, blije mensen die zingen. Hierin wordt de vervulling van de profeet Zacharia gezien en gehoord.

Juich, Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin. (Zacharia 9:9)

Er wordt een vreugdevolle dag, een bemoedigend feest verwacht.

Welk gezicht mag je bij Palmzondag zetten? ‘Hosanna’ en ‘kruisigt Hem’ staan hier dicht bij elkaar.

Kwetsbaar!

Het begint allemaal bij Betfage, en bij Bethanië, Plekken met betekenisvolle namen. Bet-ani, Bethanië, het huis van de arme. Het is de plek van de behoeftige, de plek van gebrek, maar ook: de plek van de lege handen, van verwachting, van hoop en gebed. Betfage daarentegen is het huis van de vijgen, de rijkdom.
Pesach is het feest van de herinnering aan de uittocht uit Egypte, de bevrijding van de onderdrukker, de bevrijding uit het slavenhuis van Egypte. Onder de pelgrims begint de spanning zo vlak voor het feest te stijgen en de verwachtingen lopen hoog op. Feestvierende, zingende mensen: ‘Jeruzalem, dat ik bemin, wij treden uwe poorten in’. Er hoeft maar weinig te gebeuren of de vreugde gaat zijn eigen gang: wanneer Jezus rijdend op een ezel langs komt klinkt er: ‘Hosanna, Hij die komt in de naam van de Heer’. Het is de priesterlijke zegen die al eeuwen uitgeroepen werd over de pelgrims die Jeruzalem naderen.

Het hele verhaal van de intocht was en is geladen en beladen. Verhalen over verlossing, verhalen over de verwachte komst van de Messias. Tastbare hoop op verlossing. De optocht wordt één groot feest met allemaal gewone mensen, even kwetsbaar als ieder ander, en misschien ook wel evenveel gekwetst en gebutst ze kunnen worden door het leven als ieder ander. En ineens vlamt de hoop op: deze man, deze profeet is één van ons, dit is onze man! De mensen roepen: ‘Hosanna!’ Wat zoveel betekent als: Maak ons vrij!
Maar wat is vrij?

Als Jezus aankomt in de tempel, kijkt hij rond en vertrekt weer, met de twaalf, naar Bethanië, het huis van de arme. Alsof hij zeggen wil: Het feest is nog niet compleet, zolang bet-ani, het huis van de armen, en de tempel niet bij elkaar gekomen zijn. Zolang de arme niet ook feest kan vieren, van de vijgen en de olijven kan genieten is er geen feest.

Er is beweging, in de mensen, maar ook in de tekst. Er zijn gemengde gevoelens op deze dag. Waar leeft in ons de verwachting, de hoop, de troost?

Durven wij ‘naakt en kwetsbaar’ te gaan staan voor hem die voor ons de kruisweg gegaan is? Wanneer doen wij onze ‘kleding en mantels’ uit waarachter wij ons verbergen voor Jezus?

Zo kunnen wij, u en ik niet uitgesloten, onszelf en ons bestaan plaatsen in dit Bijbelgedeelte. En het misschien beter begrijpen – in de alledaagse worsteling, in de zoektocht en de vragen van hele gewone mensen.
Die arme dat is in feite elke mens met lege handen. Dat kunnen letterlijk of figuurlijke lege handen zijn, zonder brood, zonder de meest elementaire levensbehoeften. Die plek van gebrek, van lege handen, van hoop en van verlangen, die kennen we allemaal. Die dragen we allemaal in ons mee.

Is het niet juist dáár waar Hij doorbreekt?

Liturgische aanwijzingen

Na de zesde zondag in de veertigdagentijd mag de gemeente de Lijdensweek ingaan en het komende Avondmaal naderen, door naar binnen te keren met een loflied in het hart. Door de mantels uit te doen en voor de Heer te verschijnen, gewoon zoals men is.

Direct uit het heiligdom roept Jezus een vraag op: Is het niet daar, in het huis van de arme, de naakte mens waar het koningschap van God begint?

Dan zal op Paasmorgen de glans en de kracht van de opstanding in het hart opgaan en de armoedige plekken in het hart levend worden gemaakt, zodat ook vanuit die plekken een loflied kan klinken.

Als liederen kunt u denken aan Psalm 9, Psalm 23 of Psalm 72: 1 en 6 en NLB Psalm 91a op de melodie van Antoine Oomen.
Verder passen NLB 282 Genesteld aan uw hart; NLB 550, 552-556 Liederen voor Palmzondag; NLB 793 Bron van licht en leven; NLB 807 Een mens te zijn op aarde.

Als lezing uit de TeNaCh zou u kunnen denken aan Psalm 118:26; Psalm 89:19; Jesaja 50:4-7; Zacharia 9:9.

Geraadpleegde literatuur

  • Nico ter Linden, Het verhaal gaat, deel 6, Uitgeverij Balans, 2003.

  • Bas van Iersel, Belichting van het Bijbelboek Marcus, Uitgeverij Tabor, 1990.

  • C.J. den Heyer, Tekst en Toelichting, Marcus II, Kok, 1985.

  • Internationaal Commentaar op de Bijbel, band II, Kok, 2001.

  • World Biblical Commentary, Mark, volume 34b, Thomas Nelson, 2001.

  • Internationaal Commentaar op de Bijbel, band 2, Kok/Averbode, 2001.

< Terug