< Terug

Preekschets Psalm 10:1,14

Psalm 10:1,14

Negende zondag na Pinksteren

Waarom, Heer, bent u zo ver en verbergt u zich in tijden van nood?
Toch ziet u de pijn en het verdriet,
u merkt het op en weegt het in uw hand.

Schriftlezing: Psalm 10

Het eigene van de zondag

Deze tijd van het kerkelijk jaar is bij uitstek geschikt om van de leesroosters af te wijken en je eigen plan te trekken. Iedere zomer staat bij mij een aantal psalmen op het programma. En telkens weer blijkt hoezeer dat gewaardeerd wordt. ‘Preekt u dit jaar weer uit de psalmen, dominee?’ ‘Waarom vraagt u dat?’ ‘Ze zijn zo herkenbaar.’

Voor dit jaar koos ik vier psalmen met vier verschillende invalshoeken, drie daarvan kwamen niet eerder in de Postilles aan de orde: 10, 50 en 117; 139 wel, maar daar ligt ditmaal de nadruk op het laatste deel van de psalm. Vandaag de vraag naar God en het lijden.

Uitleg

Psalm 10 is het vervolg op Psalm 9. Daar lijkt alles nog goed te gaan. De dichter ziet God als een rechter die heerst vanaf zijn troon, die optreedt ten behoeve van alle armen en verdrukten in Israël. En de boosdoeners trekken aan het kortste eind.

Na de hoogte van Psalm 9 komen we in de diepte van Psalm 10 met direct aan het begin de waaromvraag. Voor wie bidt hij? Voor zichzelf of voor anderen? Het is allebei mogelijk, maar Luther schreef al dat hij de tolk is van ieder die het moeilijk heeft: de ellendige, de zwakke, de wees; mensen die zichzelf niet kunnen helpen. Zij worden bedreigd door mensen die de samenleving onleefbaar maken. Er heerst onderdrukking op allerlei gebied: bij de rechtspraak en op sociaal-economisch terrein; struikroverij en leugenpropaganda zijn aan de orde van de dag. De goddelozen maken de dienst uit; mensen die zich van God niets aantrekken: ik merk niets van Hem, ik mijn gang wel gaan, Hij ziet het toch niet.

De goddeloze is in de bijbel nooit de echte atheïst, die zegt dat-ie niet in God gelooft. De goddeloze is de mens die in theorie misschien wel gelovig genoemd worden, maar in feite Gods bestaan ontkent, met zijn daden – daar gaat het om.

De dichter reageert hierop: zo kan het niet langer. Daarom wordt hij de advocaat van allen die het moeilijk hebben: hier zijn ze, Heer, al die mensen die hun pijn en verdriet niet langer kunnen dragen: doe hun recht! Want wat er ook gebeurd mag zijn tussen Psalm 9 en Psalm 10, één ding is gebleven: de dichter houdt vast aan wat hij beleden heeft: God is een helper voor de arme en de ellendige. En daarom roept hij Hem aan.

Bijna alle psalmen – hoe vaak ze ook beginnen met de wanhoop en de twijfel – lopen goed af. Hoe is dat mogelijk? Men heeft wel gedacht aan een priester in de tempel, die de bidder verzekert dat God zijn gebed heeft verhoord (denk aan Eli en Hanna, 1 Sam. 1), maar er zijn weinig aanwijzingen voor een dergeüjke uitleg. Het is veel simpeler: al biddend heeft de dichter God weer gevonden; hij dacht dat God ver was, maar in zijn gebed heeft hij weer iets ervaren van de nabijheid van God. Vanuit de diepten, vanuit de vragen naar het waarom, komen mensen weer bij God terecht, ook in deze psalm. Want daar lezen we, zomaar ineens: ‘Toch ziet u de pijn en het verdriet, u merkt het op en weegt het in uw hand.’ God ziet het, het is dus bij Hem bekend. Maar er staat nog meer: Hij merkt het op (StV: aanschouwt), dat is meer dan zomaar kijken, het is zien met je hart. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk: ingespannen kijken, ijverig bestuderen. God bestudeert de pijn en het verdriet van mensen. Nu kun je bij kijken altijd nog op een afstand blijven, maar zo is het niet bedoeld, daarom staat er bij: God neemt het in zijn hand en om iets ter hand te nemen, moet je heel dichtbij komen, zegt Rothuizen. Hij wijst erop dat er twee vertalingen mogelijk zijn: God merkt het op ‘om het in zijn hand te leggen’ of ‘opdat men het in zijn hand legge’. In het eerste geval neemt God het leed ter hand, in het tweede leggen wij het in zijn hand. Maar het resultaat is hetzelfde: ‘God er niet afblijven, van mijn leed. Niet alleen met zijn ogen, ook niet met zijn handen.’ Hoeveel ernst Hij daarmee maakt, is wel gebleken in het leven van Jezus en zijn omgang met de mensen. Herhaaldelijk lezen we dat Hij mensen aanziet en met ontferming over hen bewogen is. Zo maakt Hij zichtbaar en tastbaar hoe God naar mensen kijkt, bewogen. En hoezeer Hij zich het lijden van de mensen heeft aangetrokken, bleek op Golgota. Daar klonk de vraag naar het waarom, indringender dan ooit: ‘Mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ Door die vraag van een psalmdichter over te nemen, maakt Hij de klacht van alle bange en wanhopige mensen tot zijn klacht. Volstrekt solidair met ons mensen: Hij is aan de mensen gelijk geworden tot-in-hun-vragen-toe!

Aanwijzingen voor de prediking

De vraag naar God en het lijden is een vraag die in het pastoraat steeds weer terugkeert. En ook in de catechese komt ze regelmatig ter sprake. Deze psalm biedt een goede mogelijkheid om de vraag aan de orde te stellen. Juist omdat hier het ‘waarom’ direct zo nadrukkelijk wordt uitgeroepen. Regelmatig kom ik mensen tegen die denken datje als gelovige niet moet vragen naar het ‘waarom’. Dat schijnt het toppunt van geloven te zijn: ‘Schijnen mij uw wegen duister, zie ik vraag u niet waarom.’ Maar die zin staat wel in het gezangboek, maar nergens in de psalmen.

Daar vragen mensen juist wel naar het ‘waarom’ in hun leven. Ze maken onbegrijpelijke dingen mee en vragen ‘waarom’, hartstochtelijk en intens. De ‘waaroms’ bestormen de hemel: ‘waarom hebt u mij verlaten?’, ‘waarom vergeet u mij?’, ‘waarom trekt u uw hand terug?’, ‘waarom slaapt u? ‘waarom verbergt u uw gelaat?’, ‘waarom verstoot u mij?’ Psalmdichters vragen juist omdat ze geloven. Ze zijn niet klaar met het raadsel van Gods leiding in hun leven en daarom blijven ze vragen. Maar omdat ze niet kunnen ophouden met geloven, kunnen ze vaak alleen nog maar vragend geloven.

Wij mogen dan onderscheid maken tussen klaag- en dankliederen, boete- en lofpsalmen, Israël doet dat niet. Voor een Jood zijn alle psalmen lofliederen. Tehillim heet het Psalmboek, lofliederen. Daar zit het woord Hallelujah in. God wordt kennelijk niet alleen geloofd met een uitbundig loflied. Wie God zijn nood klaagt, eert Hem ook!

Telkens weer blijkt dat de vraag naar God en het lijden alles met het Godsbeeld te maken heeft. Hier staat niet dat God pijn en verdriet aan mensen toebedeelt met zijn vaderlijke hand (al dan niet als straf of beproeving) en dat wij daar dan maar in moeten berusten. Ook niet dat Hij er onaangedaan aan voorbijgaat. Tussen die twee uitersten beweegt zich vaak het godsgeloof van de mensen. Maar wat de dichter zegt is iets anders: God ziet en aanschouwt pijn en verdriet, niet om het te zenden, niet om het te negeren, maar om het in zijn hand te leggen. Dat moet je je indenken: God die het opmerkt en in zijn hand legt en die daarmee ook de mens met zijn lijden in zijn hand neemt en draagt, door de pijn en het verdriet heen.

In Israël worden de waarom-vragen gezongen in de eredienst en zo maakt men zich tot tolk van alle lijdende en verslagen mensen. Als er dan ook ergens een plaats is waar de vraag naar het waarom vrijuit moet kunnen klinken, dan is dat de gemeente. Zodat mensen ervaren dat het toppunt van geloven niet is datje niet meer vraagt naar het waarom. Integendeel, dat het van intens geloven getuigt als je die vraag blijft stellen aan God, omdat je weet dat Hij er voor openstaat.

Liturgische aanwijzingen

Als evangelielezing: Johannes 10:14,15, 27-30 (opnieuw de hand van de Heer). De melodie van Psalm 10 is onbekend, maar uit ervaring weet ik dat zij na een paar keer voorspelen heel goed te zingen is; de verzen 1, 5, 6 moeten zeker een plaats krijgen. Bij de verootmoediging: Psalm 25:9 (moeite en verdriet); 10:7. Ook Psalm 42:1, 5, 7 verwoordt de klacht van deze psalm. Verder: Gezang 484 (Waarom…); 294 (bij de evangelielezing) en als slotlied of glorialied: Gezang 409.

Geraadpleegde literatuur

Als ik over een psalm preek, sla ik altijd G.Th. Rothuizen erop na. In zijn driedelige serie Gedachten over de Psalmen (Landschap, Kampen 1966-68) is vaak een opmerking te vinden die je aan het denken zet. Van de commentaren raadpleeg ik altijd: Nic. H. Ridderbos, zorgvuldig, grondig en inspirerend (KV, helaas niet verder dan tot Ps. 60). Veel exegetisch voorwerk is verwerkt in de serie van H.A. Visser (De Psalmen in onze tijd, Den Haag 1989-1991). Meer associatief dan exegetisch zijn de overdenkingen van Willem Bamard (Gepeins bij psalmen, Zoetermeer 2003), maar het is altijd de moeite waard om deze dichter te horen over zijn collega’s. En dan natuurlijk Kees Waaijman die, in de serie Verklaring van een bijbelgedeelte, de psalmen voor zijn rekening nam; eigen(zinnige) vertalingen, gevolgd door grondige exegese en afgesloten met een uitvoerig citaat uit hedendaagse literatuur. Bij deze psalm werd ik erg geïnspireerd door Rothuizen. Verder raadpleegde ik Waaijman (Psalmen vanuit ballingschap) en Visser (treffende voorbeelden uit de pastorale praktijk).

< Terug