< Terug

Preekschets Psalm 139:1-2, 23-24

Psalm 139:1-2, 23-24

Twaalfde zondag na Pinksteren

Heer, u kent mij, u doorgrondt mij, u weet het als ik zit of sta,
u doorziet van verre mijn gedachten.
Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,
peil mij, weet wat mij kwelt, zie of ik geen verkeerde weg ga,
en leid mij over de weg die eeuwig is.

Schriftlezing: Psalm 139

Het eigene van de zondag

Als laatste psalm in deze serie: 139. Ik ken geen psalm die bij zo veel gelegenheden van toepassing is. Ik heb erover gepreekt in doop- en belijdenisdiensten, bij een huwelijk en in rouwdiensten (eenmaal bij de dood van iemand die zelf een einde aan haar leven had gemaakt: God heeft haar gekend en doorgrond).

Uitleg

Bij de voorbereiding van een preek over een psalm kijk ik vaak even wat ds. H.A. Visser erover zegt (zie 13 juli, liturgische aanwijzingen). Meestal herken ik wat hij schrijft en spreekt het me aan. Zo niet bij deze psalm. Visser vindt het een psalm die eigenlijk niet in het bijbelse denken past (deel 6, 160). Een typerend citaat: ‘De dichter heeft helemaal vergeten, dat God, die hij vastpende in Zijn eigenschappen, Zijn “volkomenheden”: alwetendheid, alomtegenwoordigheid, voorzienigheid, waardoor Hij het kille, koele, afstandelijke product wordt van puur verstandelijke redenering, een dénkconstructie, in de allereerste plaats de God is die liefde is’ (Visser, 163).

Hier begrijp ik helemaal niets van. De dichter heeft het nergens over die al- woorden: alwetend, alomtegenwoordig. Hij heeft het niet over de eigenschappenvan God, maar over zijn ervaringen met God, en dat is heel wat anders! Hoe iemand die zo serieus en zorgvuldig naar de psalmen luistert nu zoiets hieruit lezen? Ik vermoed vanwege de oude berijming, die vastzit in zijn hoofd en waar ik zelf ook mee opgegroeid ben: ‘Niets is, o Oppermajesteit, bedekt voor uw alwetendheid. (…) Wat ik beraad of wil betrachten, Gij kent van verre mijn gedachten.’ En ook het opschrift droeg daaraan bij: ‘Gods alwetendheid der vromen troost…’ Maar dat staat haaks op de bedoeling van dit lied, het gaat om heel andere woorden als tederheid, intimiteit, warmte, geborgenheid. Telkens weer valt het mij op dat jongeren daar een antenne voor hebben. Als je een jeugddienst voorbereidt: ‘Wat zingen we?’ ‘139.’ Als je met de catechisantendienst bezig bent: ‘139.’ Bij de voorbereiding van de belijdenisdienst: ‘In elk geval ‘Ja, die zeker!’ En als ik vraag waarom, zegt een meisje: ‘Heer, die mij ziet zoals ik ben, dieper dan ik mijzelf ooit ken – dat is het helemaal.’ En een ander citeert het tweede vers: ‘Gij zijt zo diep vertrouwd met mij.’ Zij hebben de psalm leren kennen in de nieuwe berijming en zijn duidelijk niet belast door de oude.

Het is onbegonnen werk om de gehele psalm te bespreken; daarvoor verwijs ik naar vorige Postilles’, ik beperk me tot twee aspecten: het kennen van God en het laatste deel van dit lied.

  • De vertalers die in hun opschrift over Gods alwetendheid spreken, hebben er weinig van begrepen. ‘Kennen’ heeft hier niet zozeer te maken met verstand, maar met het hart. In bevindelijke kringen spreekt men over de kennis des harten. In vroeger tijd als een jongen ‘vaste verkering’ had, zei men: ‘Die jongen heeft kennis aan dat meisje.’ Dat is een diepe waarheid, want het betekent niet dat hij weet hoe ze eruitziet, welke kleur ogen ze heeft, waar ze woont en zo, maar dat hij haar kent met zijn hart en zij kent hem met haar hart. Over die kennis gaat het hier, die nabijheid, die verbondenheid. Dat blijkt trouwens ook uit het Hebreeuwse werkwoord yada, kennen, dat elders wordt gebruikt voor het meest intieme tussen twee mensen, de gemeenschap van man en vrouw; in de StV dan ook vertaald met ‘bekennen’ (Gen. 4.1). Het is het kennen dat helemaal doortrokken is van liefde. Het gaat bij yada om ‘leren kennen in de omgang, in een ontmoeting. Het is steeds ervaringskennis’ (Pop, 329w). Gods verbondenheid met mensen leidt ertoe dat zij Hem leren kennen. Psalm 139 is het lied van een mens die daarover niet uitgedacht raakt.

  • Het vierde deel van de psalm roept weerstanden op: ‘God breng de zondaars om (…). Zou ik niet haten wie u haten?’ Bamard spreekt van ‘de laag-bij-de-grondsheid van vs. 19- en ‘de hoge vlucht van gedachten eindigt in een glijvlucht en een crash’. Bij een preekvoorbereiding met jongeren noteerde ik: ‘Dit deel valt volledig uit de toon.’ ‘Hier ik niets mee.’ ‘Het lijkt verdacht veel op het geloofsfanatisme van moslimfundamentalisten.’ ‘Laten we dat slot maar overslaan.’ Ja, wat moeten we hiermee? Weglaten? ‘Maar dat wel?’ vroeg één van hen terecht. ‘Maken we het onszelf dan niet te gemakkelijk? Het hoort er wel bij.’ Inderdaad en daarom ga ik daar wat dieper op in. Het lijkt soms alsof de dichter in hoger sferen verkeert met zijn verheven gedachten over God. Maar hij vergeet geen moment dat wij leven in een gebroken wereld. Juist omdat God zo geweldig is in zijn liefdevolle aandacht voor de mens, is het voor hem onverdraaglijk dat er mensen zijn die liefdeloos met hun medemensen omgaan. Zondaars, kwaadsprekers, vijanden, haters, noemt hij hen. Het slot van de psalm is een hartstochtelijk gebed om gerechtigheid. Dat woord ‘haten’ is voor veel lezers een struikelblok, en terecht. Maar we moeten wel bedenken, ook Bamard wijst daarop, dat zowel haat als liefde in de bijbel een zaak van het hart is, ‘maar dat het hart niet het centrum van het gevoel is, maar van de wil. Haten is dus wegwensen, maar meer dan dat: wegsturen, uit je nabijheid verwijderen, geen omgang ermee willen hebben.’ Daarmee zijn we wat meer op het spoor van de dichter, maar is dat wel het rechte spoor? Dat vraagt hij zichzelf ook af in die laatste verzen. Het is alsof hij zich met een schok realiseert dat hij toch wel erg ver gaat in zijn oordeel over anderen, misschien wel te ver. En daarom besluit hij zijn lied met een uitroep waarin de beginverzen over God die hem kent en doorgrondt, terugkeren in de vorm van een gebed: ‘Doorgrond mij, God en ken mijn hart, peil mij, weet wat mij kwelt.’ Inderdaad, daar gaat het om: hij wordt gekweld door al het onrecht en daarom reageert hij zo fel. God kent hem en Hij begrijpt hem, maar juist daarom is het nodig dat Hij hem de rechte weg wijst.

Aanwijzingen voor de prediking

Opnieuw een paar mogelijke invalshoeken.

  • Aan belijdeniscatechisanten die Psalm 139 kozen als tekst voor de preek, vertelde ik over mijn verbazing dat dit lied bij hen zo geliefd is, ‘want toen ik zo oud was als jullie zou ik deze psalm nooit gekozen hebben’. En ik vertelde hun wat ik geleerd had in de oude berijming en legde die naast de nieuwe, waarmee zij waren opgegroeid. Prompt zeiden ze: ‘Dan moet u daarmee de preek beginnen!’ Dat heb ik gedaan en ik heb ervaren dat het werkt: een vergelijking van de oude en de nieuwe berijming biedt een goede gelegenheid om duidelijk te maken dat het kennen van God door de dichter niet als bedreigend, maar als bevrijdend ervaren wordt. Dat het niet gaat om de grote al-woorden, maar om in liefde gekend worden.

  • Wat het slot van deze psalm betreft: heel veel aanwijzingen voor de prediking heb ik al verwerkt in de uitleg. Met mijn catechisanten heb ik het indertijd zo gedaan: neem iemand in gedachten van wie je geweldig veel houdt. Die alles voor je betekent, waar je voor door het vuur gaat. Denk je nu eens in dat iemand over die geliefde lelijke dingen zou zeggen, kwaad zou spreken, wat zou je doen? Je wordt ontzettend boos en zegt: maar dat laat ik niet gebeuren, zijn ze nou helemaal? Nu terug naar de psalm. Dan is het toch niet zo vreemd dat die dichter zo reageert? Voor hem is God alles. Geen wonder, als God zo vertrouwd is met jou, dat je dan woedend reageert als anderen Hem onrecht doen. Dan slaan de stoppen bij hem door. Maar daarmee eindigt dit lied niet. Het lijkt wel alsof de dichter geschrokken is van zichzelf, zoals wij dat ook zijn als we woedend worden: ben ik dat, zou ik dat kunnen zeggen? Ja, die is levensgroot. Dan schrik je van jezelf. Heer, doorgrond me, zie of ik op de verkeerde weg ben. Aan het eind van de psalm is hij weer terug bij het begin: dit is het gebed van een mens die ontdekt heeft dat hij gedragen wordt door de liefde van de Heer.

Liturgische aanwijzingen

Psalm 139 moet uiteraard zo veel mogelijk gezongen worden, liefst door heel de dienst heen. Daarnaast is te denken aan: Gezang 487 (God die ons kent), 472 (zoeken naar geborgenheid). Verder als tafelgebed: Gij die weet (Huub Oosterhuis, Gezongen liedboek, Kampen 1993,176). Schitterend vind ik de sonnetten die Jan Kal maakte bij deze psalm (1000 sonnetten, 1997, 436w); ze zijn uitstekend te gebruiken in de liturgie.

Geraadpleegde literatuur

Visser (deel 6), Bamard (Lofzang is geen luxe, Zoetermeer 2005) en Kees Waaijman (Psalmen over de schepping, Kampen z.j.). Pop (F.J. Pop, Bijbelse woorden en hun geheim, Den Haag 1964, 329w) gaat uitvoerig in op alle aspecten van ‘kennen’.

< Terug