< Terug

Preekschets Psalm 116:8a

Psalm 116:8a

Jubilate

Ja, u hebt mijn leven ontrukt aan de dood.

Schriftlezing: Psalm 116

Het eigene van de zondag

Zowel het gepassioneerde karakter van Psalm 116 als zijn toespitsing in een uitbundig verwoord voornemen tot het brengen van lof en dank aan de Heer in de tempel te midden van zijn volk, is een goede reden om deze psalm te plaatsen op zondag Jubilate (juicht…; Psalm 66:1b). Dat dit lied, met zijn centrale thema van uitredding uit de dood, een plek mag krijgen in de paastijd heeft nauwelijks toelichting nodig. Bovendien maakt Psalm 116 deel uit van het zogenaamde Hallel (Psalm 113-118) dat door Jezus op de avond voor zijn sterven is gezongen. Uit Handelingen 2:24 blijkt dat Jezus’ leerlingen reeds verband zagen tussen het paasevangelie en de thematiek van Psalm 116.

Uitleg

Psalm 116 geldt als een ‘individueel danklied’. Hoewel reële ervaringen van redding uit een situatie van dood en dreiging aan de psalm ten grondslag kunnen liggen, schetsen de gebruikte metaforen vooral een modelbeeld van de arme, nederige bidder (vs. 6a, 10b, 15b) die, hoewel geplaagd door velerlei nood, de naam van de Heer blijft aanroepen (vs. 4, 13, 17). Hossfeld wijst naar de ‘armenvroomheid’ die ook uit Psalm 113 spreekt. Men hoede zich er echter voor de beelden te zeer te abstraheren. Het is goed voorstelbaar dat menige tempelganger na een uitredding uit concreet gevaar de woorden van deze psalm in gelovige herkenning opnam en beleed.

De persoonlijke formuleringen zijn ongetwijfeld mede de reden waarom Psalm 116 telkens weer velen aanspreekt. Te noemen is niet alleen de liefdesverklaring in vers 1-2, maar ook de belijdenissen van vertrouwen en toewijding in vers 10 en vers 16. Ook kleinere details, zoals de ‘Selbstaufforderung’ (Hossfeld) in vers 7-8 (‘Kom weer tot rust, mijn ziel’) en het toewendende suffix ‘uw’ in vers 19b (‘binnen uw muren, Jeruzalem’) versterken het doorleefde karakter van de psalm.

Hoewel de psalm zich niet makkelijk laat indelen, is een duidelijke orde in de gedachtegang herkenbaar. Na de samenvattende inleiding (vs. 1-2) beschrijft de dichter de doodsdreiging (vs. 2-4), Gods trouw (vs. 5-6), en de van Godswege ervaren redding (vs. 7-9). Vers 10 zet vervolgens op dezelfde wijze als vers 1 in met een verbum eerste persoon enkelvoud zonder direct object: ‘Ik heb vertrouwd.’ Hier zou men de aanvang van een tweede deel van de psalm kunnen onderkennen, dat de concrete vertolking van dankbaarheid in lofprijzing en het voldoen van geloften tot inhoud heeft. Septuaginta en Vulgata hebben beide delen (vs. 1-9 en 1019) zelfs als twee afzonderlijke psalmen onderscheiden. De herhaling en de uitwerking van kernwoorden en kernthema’s pleiten evenwel voor de eenheid van het lied.

Enkele details licht ik er uit. Men lette op de grammaticale constructie aan het begin. Het verbum ‘ahabti (ik heb lief) heeft geen direct object. De meeste vertalingen zijn dan ook onjuist (zie Allen). Hoewel de Heer conform de context zonder meer als impliciet voorwerp van de liefdebetuiging moet gelden, valt alle nadruk op de intensiteit van het ‘liefhebben’: ‘Ik heb lief want de Heer heeft gehoord.’ Terrien: ‘The cry “I love” without a direct object reveals the absolute degree of the psalmist’spassion for his God.’Een belangrijk argument om de masoretische tekst hier aan te houden is ook de parallelie met het reeds genoemde vers 10a.

Behalve het beeld van de bidder is ook het geschetste Godsbeeld van belang.

Vers 5 neemt de genadeformule van Exodus 34:6 op. Te midden van het doodsgevaar (drie keer mawet, dood; vs. 3, 8, 15), waarbij banden, angsten en boeien de beklemming onderstrepen, klinkt de belijdenis van het wezen van de Heer zoals Hij zich metterdaad aan Israël heeft laten kennen: genadig en rechtvaardig, een God van ontferming. Zo staan de machten van dood en verderf tegenover de trouw van God. En de laatste wint. Het emfatische ki aan het begin van vers 8 en het verbum chalats-pi’el (ontrukken/uittrekken) onderstrepen de verwondering en de spanning van de bidder: het was kantje-boord.

Ook in het tweede deel is de afwisseling en herhaling van woorden en thema’s fraai. Zo worden de verzen 11-12 in 15-16 en de verzen 13-14 in 17-19 opgenomen. Het delen van zowel de persoonlijke ervaring van uitredding als de belijdenis van toewijding als ‘èbèd (dienaar) van de Heer met heel het volk (14b, 18b) is de spits. Ook hier verwoordt de dichter hoezeer hij de ‘ontrukking’ van zijn ziel uit de dood (vs. 8) als een wezensactie van God beschouwt: de dood van de zijnen gaat God ter harte (vs. 15). De vertaling van yaqar (kostbaar, van gewicht) als ‘duur’ (Kraus) geeft de bedoeling van vers 15a goed weer, en omvat noties zowel van ‘waarde hechten aan’ als ‘pijn doen’ (NBV).

Mooi is het detail van de ‘beker der bevrijding’ (vs. 13a; zie excurs Kraus) dat ons het beeld van de concrete tempelviering met de gemeenschapsmaaltijden voor ogen stelt. Het element van ‘bevrijding’ grijpt terug op vers 6b. Opnieuw roept de dichter Gods naam aan (vs. 13b, 17b), nu echter niet in een angstig gebed om redding (vs. 4), maar om Hem te danken. De trits volk, huis, Jeruzalem (vs. 18b-19) geeft de cultische context van de psalm aan en wijst de chasidim (‘getrouwen’; vs. 15b) met nadruk de plaats waar de Heer dient te worden geprezen om zijn reddende nabijheid.

Aanwijzingen voor de prediking

De confrontatie met de dood kan mensen diep schokken. Het is goed daaraan in de preek ruimte te geven. Psalm 116 valt immers op door zijn openlijke en niets verbloemende spreken over de ervaring met doodsdreiging en doodsgevaar. In onze tijd heeft menigeen moeite met het bespreekbaar maken van de dood. Of de dood wordt dermate geciviliseerd en met rituelen ‘onschadelijk gemaakt’, dat dimensies van beklemming en verscheurdheid niet meer klinken. Psalm 116:3 tekent de dood daartegen als een actieve macht, die omknelt en aangrijpt. Het spreken hierover vereist pastorale tact, maar kan dan ook bevrijdend zijn.

Dat er niets mis hoeft te zijn met rituelen of rituele formuleringen laat Psalm 116 ook zien. Waarschijnlijk functioneerde de psalm als modelgebed waarin bidders hun geestelijke of materiële nood konden herkennen en verwoorden. Nog altijd is het waardevol dat, waar mensen soms geen woorden hebben, de gemeenschap van Gods volk woorden kan aanreiken die biddend mogen worden mee gestameld. Ook zo dragen leden van de Godsgemeenschap elkaar voort in de crises die een mensenleven kunnen beheersen.

Centraal in de verkondiging zou ik willen stellen de tegenstelling tussen de ervaring van de doodswerkelijkheid enerzijds en het vertrouwen op Gods ‘wezenlijke’ goedheid anderzijds. Hier raken we aan het paasgeloof van Gods volk van alle tijden. Aan deze belijdenis hebben smekelingen telkens kracht ontleend, ook als zij niet concreet de verhoring ervoeren die mogelijk ten grondslag ligt aan deze psalm.

In Handelingen 2:24 en volgende, dat deel uitmaakt van Petrus’ verkondiging van Jezus’ opstanding, wordt de kerngedachte van Psalm 116 opgenomen: God heeft de last van de dood van Jezus afgenomen. Zo viert de gemeente van Christus met de oude psalmwoorden Gods nieuwe, unieke heilsdaad van Pasen. En deelt ze in het geloof van de psalmist en de vierende tempelgemeente dat niet de dood, maar de ‘God van ontferming’ (vs. 5b) het laatste woord heeft.

De twee inleidende inzetten (‘Ik heb lief’, vs. 1; ‘Ik heb vertrouwd’, vs. 10) verdienen wel enige uitwerking in de preek. Ze houden verband met de voortdurende gerichtheid op God zelf in deze psalm. Een thema als ‘omgang met God’ kan hier aan de orde komen. Mooi is een opmerking van Miskotte in een meditatie over Psalm 57: ‘Gelijk (toppunt van vaagheid) Psalm 116 begint, zonder enig object, te zingen: Ik heb lief. Wie? Onnodig te zeggen!’

Men notere dat liefhebben en vertrouwen ook in Psalm 116 echte ‘werkwoorden’ blijken te zijn. Ze brengen de psalmist tot concrete daden: het volvoeren van geloften aan God en het delen van het heil met ‘heel het volk’. Zo zoeke ook de Pasen vierende gemeente, levend vanuit de geloofsrelatie met haar Heer, naar concrete vertolkingen en uitingen van vreugde, getuigenis en dienst.

Liturgische aanwijzingen

Een mooie nevenlezing is Handelingen 2:22-28. In dit gedeelte uit Petrus’ pinksterpreek zijn verschillende thema’s uit Psalm 116 herkenbaar. Bij de liederenkeuze kan behalve aan Psalm 116 gedacht worden aan andere ‘armenpsalmen’ (Psalm 86, 113) of psalmen met het thema van redding uit de dood (Psalm 30, 118). Verder Gezang 268, 406, 454 en paasliederen als Gezang 216 en 217 (Lvdk).

Geraadpleegde literatuur

Het genoemde citaat van Miskotte is te vinden in: K.H. Miskotte, Verzameld Werk 3. Preken en meditaties, Kampen 1997.

< Terug