< Terug

Preekschets Psalm 138:8 – Oudjaar

Psalm 138:8

De Heer zal mij altijd beschermen.
Heer, uw trouw duurt eeuwig,
laat het werk van uw handen niet los.

Schriftlezing: Psalm 138

Het eigene van de dienst

De oudejaarsdienst heeft een bezinnend karakter. Kenmerkend voor de eindejaarsperiode zijn de ‘hoogtepunten uit het nieuws’ en de ‘jaaroverzichten’. Hier sluit de kerkdienst deels bij aan. De gevoelens die dat met zich meebrengt hebben een legitieme plaats. Daarmee hoeft de preek nog geen tijdrede te worden. De verkondiging wijst juist op de trouw van God.

Psalm 138 is een danklied. De dichter heeft veel meegemaakt. Te midden van moeiten en zorgen heeft hij Gods genade en trouw ervaren. Hij getuigt daarvan, maar doet er verder geen mededelingen over. De focus richt zich veeleer op de gunst en goedheid van de Heer. Zó wordt er ten slotte beleden en gebeden.

Uitleg

De psalmen 138 tot en met 145 vormen een verzameling psalmen die aan David wordt toegeschreven. Uit Psalm 138 valt echter geen Davidisch auteurschap af te leiden. Evenmin valt er over de datering iets met zekerheid te zeggen.

De psalm is onderverdeeld in drie strofen: verzen 1-3,4-6 en 7-8. Het middengedeelte vormt door de viervoudige vermelding van de godsnaam een eenheid. De twee andere strofen – met als leidmotief de redding uit de nood, vgl. w 3, 7 – omgeven het midden.

De psalm begint met een duidelijke intentieverklaring: ‘Ik zal U loven met mijn gehele hart’ (vs. la). Met dit hoge woord aan het begin is de toon voor wat er verder volgt gezet. Het karakter van de gehele psalm is er een van lof en dank.

De intentieverklaring ondergaat een soort theologische uitbreiding. ‘Temidden van de góden zal ik voor U zingen’ (vs. lb). Valeton houdt twee opties open, waarvan de eerste mij het meest aanspreekt. Met ‘góden’ zijn de góden van de volkeren rondom Israël bedoeld. Jhwh zou zich door zijn bemoeienis met de dichter als de hoogste God hebben bewezen. Daarom laat deze zich er niet van weerhouden zijn lied ter ere van Jhwh te zingen, de afgoden tartend. Mogelijk zijn met de góden hemelwezens (hemelingen) bedoeld. In dit geval is de hemel voor de dichter met goddelijke wezens bevolkt. Zij zijn er dan getuigen van hoe de dichter God lof en dank brengt.

De psalmist buigt zich neer in de voorhof, in de richting van de tempel, om de Naam van God te loven (vs. 2). Deze Naam is uitdrukking van de wonderlijke tegenwoordigheid van Jhwh. Waar de Naam is, daar is Jhwh zelf in zijn genadige toewending (vgl. 1 Koningen 8:29). De dichter wil de Naam loven vanwege de ervaren gunst en trouw van Jhwh in zijn leven. Hij getuigt van verhoring op het gebed en ook van nieuwe moed en kracht.

De tweede strofe opent met een groots en wijds vergezicht. ‘Alle koningen der aarde zullen u loven, Heer’ (vs. 4). Hier komen de einden der aarde in het vizier en wel vanuit de persoonlijke ervaring van de dichter, die eraan voorafgaat. Het zal de koningen net zo vergaan als de dichter zelf. Zij zullen de lof van Jhwh aanheffen. Waarom anders dan omdat zij gehoord hebben de woorden van zijn mond? Gods eigen woorden zijn dus de motiverende kracht. Deze woorden worden niet nader bepaald. Bedoeld moeten zijn de beloften van God, die in de redding van de dichter vervuld blijken te zijn. Ditzelfde geldt voor ‘de wegen van de Heer’ (vs. 5). Deze wegen worden evenmin nader omschreven, maar duiden in meer algemene zin op het handelen van God, waaruit zijn heerlijkheid blijkt. Zou een dergelijke hoge verwachting aan het adres van de koningen der aarde niet in de eerste plaats de koningen van Israël gelden? Want zij zijn toch bijzondere representanten van de macht van Jhwh en getuigen van zijn heerschappij (vgl. Ps. 89:28)? Toch blijkt hier duidelijk sprake van een universele verwachting. Het handelen van God zal uiteindelijk ook vreemde koningen en volken brengen tot de lof van zijn Jhwh (vgl. Ps. 22:28, 47:2, 66:8, 67:4, 6, 68:33, 96:7 en 102:16, 17).

Ik vat vers 6 op als verklarende toelichting bij de ‘heerlijkheid van Jhwh’, die zich openbaart in het aanzien van de arme en het van verre kennen van de hoogmoedige. Dit is typisch een karakteristiek van Jhwh. ‘De Heer is hoogverheven! Naar de nederige ziet Hij om, de hoogmoedige doorziet Hij van verre.’

De psalm sluit af met een persoonlijk belijden (vs. 7, 8). Deze slotverzen sluiten direct aan op vers 3. Te midden van gevaren zal de dichter hulp en heil van Jhwh ontvangen.

Ten slotte valt op dat de gewone liturgische formulering, dat de gunst van de Heer voor eeuwig is (vgl. Ps. 136), door de dichter aan het slot wordt opgenomen en tot grond van het gebed wordt gemaakt.

Aanwijzingen voor de prediking

De meeste hoorders zullen bedenken wat het afgelopen jaar hun bracht. Hier treden ook meteen de verschillen naar voren. Persoonlijke omstandigheden zullen sterk variëren. Voor de een zal vreugde de boventoon voeren, voor de ander verdriet.

Psalm 138 biedt ruimte aan dergelijke uiteenlopende ervaringen en stelt ze in de toonzetting van lof en dank. De persoonlijke inslag van deze psalm (vgl. strofe 1 en 3) kan gebruikt worden als brug in de richting van de hoorders. Vers 3 en 7 maken duidelijk dat de dichter veel heeft meegemaakt. Er was zorg en moeite en mogelijk zullen die er weer zijn. De dichter maakt dit niet concreet, maar spreekt wel duidelijke taal. Hij spreekt over een weg vol gevaren, ook noemt hij het woeden van de vijanden (vs. 7). De lof klinkt dus niet goedkoop. Hij komt op vanuit redding uit de nood. Velen zullen dat herkennen. Is het niet de ervaring kracht te krijgen boven eigen kunnen? In de preek hoeft dit niet breed uitgemeten te worden. Kort benoemen is voldoende om het aansprekend te laten zijn. Bovendien weten betrokkenen zelf het best welke kostbare beleving hier aan de orde is.

Aanvankelijk nodigt de preek de gemeente uit het afgelopen jaar te gedenken. Het is een moment om persoonlijk stil te staan bij ervaringen die het jaar kleuren. Maar dit is slechts bij wijze van opstap. Want Psalm 138 maakt duidelijk dat de dichter zijn ervaringen niet centraal stelt, maar de ervaring van Gods trouw en goedheid daarin. Hij zwijgt zelfs over zijn kostbare belevenissen. Blijkbaar gaat dat niemand iets aan! Wat er wel toe doet is wat God doet Zijn handelen verandert mogelijk niets aan de feitelijke omstandigheden, maar betekent nieuwe moed voor de mens in nood.

‘Toen ik u aanriep, hebt u geantwoord, mij bemoedigd en gesterkt’ (vs. 3). Dit vers is dan ook de nieuwswaarde van de verkondiging. God geeft moed en kracht. En de gemeente weet uit ondervinding wanneer dit ervaren wordt: meestal als het leven tegenzit. Het tweede couplet uit de berijming van deze psalm is wat dat betreft illustratief: ‘Als ik welhaast ten offer viel, hebt Gij mijn ziel weer doen herleven.’

In de oudejaarsdienst dankt de gemeente God voor het afgelopen jaar. Dat betekent ook dat de moeilijke momenten die er waren niet vergeten of verdrongen hoeven te worden. Hier ligt wel een pastoraal gevoelig punt. Wat te zeggen tot degenen die ramp en tegenspoed meemaken en zich daarin volstrekt alleen weten? Het komt de geloofwaardigheid van de preek niet ten goede als deze vraag wordt overgeslagen. Deze vraag zal zich uitstrekken tot in de voorbeden.

Wat betreft het loven reikt de psalm verder nog twee punten aan. De dichter looft God te midden van de góden (vs. 1). Hun bestaan wordt niet ontkend, maar wel gerelativeerd. Er zit blijkbaar iets non-conformistisch in het loven van God. Het roept de vraag op hoe vrij wij zijn tegenover heersende trends in onze tijd en cultuur. Het loven van God is wat dat betreft een goede oefening. De preek maakt duidelijk dat de lof van God werkt als tegengif. Het stelt ons leven in relatie tot God. Dat ontmaskert de góden rondom ons. Anonieme machten en krachten worden gerelativeerd waar Gods naam beleden wordt in lof en dank. En de uiteindelijke grond hiervan is niet onze vroomheid, maar het wonder dat God zich toont (vgl. vs. 6). Dat geeft nieuwe moed en kracht. De lof van God relativeert dus niet alleen. Hij is ook kracht voor de ziel. ‘Er is niets, dat den mensch meer spreekt van de grootheid Gods, dan dit: zich te weten door God geantwoord en bemoedigd en met sterkte omgord’ (Valeton, 356). Hier komen we bij de bron van alle zingeving. Gods lof raakt niet alleen de mens in zijn persoonlijke existentie. Hij heeft verstrekkende gevolgen. Vanuit de diepte van het mensenhart komen de einden der aarde in het vizier. Uiteindelijk zal de lof wereldwijd klinken. Dat is ook de reden om de toekomst met vertrouwen tegemoet te gaan. De persoonlijke ervaring van Gods gunst in het verleden zal zich wereldwijd verbreden en uitstrekken tot in de verste toekomst.

Een ander aanknopingspunt voor de preek kan gevonden worden in de viervoudige vermelding van de godsnaam. ‘God heeft een naam, Hij is niet het nameloze; God is niet het Al, Hij wordt gekend als een werkelijkheid, die zich in de wereld van de wereld onderscheidt’ (Miskotte, 34). Dat God een naam heeft duidt zowel op de kenbaarheid van God als op zijn aanspreekbaarheid. ‘En zo waarachtig als de Naam niet leeg is, zo waarachtig blijft het noemen niet ijdel’ (Miskotte, 37). Hier kan de preek ingaan op de betekenis van het gebed, waarvan geldt: wie zoekt, die vindt, wie vraagt wordt geantwoord (vs. 3), wie klopt wordt opengedaan. Deze ervaringsgegevens uit de oefenschool van het gebed corresponderen met het getuigenis van Psalm 138.

Het slotvers van de psalm opent met een credo: ‘De Heer zal mij altijd beschermen’, vs. 1. Dit is niet alleen de gevolgtrekking uit de lotgevallen van de dichter. Meer nog is het karakteristiek voor het handelen van God (vgl. Ps. 57:3). De liturgische zegswijze in het middendeel: ‘Heer, uw trouw duurt eeuwig’ (vgl. Ps. 136) is de grond van het belijden dat eraan voorafgaat en de bodem van het gebed dat erop volgt. ‘In deze psalm spreekt een gevoel van blijde gerustheid. Vooral vers 8 is in dit opzicht toongevend’ (Valeton, 354).

Liturgische aanwijzingen

Liederen: Psalm 67; 107; 113:1,2; Gezang 9, 397,398en412. Naast Psalm 138 kan uit het Evangelie worden gelezen: Lucas 11:5-13. De dienst is kort en sober. Op de oudejaarsavond past een dienst van vesper en completen.

Geraadpleegde literatuur

J.J.P. Valeton, De Psalmen. Deel 2, Nijmegen 1913; L.C. Allen, Psalms 101-150, WBC Vol. 21, Texas 1983; K.H. Miskotte, Bijbels ABC, Baam 1977.

< Terug