< Terug

Preekschets Psalm 121

Psalm 121

Dertiende zondag na Pinksteren

lk sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp? Mijn hulp komt van de HEER die hemel en aarde gemaakt heeft.

Schriftlezing: Psalm 121

Het eigene van de zondag

Of je kunt of mag preken over psalmen is omstreden. Psalmen zijn immers in eerste instantie gebeden; hier spreken de mensen niet over, maar tegen God. Dit moet gevolgen hebben voor de manier van preken. Hoe we tot God kunnen en mogen spreken, is een centrale vraag van het geloof. De psalmen bieden daarom een schat aan voorbeelden. Vier zondagen in augustus en begin september lenen zich goed voor een hernieuwde kennismaking met de wereld van de psalmen.

Uitleg

Psalm 121 is een bekende en geliefde tekst, vooral omdat daarin geloof en vertrouwen in Gods bescherming tot uitdrukking komen. De laatste twee verzen van Psalm 121 worden vaak als zegen bij een rouwdienst uitgesproken. En ook de berijmde versie is geliefd in de eredienst.

Opbouw: 1aa opschrift; 1abb-2 bevestiging van het geloof; 3-8 troost en belofte.

Vers 1a Het (later toegevoegde) opschrift geeft aan het lied een bepaalde setting, het plaatst het geheel in de context van een pelgrimstocht naar wellicht Jeruzalem.

Vers 1bc De psalm begint met een verzuchting: ‘Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp?’ Het eerste gedeelte van deze zin spreekt tot de verbeelding van menig.exegeet. De interpretaties lopen nogal uiteen. Sommigen vermoeden dat we te maken hebben met een lied van uit de ballingschap teruggekeerden die nu de berg Sion ontwaren (o.a. Deurloo). Anderen denken dat de psalm een afscheidslied is van pelgrims die uit Jeruzalem naar huis terugkeren (o.a. Seybold). Kraus vermoedt dat hier een pelgrim bidt, wie in de bergen een ongeluk is overkomen, en Eigfeldt gaat ervan uit dat met deze woorden een bekeerde bemoedigend wordt toegesproken door een priester. Wat hier duidelijk uit blijkt, is dat de tekst het karakter van een ‘formulier’ heeft, dat in uiteenlopende situaties gebeden kan worden. Omdat hij openstaat voor verschillende biddende mensen die in de meest diverse situaties kunnen verkeren, kun je als interpreet ook allerlei ontstaanssituaties veronderstellen. Maar zekerheid over de oorspronkelijke setting is niet te verkrijgen en uiteindelijk voor het verstaan van de tekst ook niet van belang.

Ook al kun je de oorspronkelijke setting van dit gebed niet achterhalen, toch kun je wel veel over de inhoud zeggen. Het motief van de berg kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden:

  • De berg is een beeld voor God, die immers wel vaker wordt vergeleken met een rots of bergvesting. De berg staat dan voor macht, standvastigheid en onwankelbaarheid. Kijkend naar de bergen, roept de bidder voor zichzelf in herinnering dat God betrouwbaar is. Een klein probleem is echter dat God wel rots of bergvesting wordt genoemd, maar nooit har ‘berg’. Bovendien gaat het hier om bergen in meervoud.

  • De bergen zijn een toespeling op de offers die aan andere (af-)goden op hoogtes en bergen werden gebracht. Dan zou deze zin een tegenstelling vormen met het volgende vers: niet van de bergen, maar van de HEER komt mijn hulp.

  • Het Hebreeuwse woord har vinden we elders in de psalmen vooral in de context van God als schepper, waarbij de bergen ook als scheppingen genoemd worden (bijv. Ps. 90:2), of van Gods macht (bijv. Ps. 95:4; 97:5).

Gezien het vervolg lijkt mij de derde mogelijkheid het meest aannemelijk, omdat daar schepping en macht van God gethematiseerd worden.

In een klaaglijk aandoende vraag maakt de bidder duidelijk dat hij op zoek is naar hulp. Deze vraag doet denken aan de dringende vragen uit de klaagpsalmen (vergelijk bijvoorbeeld Ps. 13). In tegenstelling tot deze psalmen volgt hier op de vraag gelijk het antwoord:

Vers 2 ‘Mijn hulp komt van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft’ – dit klinkt als een geloofsbelijdenis. Opmerkelijk is dat de bidder zijn vertrouwen in de macht van God beredeneert met een verwijzing naar God als schepper van hemel en aarde en dus ook van de bergen. Deze zin die voor onze oren zo vertrouwd klinkt, is in zijn context bijzonder en nieuw. Bovendien heeft hij veel invloed op de joodse en christelijke liturgie en theologie gehad.

Vers 3-4 Opeens wisselt de focus: in vers 2 spreekt een ik, nu gaat het om een jij, wie de belofte wordt toegesproken. Een God die zelf niet slaapt en daardoor ook niet verzuimt menselijke nood op te merken, is voor ons een vanzelfsprekendheid. Maar in de wereld van toen kende de bidder van deze psalm goden die op het ritme van de dag of het jaar gingen slapen en weer ontwaakten (vergelijk de spottende Elia in 1 Kon. 18:27). De Heer is een altijd alerte wachter, voor het individu (vs. 3) en voor heel Israël (vs. 4).

Vers 5-6 Voor de derde keer klinkt de belofte:.‘De Heer is je wachter.’ Dat de wachter niet alleen alles opmerkt maar ook bescherming biedt, blijkt uit de volgende metafoor: ‘De Heer is de schaduw’. Dit beeld komt in’een zuidelijk land als Israël heel wat overtuigender over dan in Nederland: God beschermt de mensen tegen de brandende zon. In het Oude Testament komen we dit beeld vaker tegen,- vergelijk bijvoorbeeld Psalm 91:1. De maan die aansluitend genoemd wordt, staat voor de nacht. Zon en maan samen staan dus voor de dag en de nacht, voor de hele tijd, altijd (net zoals in Ps. 72:5).

Vers 7-8 Hier wordt uitgelegd wat eerder met behulp van beelden is gezegd: God zal je beschermen. Daarbij ligt de nadruk op de totaliteit: ‘Voor alle kwaad.’ Dezelfde totaliteit geldt voor de tijd: ‘Je leven’ en ‘Van nu tot in eeuwigheid’, en ze geldt ook voor de plaats: ‘Over je gaan en je komen’, dus waar je ook bent en waarheen je ook gaat. Sommige exegeten vermoeden dat vers 7-8 vanaf het begin een liturgische zegenformule was.

Samenvatting en conclusies

Het gaat in deze psalm om de belofte van Gods waakzaamheid en beschermend handelen. Dat wordt al duidelijk door het woordgebruik: sjamar- ‘bewaken, behoeden’ komt in de acht verzen wel zes keer voor. Deze belofte geldt zonder beperking in tijd, plaats of anderszins. Altijd, overal en voor alle kwaad beschermt God. Interessant is de wisseling van spreker en aangesprokene: in vers 1 en 2 komt het ik van de bidder aan bod, in vers 3:8 volgt een zegen, een belofte voor een jij.

Aanwijzingen voor de prediking

De psalm biedt verschillende invalshoeken voor een preek. Drie ervan wil ik hier noemen:

  • Psalmen zijn als gebedsformulieren een aanbod ook voor ons om te leren bidden en te praten over het geloof. Een voorbeeld voor hoe je vanuit verschillende situaties een en dezelfde tekst kunt en mag gebruiken is vers 1 (vergelijk de exegese boven). Dit vers kan op zeer verschillende manieren worden opgevat – en vele duidingen zijn goed! Psalmen te kennen, is dus de moeite waard, omdat ze woorden leveren die in diverse situaties hulp kunnen bieden. Misschien is het bij deze gelegenheid ook goed erop te wijzen dat de psalmen uit het Liedboek ontleend zijn aan het Psalter in het Oude Testament (en niet altijd hetzelfde zeggen). Velen denken bij ‘psalmen’ namelijk alleen aan het Liedboek.

  • Deze psalm kun je lezen als een gesprek over het geloof. In het begin staan de woorden van iemand die zoekt, die nadat hij vraagt: ‘Van waar komt mijn hulp?’, zelf een belijdenis durft uit te spreken. Dit kan ons ertoe brengen ook zelf openlijk tot God te spreken als we op zoek zijn naar zekerheid, naar veiligheid of naar geloof in God. In de psalm spreekt een ander deze zoekende Gods zegen toe. Het is goed bij onszelf na te gaan of we ons de belofte van Gods bescherming willen en kunnen laten toespreken. Of, vanuit een ander perspectief: zien wij wie deze belofte nodig heeft en durven wij die de ander toe te spreken? (Daar hoef je geen dominee voor te zijn.)

  • De zegenbede van vers 7-8 is niet toevallig een deel van de uitvaartliturgie. Aanleiding hiervoor is de volgorde van werkwoorden in vers 8: ‘Over je gaan en je komen’. Dit kun je opvatten in die zin datje eerst dit leven gaat verlaten en dan Gods Koninkrijk binnenkomt. Hier in dit leven zijn we altijd onderweg, en het overlijden is tegelijk een binnenkomst bij God. Hier belooft God over ons te waken en ons te beschermen. Van ons vraagt deze belofte moed om te geloven en te vertrouwen.

Martin Luther zegt in zijn uitleg over Psalm 121: … Obdu ruhst oder tust, soist der Herr gegenwärtig. Zu keiner Zeit also, an keinem Ort, vor keiner Person und keinem Dienst sollst du erschrecken und sorgen. Das heißt den Sinn des ganzen Psalms in universaler Kürze zusammengezogen, als wollte er sagen: ich bin der Schöpfer (des) Himmels und der Erde und darum auch der Hüter deines Leibes und deiner Seele Tag und Nacht und Vertreiber alles Unglücks. Das heißt den Glauben lehren, der nicht als eine kalte Qualität in der Seele liegt […]’ (Luther, 461).

Liturgische aanwijzingen

Mogelijke combinatie van lezingen: Psalm 121; Matteüs 28:20. Psalm 121 nodigt uit om in de liturgie aandacht te besteden aan (het zingen van) psalmen in diverse vormen. Lied, gebed en zegen(bede), het is alles in de leerschool van de psalmen te vinden.

< Terug