< Terug

Preekschets Openbaring 1:5a – Hemelvaartsdag

… en van Jezus Christus, de betrouwbare getuige …

Openbaring 1:5a

Schriftlezing: Openbaring 1:1-8

Het eigene van de feestdag

Hemelvaartsdag is voor de christelijke kerk geen gemakkelijke feestdag. Daar is een aantal redenen voor: De vraag of Jezus letterlijk naar de hemel is opgestegen, zoals beschreven in Lucas 24 en Handelingen 1, wordt door christenen verschillend beantwoord. We kunnen het niet inpassen in ons materiële wereldbeeld. Als kerkelijke feestdag dateert Hemelvaartsdag pas uit de vierde eeuw. Het aantal kerkbezoekers is meestal lager dan op de andere kerkelijke feestdagen. Voor de beleving van veel christenen ligt het weemoedige motief van afscheid en afstand dichterbij dan de blijdschap om de verhoging en wereldwijde presentie van de Heer.

Omdat bovenstaande aspecten vermoedelijk regelmatig in de prediking op Hemelvaartsdag aan de orde komen, is nu gekozen voor een andere insteek: de blijvende betrokkenheid van de hemelse Heer bij zijn volk op aarde. Het is goed denkbaar om de bekende vredegroet uit Openbaring 1:4-5 in een drietal preken te verwerken in deze periode van het kerkelijk jaar: de groet van Jezus Christus op Hemelvaartsdag, van de Vader op wezenzondag en van de Heilige Geest op Pinksteren.

Uitleg

De uitleg van Openbaring wordt beslist door je hermeneutische keuzes: lees je het als bemoediging voor de kerk onder vervolging ten tijde van Johannes, lees je het meer als een visionair pamflet dat de eeuwen van de kerkgeschiedenis beslaat, of lees je het als een gedetailleerde voorspelling van de eindtijd. Deze keuzes klinken door in elke preek die uit Openbaring wordt gehouden. Tegelijk zijn deze keuzes het minst relevant bij de uitleg van de introductie van het boek, waar Johannes zijn lezers begroet (1:1-8). Deze introductie bestaat uit een formele opening van het boek (1:1-3), een persoonlijke begroeting (1:4-6), afgesloten met twee doxologische spreuken (1:7-8). Hierna volgt een biografische introductie van het visioen, dat uitloopt op de ontvangen opdracht tot het opschrijven en verzenden ervan (1:9-19).

In de formulering voor zijn persoonlijke begroeting volgt Johannes het format dat we kennen uit de Paulinische brieven (‘genade en vrede’). Daarbij kiest Johannes nadrukkelijk (twee keer ‘kai) een trinitarische vorm (Paulus kiest altijd voor ‘God onze Vader en Jezus Christus’), echter zonder de Vader en de Geest bij name te noemen. Johannes kiest voor een brede en inhoudelijke aanduiding, waarin veel oudtestamentische motieven meeklinken: Ten aanzien van ‘Hem die is, die was en die komt’ is te verwijzen naar de betekenis van de Godsnaam JHWH, waarbij het ‘komen van God’ een bijzonder accent is. In ‘de zeven geesten voor zijn troon’ klinkt de zevenvoudige aanduiding van de Geest uit Jesaja 11:2 door, die betrekking heeft op één Geest, die in al zijn volheid op de Messias rustte en door de Messias over de wereld wordt uitgezonden (vgl. Openbaring 3:1; 4:5; 5:6).

De meeste invulling in deze begroeting krijgt Jezus Christus, die met een drietal titels wordt getooid, waarin onder meer verwijzingen uit Psalm 89:20-38 hoorbaar worden. De presentatie vervolgt met een drievoudige omschrijving van het messiaanse werk van Jezus voor ‘ons’ (Hij heeft ons liefgehad, gewassen en tot een koninkrijk gemaakt). Na de bijbehorende lofverheffing volgen nog twee profetische woorden (zoals vaker in Openbaring). Het eerste woord over de beloofde komst van Jezus geeft een motief dat in het boek steeds sterker wordt uitgewerkt (Openbaring 19:11-16), opnieuw in oudtestamentische taal (Daniël 7:13, Zacharia 12:10). Hier fungeert het om de urgentie van de inhoud te onderstrepen. Het tweede woord is een woord van God zelf, door Johannes in zijn visioen gehoord (Openbaring 21:6) en hier in de introductie alvast geciteerd om de goddelijke oorsprong en autoriteit van zijn visioen te bekrachtigen.

De voor ons wat onsamenhangende overgangen binnen vs.3-8 kunnen verklaard worden uit een liturgische dialoog tussen voorlezer en hoorders, maar dit blijft hypothetisch.

Elk woord in de zegengroet heeft betekenis en kracht. Het zijn geconcentreerde woorden met veel lagen en verwijzingen. Van de drie titels behoeft die van ‘de betrouwbare getuige’ het meeste toelichting. Behalve Psalm 89:37-38 resoneren in de aanduiding ‘getuige’ ook profetieën van Jesaja mee (Jesaja 43:10,12; Jesaja 44:8), waarin Israël als getuige van God onder de volken wordt geschetst. Het ‘getuige’-zijn heeft in de bijbel een belangrijke juridische connotatie, omdat op basis van getuigen vrijspraak of veroordeling plaatsvindt. Daarnaast is het een krachtige homiletische typering, waarin zowel het kerugma als de persoon van de getuige bij elkaar komen. Binnen het oeuvre van Johannes vormen getuigen en getuigenissen een belangrijk motief (vgl. bv. Johannes 3:31-36; Johannes 18:37). Ook in Openbaring speelt het een belangrijke rol. Openbaring 3:14 heeft een lichte uitbreiding: Christus is de trouwe en betrouwbare (waarachtige) getuige. Het getuige-zijn van Christus is in te vullen vanuit het evangelie: zijn woorden en daden over redding en oordeel met zijn volksgenoten als publiek. In Openbaring wordt de actualiteit van het getuigenis van Jezus geschetst. In 3:5 belooft Christus dat Hij zal getuigen ten overstaan van zijn Vader en de engelen. In 12:17 wordt het blijven bij het getuigenis van Jezus aanleiding voor strijd en vervolging door de draak. In 19:10 worden de volgelingen van Jezus tot zijn getuigen gemaakt, waarbij getuigen wordt gelijkgesteld met profeteren.

Het is van belang om erop te attenderen dat de trinitarische groet van vs.4b-5a de persoonlijke groet van Johannes is, direct verbonden aan een stukje kerugma en doxologie. Door het liturgisch gebruik van deze zegengroet leeft bij veel kerkgangers het idee dat dit een groet van God is. Maar het zijn de woorden waarmee Johannes de gemeenten begroet. Als dit woord in de kerkelijke liturgie na het votum door de voorganger wordt uitgesproken, is het dus zíjn begroeting van de gemeente. Het past minder goed om daar nog weer een andere persoonlijke groet aan te laten voorafgaan. Tegelijk is het bijzonder dat een mens (apostel, voorganger of wie dan ook) de gemeente genade en vrede van de drie-enige God toewenst. Of dit ook werkelijk als zegengroet wordt ontvangen (waardoor genade en vrede worden ervaren), hangt af van de receptie bij de hoorder. Die wordt mede bepaald door zijn visie op een zegenwoord, zijn relatie tot de voorganger en zijn verhouding tot God. Een christelijke groet roept door de goede goddelijke woorden bij de ontvanger een antwoord van geloof op. Het zet de communicatie (de brief van Johannes, de ontmoeting in een kerkdienst) direct in het teken van geloofsverbondenheid en goddelijke presentie.

Aanwijzingen voor de prediking

De combinatie van Hemelvaartsdag en de zegengroet uit Openbaring geeft de mogelijkheid om het gevoel van afscheid te overstijgen. Hoewel dit gevoel bij de toenmalige aanwezige leerlingen niet wordt genoemd (integendeel, er is sprake van blijdschap en verwachting), ligt het bij de huidige kerkgangers dichtbij. De inzet bij de zegengroet uit Openbaring 1 maakt dat de wereld als Jezus-ruimte te benoemen is: zijn aanwezigheid wordt opgeroepen door je te verdiepen in de woorden die over hem worden gesproken. Wie zich daarmee bezighoudt, ervaart en ontvangt de aanwezigheid van de Heer. Het is van belang om dit besef in de preekvoorbereiding te zoeken en om woorden te vinden om dit ook in de prediking te bemiddelen. Dan kunnen de hoorders vandaag eveneens met blijdschap en verwachting leven.

Om dit overtuigend te doen is voor de hoorders vandaag wel enige overbrugging nodig. Laat de noodzakelijke uitleg echter aangestuurd worden door de vragen van de hoorders en niet door een rationele bespreking van de tekstwoorden. Vragen van de hoorders zijn bijvoorbeeld: Hoezo zijn deze woorden ook voor mij bedoeld? Wie is dan Jezus Christus, die ons laat groeten? Wat is de kracht van zo’n zegengroet? Waarom is het voor mijn leven belangrijk dat hij ‘de betrouwbare getuige’ is? Om de kracht van de woorden te laten staan, moeten ongemakkelijke aspecten niet ongenoemd blijven. Het getuigenis van Jezus Christus bevat confronterende waarheden over onszelf, ons leven en onze wereld. Het benoemen daarvan in het licht van zijn liefde en missie werkt bevrijdend en motiverend. Hiervoor is gebruik te maken van de drievoudige omschrijving van zijn messiaanse werk.

Om de prediking (en de dienst) als performatieve gebeurtenis te ondersteunen, is directe en duidelijke taal nodig. Daarin kunnen Jezus’ woorden door de prediker op de lippen worden genomen, zodat ze in de homiletische situatie klinken. Probeer modale hulpwerkwoorden (mogen, zullen, kunnen enz.) te vermijden, maar communiceer in indicativi (‘Je leeft onder de belofte’) en imperativi (‘Blijf bij zijn getuigenis’).

Ideeën voor kinderen en tieners

Het idee van ‘groeten’ is voor kinderen uit te werken. Wat gebeurt er eigenlijk als je elkaar groet? Hoe vind je het om de groeten te krijgen van een bekende Nederlander? Iemand die overleden is, kan geen groeten meer overbrengen. Dus… als je iemand de groeten van een ander doet, is dat iemand die leeft en die aan je denkt! Probeer te voorkomen dat je met kinderen alleen in een uitleggende modus zit. Mooier is het als kinderen iets laten zien. Misschien kunnen ze – in de vorm van een rollenspel – elkaar (liturgisch) begroeten. Sprekender is het als ze jouw groeten kunnen overbrengen naar hun ouders. Nog mooier is het als ze jouw groeten (bijvoorbeeld in de vorm van een klein kaartje) aan een willekeurige kerkganger geven.

Liturgische aanwijzingen

Lezing van Handelingen 1:1-11 kan niet ontbreken. In de lied- en dienstboeken bieden de afdelingen rond Hemelvaartsdag voldoende suggesties. In de Psalmen is te denken aan Psalm 21, 24, 47, 72, 89, 110, 145.

Geraadpleegde literatuur

  • Dr.H.R.van de Kamp, Openbaring. Profetie vanaf Patmos. CNT-3, Kampen: Kok 2000.

  • Thomas Long, The Witness of Preaching. Second edition. Westminster: John Knox Press 2005.

< Terug