< Terug

Preekschets Matteüs 10:1-16

Veertigdagentijd

Tekst: ‘Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?’

Thema’s: rechtvaardigheid, goedheid

Liturgisch kader

Dit tekstgedeelte kan gebruikt worden in de veertigdagentijd. Mogelijke liederen, natuurlijk naar aanleiding van het slotvers (Matteüs 10:16) zijn: 990 en 991 (Liedboek – Zingen en bidden in huis en kerk, 2013). Een algemener lied over gelijkenissen is 978 (met de woorden ’t Is alles een gelijkenis).

Uitleg

Algemeen over gelijkenissen: een gelijkenis is een, al dan niet door Jezus verteld, meestal kort en beeldend verhaaltje waarin het bekende en vertrouwde verbonden wordt met het onbekende en bijzondere. Veel gelijkenissen vertellen over Gods koninkrijk en ze eindigen met een verrassende wending die de hoorder, lezer, ons aan het denken wil zetten, tot een keuze wil uitnodigen of tot actie maant. Lees gelijkenissen niet allegorisch maar metaforisch. De goede hoofdfiguur in de gelijkenis is niet per definitie gelijk te stellen aan God of Jezus.  Op welke vraag zou de betreffende gelijkenis een antwoord willen geven? In dit geval speelt de gelijkenis met de verwachting van de werkers van het eerste uur én de hoorder, dat diegenen die het laatst uitbetaald krijgen wel meer zullen krijgen dan die afgesproken denarie. Maar, wat is hier gerechtigheid?  

Het meervoud ergatai kan ook vrouwelijke arbeiders omvatten, maar het is niet waarschijnlijk. Vrouwen werkten zelden voor dagloon. De wijnbouw was zeer kostenintensief maar ook zeer profijtelijk. Zoals bekend is een denarie in die tijd een normaal dagloon. Mensen met een (klein) deel van zo’n dagloon naar huis sturen, betekent die dag je gezin niet kunnen onderhouden.

De vertelling speelt zich af in twee duidelijk van elkaar onderscheiden locaties: op het marktplein (eerste deel) en in de wijngaard (tweede deel). Daarbij markeert Matteüs 10:8 de wisseling van plaats en de verrassende draai in de gelijkenis. In algemene zin is dat herhaald in Matteüs 10:16. Het slot van het voorafgaande hoofdstuk bereidt al voor (Matteüs 19:30). Belangrijk zijn de begrippen goed (agathos, Matteüs 10:15) en rechtvaardig (diakaios, Matteüs 10:4).

Aanwijzingen voor de prediking

Wie de gelijkenis als verrassende tekst kiest in de veertigdagentijd zal het kernvers ‘Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?’ centraal stellen. Zoals de landheer verontwaardiging en onbegrip oproept door zijn ruime opvatting van rechtvaardigheid, zo ook Jezus door zijn ruimhartige opvattingen en door zijn omgang met uitgestotenen, met hoeren en tollenaars. Jezus’ optreden leidt niet alleen tot gefronste wenkbrauwen, maar ook tot fel protest. Mede door zijn manier van doen komt het kruis in beeld.  Wie goed doet goed ontmoet? Goed doen wordt lang niet altijd gewaardeerd, het zet kwaad bloed in de wereld dat Jezus staat voor pure goedheid en humaniteit.

Natuurlijk mag in de prediking de verrassende wending accent krijgen: diegenen die het laatst werden aangesteld krijgen als eersten uitbetaald. En dan ook nog hetzelfde bedrag als die werkers van het eerste uur. Zo zullen in de nieuwe wereld mensen die achteraan kwamen ook al een keer voorop gaan en omgekeerd. Nodig uit om je niet alleen te verplaatsen in de werkers van het laatste uur maar ook in reactie van de werkers van het eerste uur. Zouden wij anders reageren? Dat de laatsten ook al eens voorop gaan, is dat toekomstmuziek of ook bedoeld voor het hier en nu? Het antwoord van de landheer op de verontwaardiging mag ons aan het denken zetten. Klopt ons idee van rechtvaardigheid wel? De gebruikelijke verbinding tussen loon en prestatie wordt hier ontkoppeld. Luttikhuis (Tien beelden) benadrukt dat rechtvaardigheid meer is dan ieder precies geven waar hij recht op heeft. Echte rechtvaardigheid bestaat bij de gratie van goedheid. Gods rechtvaardigheid is aangepast aan wat mensen echt nodig hebben. Daarin bestaat ook zijn goedheid, in alle bescheidenheid mogen we die onderling navolgen. Ieder heeft recht op dagelijks brood, los van de verrichte arbeid! Het gaat in de gelijkenis dus niet over het probleem van wel kunnen maar niet willen werken!

Onze menselijke neiging steeds te willen vergelijken wordt hier ter discussie gesteld. Daarover ook een prachtige passage in Henri Nouwen Eindelijk thuis: ‘Onze God, die zowel vader als moeder voor ons is, vergelijkt niet. Nooit.’ (pagina 113)

De gelijkenis is ingebed in lessen primair aan Jezus’ leerlingen geadresseerd. Moeten de leerlingen zich als werkers van het eerste uur kennelijk niet verheven voelen boven wie pas later mee is gaan doen in de Jezusbeweging?

Ideeën voor kinderen en jongeren

Lees ‘de gelijkenis van De werksters van halfvijf’ uit Karel Eykman en Peter Vos De werksters van halfvijf en andere gelijkenissen (pagina 53-57). Ook met een interessante duiding op pagina 54.

Het gaat hier om twee vertellingen. Kies een vertelling uit om met de kinderen na te spelen. De originele tekst leent zich daar natuurlijk ook voor. Parabels zijn bij uitstek geschikt voor een toneelstukje, beter gezegd voor bibliodrama. Er zijn genoeg verschillende rollen te verdelen en een goed nagesprek over rechtvaardigheid is verzekerd.

Deze preekschets is opgesteld door Koen Holtzapffel, predikant van de Remonstrantse Gemeente Rotterdam.


Geraadpleegde literatuur

Koen Holtzapffel (red), Geef mij die dwaze meisjes maar. In gesprek met Jezus’ gelijkenissen

Bernard Luttikhuis, Tien beelden van hoop, bemoediging en troost p. 31-17

Eric Ottenheijm en Martijn Stoutjesdijk, Parabels. Onderricht van Jezus en de rabbijnen p.  91-94

Ruben Zimmermann (red), Kompendium der Gleichnisse Jesu p. 461-472

< Terug