< Terug

Preekschets Psalm 115:17,18 – Stille zaterdag

Psalm 115:17, 18

Stille Zaterdag

Niet de doden loven de heer, niet wie zijn afgedaald in de stilte, wij zijn het, wij zegenen de heer, van nu tot in eeuwigheid. Halleluja!

Schriftlezing: Psalm 115; Matteüs 27:57-66

Het eigene van de feestdag

Stille Zaterdag markeert de overgang van de lijdenstijd naar het Paasfeest. In de tekstkeus wordt die overgang tot uitdrukking gebracht in de aandacht voor de stilheid als negatief van en voorbereiding op de lofzang. De thematiek van de lofzang kan hier uitgediept worden doordat uit het geheel van de Hallelpsalmen nu één afzonderlijk centraal staat.

Uitleg

De psalm is duidelijk een lied dat gestempeld is door de eredienst. De priesterlijke liturgie kleurt het hele lied. Aan de ene kant betekent dat een onvoorwaardelijk gericht zijn op God: Niet ons, maar uw naam. Vertrouw op de Heer alleen. Om zijn zegen gaat het. Aan de andere kant levert dat fel verzet op tegen de dienst van de afgoden (maaksel van mensenhanden). Let op de inclusie die fraai de tendens van het lied ontsluit: het ‘Niet ons’ van het begin wordt hernomen in het ‘Maar wij’ van het slot.

De psalm krijgt door dit alles een ernstige lading. Dat vindt aan het slot van de psalm zijn toespitsing in de tegenstelling tussen de dood en de lof van God. Die twee gaan niet samen. Vanuit dat slot wordt duidelijk dat de psalm daar eigenlijk in zijn geheel over gaat: wie leeft voor God en Hem vertrouwt geeft Hem daarmee alle eer. Wie leeft voor zijn afgoden gaat op hen lijken en zal net zo dood als zij blijken te zijn.

Het slot van de psalm is zo een krachtig getuigenis omtrent de lof aan God. Zonder die lof is er geen leven. Daarmee vormen deze verzen tegelijk de kern van het hele Hallel. Een gedachte die overigens vaker in de psalmen terugkomt (vgl. Ps. 49:8-16, Ps. 94:17). ‘Loven is de existentie-vorm die de mens het meest eigen is. Loven en niet meer loven staan tegenover elkaar als leven en dood’ (Von Rad).

Tegen de ernstige achtergrond van het lied als geheel valt overigens de vrijmoedigheid van het slot sterk op: ‘Wij zijn het.’ De uitdrukking lijkt haast te sterk om zo te gebruiken tegenover de werkelijkheid van de dood. Het is immers ‘onmogelijk dat iemand voor altijd zou leven, de kuil van het graf nooit zou zien’ (Ps. 49:10). Toch is het geen grootspraak. Vertrouwen op Gods goedheid geeft de zekerheid van zijn redding. Zenger merkt op: ‘Het zegenen van de

Heer (door zijn schepsel, vers 18) correspondeert met de zegen van de Heer die leven geeft (vers 15).’

De plaats van Psalm 115 en het gebruik bij het Pesachfeest geeft aan de genoemde vrijmoedigheid precies de liturgische setting: wie het feest van Gods redding viert mag grote woorden spreken. Als ze maar verwijzen naar Hem. Dat is de lof op Gods naam.

Aanwijzingen voor de prediking

  • Het ‘stille’ van Stille Zaterdag mag in de dienst domineren. Voor de preek zelf betekent dat in ieder geval uiterste terughoudendheid in de lengte van de preek. En ook inhoudelijk staat de stilte centraal. Het is letterlijk de stilte van het graf.

  • In het graf komt de lofzang letterlijk tot stilstand. Als er geen mond meer is die zingt, komt God niet meer aan zijn eer. Dat is tegelijk het confronterende van Stille Zaterdag. Zijn stem is hier tot zwijgen gebracht. En dat terwijl Hij altijd zijn Vader zegende en dankte. Psalm 115 leert ons te peilen waar die stilte vandaan komt. Wie dood is brengt God niet meer de eer. Het graf van Jezus wordt zo een spiegel, waarin wij onze eigen dood onder ogen leren zien. Wie God niet eert is dood. Dit is het stille moment van inkeer in de dienst van Stille Zaterdag.

  • In het licht van Pasen wordt de vrijmoedigheid van de psalm invoelbaar. Niet de doden, maar wij… Het is ondenkbaar dat de lofzang voor God uitsterft. Alleen dat is al zo’n sterk woord tegen de dood. Alleen wordt wel duidelijk dat wij dat woord niet waarmaken. Dat ligt alleen in de macht en de Persoon van Hem die in het graf lag. Zijn dood heeft Hij nooit ter sprake gebracht zonder het uitzicht van de opstanding te noemen. Hier mag de preek verwachting onder woorden brengen.

  • Voorzichtig komt er, ook op Stille Zaterdag, ruimte voor de lofzang. De lofzang ontstaat daar waar wij in de diepte Hem ontmoeten die redt uit de diepte. De lofzang krijgt daar haar diepe inhoud: geprezen zij God die leven geeft.

Liturgische aanwijzingen

De dienst op Stille Zaterdag ademt ook de stilte. Wanneer de dienst een vrijer karakter en ordening heeft kan veel ruimte gemaakt worden voor lezingen die de stilte van het graf ook duiden: Psalm 30, 49, 88, 94. Die psalmen kunnen ook gezongen worden. Zie ook Lvdk Gezang 195. Tegelijk mag in deze dienst, hoe aarzelend misschien ook, ruimte komen voor de lofzang. Uiteraard is hier weer te denken aan de psalmen van het Hallel. Zie ook Psalm 135. Twee liederen die zowel de inkeer als de lofzang verwoorden zijn Gezang 175 en 372.

Geraadpleegde literatuur

Gerhard von Rad, Theologie des Alten Testaments, Bd. 1, München, 19696; F.-L. Hossfeldt/ E. Zenger, Psalmen 101-150. Übersetzt und ausgelegt(htkat), Freiburg, 2008.

< Terug