Menu

Premium

Preekschets Matteüs 10:31

Matteüs 10:31

Derde zondag na Epifanie

Wees dus niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen.

Schriftlezing: Matteüs 10:24-32

Het eigene van de zondag

De verschijning van Jezus betekent een storing in ons bestaan. Volgelingen die in het spoor van Jezus hun weg gaan, moeten rekenen op tegenstand. We horen in de gekozen preektekst hoe de Heer ons op de weg van het discipelschap bemoedigt.

Uitleg

De tekst vormt een onderdeel van het bericht over de uitzending van de twaalf leerlingen van Jezus. Matteüs noemt hen apostelen, daarbij uitgaande van de in zijn tijd gebruikelijke titel. Door hen zet Jezus zijn werk – prediking en genezing – voort (4:23; 9:35 in vergelijking met 10:5,6). Naar Joodse overtuiging is de gezondene als zijn zender. Vers 16 bevat een waarschuwing. Als weerloze mensen zullen zij omringd zijn door agressieve vijanden. Het beeld van de schapen te midden van de wolven vormt een tegenbeeld tot de profetische beschrijving van het vrederijk (Jes. 11:6; 65:25). De verzen 17vv. behoren oorspronkelijk tot de eschatologische rede van Jezus, waarin sprake is van de toekomst van de leerlingen als zijn getuigen in een vijandige wereld (Matt. 24:9-14). De evangelist heeft de woorden van Jezus overgeleverd met het oog op de situatie van zijn lezers omstreeks de jaren 80 en 90 na Christus. Gerechtshoven en synagogen doen denken aan Joodse instanties. Heersers en koningen: de heidense machthebbers. De rede over de uitzending groeit uit tot een rede over discipelschap en heeft een verdere strekking dan de situatie van de uitzending ten tijde van Jezus’ werken in Galilea (Baarlink). In hun weerloosheid weerspiegelen de leerlingen/getuigen het beeld van de gekruisigde Christus. Dat wordt onderstreept door de verzen 24 en 25. Navolging heeft een prijs (vgl. Matt. 16:24-25). Geloven kost wat en de genade is niet goedkoop (Bonhoeffer).

De wijsheidsspreuk over het verborgene dat onthuld wordt, krijgt een heilshistorische spits. Het geheim van Gods koninkrijk dat aan de leerlingen in de vorm van gelijkenissen is geopenbaard (13:11vv.) moet door hen in de toekomst na Pasen in de volle openbaarheid onder Joden en gojim worden verkondigd (vgl. Handelingen!). In die situatie wordt tot drie keer toe gezegd: ‘Wees niet bang!’ Het gewicht van deze oproep wordt versterkt doordat in vers 28 vrees voor mensen tegenover de vrees voor God wordt gesteld. Mensenvrees is een uitdrukking van angst. De macht van mensen heeft grenzen. Mensen kunnen alleen het lichaam doden, maar niet de eigenlijke existentie van de mens. Er is iets wat erger is dan het lijden in de vervolging en het martelaarschap. Dat is wanneer God een mens overgeeft aan het verderf. Moeten we dan bang zijn voor God? De vreze des Heren – kernwoord in de bijbelse vroomheid – is geen slaafse angst, maar eerbied voor de Heilige in ootmoed en vertrouwen. De macht van God in leven en sterven betekent dat de volgelingen van Jezus ook in de dood Gods eigendom blijven (vgl. Joh. 10:27,28; Rom. 8:31-39).

Vers 29-31 heeft een zakelijke parallel in Matteüs 6:26. De stijlfiguur is de conclusie van het kleine naar het grote. God zorgt voor de mussen (vgl. Ps. 84:4). Een marktkoopman telt mussen bij twee tegelijk, God rekent met elke mus afzonderlijk. Mussen kunnen vallen (als prooi voor de jager of gevangen in het net van de vogelvanger), maar zij vallen niet aneu tou patros humoon (10:29). Dit vers is de klassieke bewijsplaats voor de leer van de voorzienigheid van God (zie het overzicht in het commentaar van U. Luz). De vertalingen en de commentaren gaan uiteen als het gaat om vertaling en uitleg van de hierboven gecursiveerde Griekse woorden. De nbv vertaalt: ‘als jullie Vader het niet wil.’ De betekenis is dan: op dezelfde wijze als geen mus ter aarde zal vallen zonder dat God het wil, op dezelfde wijze zullen Jezus’ leerlingen niet sterven voor het evangelie zonder dat God het wil. Al is deze interpretatie filologisch niet onmogelijk, ze roept toch het misverstand op alsof alles wat gebeurt aan Gods wil is toe te schrijven. Nielsen signaleert het gevaar dat op één noemer wordt gebracht wat zich in aardse verhoudingen niet op één noemer laat brengen. Dat de gebeurtenissen in ons leven niet buiten Gods wil om gaan, is niet hetzelfde als te zeggen: God wil het! De geopenbaarde wil van God is zijn heilswil en de bron van ons heil (vgl. bijv. Luc. 12:32; Ef. 1:3-14; 1 Tim. 2:4).

Daarom prefereer ik de vertaling ‘zonder uw Vader’ (SV, NBG, NB) of ‘buiten uw Vader om’ (KBS, HSV). Ook de parallel bij Lucas (12:6) pleit voor deze vertaling: ‘Toch wordt er niet één door God vergeten.’ Musjes vallen niet zonder dat God er bij is. Hoe is God er bij? Vanuit de theologie van Matteüs is het aannemelijk te zeggen dat het gebeuren niet buiten de aanwezigheid van God is, maar ook niet buiten het domein van zijn macht. Toch is er verschil tussen de spreekwijze ‘God heeft het gewild, dat het musje viel en dus viel het’ en de uitspraak dat God ten aanzien van dit gebeuren zo nodig zijn macht zal laten blijken. God is niet afwachtend aanwezig, maar als degene die zijn macht aanwendt om onheil te bestrijden en te overwinnen. Als God voor zo’n onbetekenend vogeltje zoveel aandacht heeft dat hij zijn vallen en zijn opvliegen ziet, hoeveel te meer mogen de leerlingen zich dan geborgen weten. De spreuk over de hoofdharen die geteld zijn, onderstreept deze belofte. Mensen naar Gods beeld geschapen en bestemd voor zijn Rijk zijn immers meer waard dan mussen.

Zo krijgt het ‘Vrees niet’ inhoud en betekenis. Het is geen loze oproep, maar de woorden zijn geladen met de kracht van het evangelie van Gods Vaderliefde. ‘Het woord van de troostende en zorgende aanwezigheid van God, zoals dat in vele psalmen opklinkt geeft aan het “niet zonder Uw Vader” een heel andere strekking dan het griezelige “God wil het zo”. Eerder kan men zeggen dat de verbreiding van het evangelie onherroepelijk offers met zich meebrengt (…). Maar God geeft ook in het martelaarschap op zijn wijze uitkomst. Dat is de troostende kracht van het geloof’ (J.T. Nielsen).

De verzen 32 en 33 laten zien waar het in de navolging op aankomt. De volgeling van Jezus wordt geroepen tot belijden. Er is de aangrijpende mogelijkheid van de verloochening. Maar het geloof vindt rust in Gods vaderlijke zorg. Waar zien wij de Vader? ‘Der Vater erschließt sich uns nicht anders als im Sohne, und im Sohne ist wiederum der ganze Gott gegenwärtig. In Jesus Christus erfahren wir ja Gott gerade in seiner personhaften Zuwendung zu uns’ (G. Voigt).

Aanwijzingen voor de prediking

Men kan de preek op verschillende wijzen inzetten. Bijvoorbeeld met de vraag: wil God het lijden? Is alles wat gebeurt Gods wil? In gemeenten waar de traditie van de Heidelberger levend is, zijn de woorden ‘niet zonder de wil van de hemelse Vader’ zoals de tekst in sommige vertalingen is weergegeven, vertrouwd. Maar wat verstaat men er onder? Niet zelden zijn mensen vastgelopen in een opvatting waarin ‘God’ rijmt op ‘lot’. Te denken is ook aan het bekende gezang ‘Wat God doet, dat is welgedaan / Zijn wil is wijs en heilig.’ Wat ervaren hoorders – vooral zij die veel hebben meegemaakt in het leven – bij deze woorden? Een andere insteek is de geborgenheidstheologie die in sommige sectoren hoge ogen gooit. Geloof betekent dan een fijn gevoel.

Daartegenover kunnen we aan de hand van de tekst laten zien dat Jezus’ woorden staan in het verband van lijden en kruisdragen. Volgelingen van de Heer gaan vaak ‘ongewende paden’ (Ad den Besten, Gez. 484:1 LvdK). Musjes kunnen vallen. Mensen kunnen vallen. De woorden van Jezus zijn geen goedkope troost, geen uitleg van alle waaroms, wel een tekst, liever nog: een belofte die de vrees voor mensen en machten wil wegnemen.

Het ‘niet zonder uw Vader’ leg ik uit als ‘niet zonder de nabijheid en de aanwezigheid van de Vader’. Aan de hand van voorbeelden als de ballingschap of het leven van Jozef kunnen we laten zien hoe God er bij is. Niet als onbewogen toeschouwer, maar als een Vader die in alle dingen medebenauwd is (Jes. 63). Niet als de machteloze, maar als een God die het kwaad ter hand neemt. ‘Het is dus beter om niet zonder meer te zeggen dat God het lijden wil. Maar wij mogen wel zeggen dat God ons dóór het lijden bij Zijn wil brengen wil’ (O. Jager).

De troost van Gods vaderlijke zorg behoort tot het geheim van het geloof. Het ‘uw’ veronderstelt de geloofsrelatie. Het luistert pastoraal nauw hoe we hier mee omgaan. Wat zie je van Gods vaderlijke zorg? Wie Jezus ziet in zijn weg en werk, in zijn kruis en opstanding, ziet de Vader (vgl. Joh. 14:9). Wij zijn als mensen naar Gods beeld geschapen, gekend door de Vader. Dat is geen goedkope troost. Zij daagt uit om waar mogelijk het lijden te bestrijden en te blijven volharden. ‘Der Fatalismus macht feige, das Wissen darum daß unser Leben ganz in des Vaters Hand steht, einfältig und zuversichtlich. Hier wird die fides zur fiducia. Der Unterschied zwischen dem “Vorsehungsglauben” der Heiden und diesem Glauben an die providentia Dei ist, daß jeder Einzelne mit seinem Schicksal sich von Gott gekannt und in Gottes Vatertreue beschlossen wissen darf’ (Iwand).

Liturgische aanwijzingen

Als oudtestamentische lezing valt te denken aan Genesis 39 of Psalm 139. Als epistellezing kan Romeinen 8:31-39 dienen.

Te zingen liederen: Psalm 61:1,2,3; 84:1,2; 118:2,5; 139:1,2,3,4. Verder: Gezang 49 (te zingen in beurtzang, zo mogelijk samen met de kinderen), 426, 484 (LvdK).

Uit Zingende gezegend: Lied 174. Uit Hans Mudde, Op de wijze van het lied: Lied 23 (bij Ps. 102:7,8; Luc. 12:6 en Ps. 84:4,5).

Geraadpleegde literatuur

H.J. Iwand, Predigtmeditationen, Göttingen 19663, 44-47; O. Jager, Uw wil geschiede, Baarn z.j; G. Voigt, Der rechte Weinstock, Göttingen 1968, 387-392; J.P. Versteeg, Bijbelwoorden op de man af, Kampen 1982, 108-110. Voor de doordenking van de vragen rondom voorzienigheid, leiding en geborgenheid zie ook: A. van de Beek, Waarom. Overlijden, schuld en God, Nijkerk 1984, met name hoofdstuk II en III.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken