< Terug

Preekschets Openbaring 1:5,6

Openbaring 1:5, 6

Invocabit

Aan hem die ons liefheeft en ons van zonden heeft bevrijd door zijn bloed, die een koninkrijk uit ons gevormd heeft en ons heeft gemaakt tot priesters voor God, zijn Vader – aan hem komt de eer toe en de macht tot in eeuwigheid. Amen.

Schriftlezing: Openbaring 1:1-8

Het eigene van de zondag

De evangelielezing (Invocabit, vgl. Ps. 91:15, 16) over de verzoeking in de woestijn zegt in een verwijzing naar deze psalm dat Jezus temidden van de dieren verkeerde en dat de engelen Hem dienden. De Openbaring plaatst Jezus als Lam van God en als eerstgeborene uit de doden in een strijdperk met het beest en zijn helpers. Aan dienende engelen geen gebrek. Omdat de kerkdienst uit is op een dialoog met God, zal wie bijbelteksten verstaat met het oog op de recontextualisering in een preek, aan de ene kant proberen te verstaan wat in relatie tot God de tekst daar en toen met hoorders wilde doen en anderzijds nagaan wat de tekst in betrokkenheid op God hier en nu teweeg kan brengen.

Uitleg

  • Gezien de zaligspreking in 1:3 (de eerste van zeven) moeten we eerder aan hoorders dan aan lezers denken. De tekst (1:1-8) heeft als proloog een structuur die meteen zaken met de hoorder doet. De vele herhalingen en structuurmomenten in het boek (de zeventallen, de verhevigingen in het oordeel, de herhaling van beelden, sleutelwoorden, kleuren, sprekende engelen, contrasten zoals tussen Jeruzalem en Babylon en tussen de heilige Drie-eenheid en de onheilspellende drie-eenheid van het beest en zijn trawanten) stimuleren hoorders in de liturgie bij het beeldverhaal te blijven. In de titel ‘apocalypsis van Jezus Christus’ wordt duidelijk dat de hoorders niet met een mysteriegeschrift te maken hebben of met een illegaal pamflet in een geheimtaal die de boosaardige Romeinen niet zouden begrijpen, maar met een onthulling. Het nu volgende geschrift wil onthullen dat Jezus Christus zich openbaar maakt in het geschrift. En wie het boek heeft gehoord, weet dat de tweede komst van Jezus op til is (1:3; 22:7, 12). Het geschrift wil de hoorders zicht verschaffen, hen met een overvloed van veelal hyperbolische beelden overtuigen van deze komst en hen aanzetten tot een beamende uitroep na de voorlezing in de bijeenkomst (‘Laat wie luistert, zeggen: “Kom!”’ – 22:17, 20).

  • Aan het slot spreekt Jezus zelf met de luisteraars (‘Ja, ik kom spoedig’ – 22:20). Ook God spreekt de mensen rechtstreeks toe: ‘Ik ben de alfa en de omega’ (1:8). Bij de tweede keer zegt God: ‘Ik maak alles nieuw’, en opnieuw: ‘Ik ben de alfa en de omega.’ God spreekt dan uitvoeriger. De tedere aanspraak van ‘wie overwint’ (de hoorder die Standvastig is), wordt verbonden met een afschrikwekkende waarschuwing voor wie trouweloos is: ‘Ik zal zijn God zijn en hij zal mijn kind zijn’ en: ‘Hun deel is de vuurpoel’ (21:5-8). Wie naar de voorlezing luistert en zich begeeft in de voorstellingswerelden van de tekst en meekijkt en mee-oordeelt, zit na 1:8 opnieuw te wachten op een woord van God. Het duurt dan bijna het hele geschrift voor Gods stem nogmaals klinkt. De contrasten helpen als didactische uitersten de hoorders gewetensvol afwegingen te maken. De Openbaring van Johannes biedt een alternatieve wereld (waarin God het kwaad overwinnende is en verder is dan de geschiedenis), die als een transparant over de werkelijkheid heen wordt gelegd.

  • De communicatie tussen God en mens verloopt gelaagd. Hoorders hebben niet zomaar toegang tot God en God niet tot hoorders. Vandaar de vermelding van een indirecte communicatielijn tussen God en de mensen: God -> Christus -> engel -> Johannes (de notulist) -> de dienaren van God. Luisteraars blijven zich bewust van de ontoegankelijkheid van God. Gelukkig is er de schrijvende mededienaar Johannes die soms namens de hoorders bewogen raakt door wat hij ziet (1:17; 5:4), die engelen ter beschikking heeft, die de ‘hemel’ schouwt en het geziene doorgeeft en die de groeten van God en van Jezus doet. Johannes doet God spreken (1:2, 4, 5, 8): deze profetie laat na de narratieve structuren (de zeven boodschappen, zegels, bazuinen, schalen) God andermaal aan het woord komen als een God die de toekomst openhoudt (1:3; 22:6-7; vgl. de profetische bekrachtiging in 22:18-19). De aanduiding van God als degene die was, is en komt (in plaats van zal zijn; vgl. 1:4, 8; vgl. 4:8; in 11:17 en 16:5 ontbreekt het ‘komen’) is een weergave van de Godsnaam in Exodus 3:14. De ‘IK BEN’ is de God van de uittocht. Aan de Openbaring ligt dan ook een exodusschema ten grondslag: er is kennis van God, er is een dienaar, er is een vijand (de duivelse beesten), er is een lam, er is een slag met een ‘Farao’ en consorten, er zijn dankliederen wegens de bevrijding en er ligt een beloofde, veilige plek (stad) in het verschiet. Het valt op dat Jezus in het beeld van God is ingeschoven en met een verwijzing naar Psalm 89:35-40 betrouwbare getuige (aan de hemel) wordt genoemd (1:5).

  • De profetie komt de hoorders als een profetische brief (vgl. Jer. 29) tegemoet met een groet aan het begin en een zegen aan het eind (22:21). De zeven gemeenten gelden als zeven verschillende contexten, waarmee de brief wil communiceren. Er is dus een pluralistische benadering van de inhoud en de visioenen (vanaf 4) beoogd. De lezers in uiteenlopende contexten maken de betekenis. Alle contexten zijn exemplarisch met deze zeven gegeven. Het getal zeven duidt op volledigheid.

  • In de groet kunnen hoorders hun geloof en hun belevingen van bijvoorbeeld de keizerlijke politiek of de conflicten met de plaatselijke synagoge verbinden met het tekstaanbod. In een doxologie (1:5, 6) wordt positie bepaald voor de ware aanbidding, niet van welke machten dan ook die de hoorders in de ban houden, maar van Jezus als een liefhebbende persoon, als een bevrijder van zonde, als een schepper van een liturgische gemeenschap van bemiddelaars (priesters) van Gods heerschappij. De doxologie trekt de wereld van de hoorders naar zich toe, in zoverre deze in hun omstandigheden verlangen naar liefde, zich gevangen weten in zonde en zo het hun door God toebedachte doel missen en niet meer goed beseffen dat hen een koninklijk priesterschap is toegewezen (l:5vv). Daar moet een beetje hoorder op zijn of haar tijd amen op zeggen om zich die gaven ter bemoediging te herinneren.

  • De lettercode van de alfa en de omega – een afkorting van iao, een variant op het tetragrammaton (jhwh) – brengt de hoorders bij het begin en einde van alles, bij schepping en voltooiing. De benaming van Christus als ‘heerser over de vorsten der aarde’ (zevenmaal: 1:5; 6:15; 17:2, 18; 18:3, 9; 19:19; 21:24) duidt op een conflictrijk contrast tussen Christus en de politieke bovenbazen die met hun demonische activiteiten aanbidding opeisen. Door de term ‘eerstgeborene van de doden’, krijgen hoorders enerzijds de opstanding, anderzijds de doden voor ogen, dus ook de martelaren, wier roep om recht in de hemel is bewaard (6:10vv). Gaandeweg de voorlezing van de profetische brief ontvangen de hoorders toelichting en verdieping van deze termen. ‘

Aanwijzingen voor de prediking

  • De voorganger moet zich hermeneutisch verstaan met het probleem van de spoedige wederkomst. Hoorders van nu kunnen de tekst verstaan alsóf Christus spoedig zal wederkomen. Tegelijk beseffen ze dat de terugkomst niet is gebeurd zoals de mystieke ziener het zich voorstelde. God onthult zich niettemin in de tekstwoorden als begin en einde. God/ Christus is een ultieme macht van liefde, bevrijding en gemeenschapsstichting. Dat Godsbesef kan als aanspraak gelden voor mensen die somberen over de zin van het leven of die verbijsterd zijn door rampen. Als houvast, dat verleden, heden en toekomst omvat en dat – ten minste gedurende de liturgische priesterdienst van de gemeente – betrokken blijft op vermorste levens en op de ontmaskering van onheilspellende machten.

  • Start de preek bij de betekenis van groeten in het dagelijkse leven en in de kerkdienst. Mensen kunnen hun vreugden en zorgen creatief inbrengen in de liturgie. Daar wordt taal geboden om de gelovige verwondering over de liefdesstructuur onder de werkelijkheid uit te spreken (1:6) of om de verontwaardiging over onrecht te uiten, te bezien en te herzien in het hemelse perspectief van het geding van God/Christus met venijnige en wijdvertakte machten die zich als góden gedragen.

  • Durf een persoonlijke situatie waarin iemand een ander (pastor?) deelgenoot maakt van onrecht in zijn of haar levenssituatie te vertellen. Interpreteer vervolgens dezelfde situatie vanuit de groet van Jezus met behulp van vier vragen: a) In hoeverre maakt het uit dat je (als pastor en pastorant?) naar deze situatie kijkt vanuit het feit dat je door Jezus begroet wordt als een gemeenschap van priesters voor God, van enkelingen en groepen die bemiddelen tussen God en mens? b) Maakt het voor de omgang met het besproken onrecht verschil dat je begroet wordt met een groet die spreekt van bevrijding van zonden? c) Maakt het voor je situatie verschil, dat Jezus ons (meervoud!) liefheeft in zijn geding met demonische machten? d) En maakt het voor (de omgang met) dat onrecht uit dat Jezus in de groet als betrouwbare getuige in dat geding wordt genoemd?

  • Herhaal eventueel deze oefening in het innemen van een hemels perspectief door een recent tv-beeld van een onrechtsituatie te beschrijven. De gevoelens van machteloosheid of boosheid komen veelal voort uit een sterk besef van gerechtigheid. Ook nu zijn de vier aan de groet ontleende vragen richtsnoer voor interpretatie. Op deze manier komt de gemeente bij het door Openbaring veronderstelde besef dat onder en door alles heen, op een diepteniveau een strijd woedt tussen de demonen en God/Christus, tussen Babylon als symbool van mateloosheid en onrecht, wanklank en verleiding en Jeruzalem, als festijn van ultieme genegenheid, muziek en licht. De voorlezing in de liturgie plaatst(e) de hoorders didactisch in een spanningsveld waardoor ze – opkomend voor recht – het slachtofferperspectief gaan innemen en waardoor ze mogelijk hun eigen kleine of grote verdrukking kunnen doorzien tot op een strijd tussen het mysterie van het onheilspellende en ten hemel schreiende kwaad en de in de hemel verborgen en geborgen bevrijdende liefdeswerkelijkheid van God.

Liturgische aanwijzingen

Psalm 91:5, 6, 7, 8 (God als ‘Ik’); Gezang 86:8, 9, 10; 110; 176. Naast Openbaring 1 kunnen Psalm 89:35-40 en Marcus 1:14, 15 als schriftlezing worden gebruikt.

Geraadpleegde literatuur

David E. Aune, Revelation, World Biblical Commentary, 3 dln., Dallas 1997, 1998; Marcel Barnard & Bert Jan Lietaert Peerbolte (red.), Openbaringen en visioenen. Betekenis en invloed van het boek Openbaring, Zoetermeer 2003; Richard Bauckham, The Theology of The Book of Revelation, Cambridge 1993; Elisabeth Schüssler Fiorenza, Revelation. Vision of a Just World, Augsburg 1991.

< Terug