< Terug

Preekschets Psalm 148

Laten zij loven de naam van de HEER,
alleen zijn naam is hoogverheven,
zijn luister gaat aarde en hemel te boven.

Psalm 148:13

Het eigene van de zondag

Bij deze zondag is weinig bijzonders te vermelden. Het is een zondag door het jaar heen. Daarom ligt het voor de hand om te kiezen voor een tekst uit het Oude Testament.

Uitleg

Deze psalm is de middelste van de laatste vijf psalmen in het bijbelboek Psalmen. De laatste vijf psalmen (Psalm 146-150) vormen de afsluitende climax. Alle zijn het ‘halleluja-psalmen’: ze beginnen en eindigen met de oproep ‘halleluja’, loof de Heer. Psalmen die God loven en prijzen en vooral ook anderen oproepen mee te doen. Dat het er vijf zijn, wordt wel in verband gebracht met de vijf boeken van Mozes. Voor elk van de vijf boeken van de thora is er een lofzang op de Heer.

Zeker in Psalm 148 komen thema’s voorbij die doen denken aan de thora. Allereerst de aandacht voor God als Schepper (vers 5-6; vgl. Genesis 1) en vervolgens Gods zorg voor het welzijn van Israël en het gegeven dat God dichtbij zijn volk is (vers 14; vgl. bijbelboek Exodus: God die Israël bevrijdt en bij hen wil wonen).

Psalm 148 onderscheidt zich van de andere ‘halleluja-psalmen’ doordat de oproep om de Heer te loven gedaan wordt aan een hele lijst dingen en mensen. Andere psalmen geven vaak redenen waarom de Heer geloofd moet worden (bijvoorbeeld Psalm 146 en Psalm 147) of op welke manier de Heer geloofd moet worden (bijvoorbeeld Psalm 150). Maar Psalm 148 roept alles en iedereen op om te loven, van hoog tot laag. Want dat is de beweging die er zichtbaar wordt in de psalm. De psalm bestaat uit twee delen: 1-6 en 7-14. Het eerste deel betreft de bewoners van de hemel, het tweede deel de bewoners van de aarde. Bij beide groepen wordt een reden gegeven waarom zij de naam van de Heer moeten loven (vers 5a en 13a). Voor de hemelbewoners is dat het gegeven dat de Heer hen geschapen heeft en hen hun plaats heeft gegeven (vers 5-6) en voor de wereldbewoners is dat de Heer goed zorgt voor zijn volk Israël, hen kracht geeft en nabij is (vers 14).

Zoals gezegd is de beweging in de psalm van hoog naar laag. Opvallend daarbij is dat de gewone man en vrouw op de laagste trede staat. Alle dingen die genoemd worden gaan in zekere zin boven die mens uit: engelen, sterren, zeemonsters, natuurverschijnselen, bomen, heuvels, dieren, koningen en wereldleiders. Alle dingen die de mens ontzag kunnen inboezemen, alle dingen waar de mens bang voor kan zijn, alle dingen die hij wellicht geneigd is te vereren zijn ook maar scheppingen van de Heer en als zodanig geroepen de Heer te loven. Door al deze dingen op te roepen de Heer te loven worden ze ontdaan van de greep die ze op ons mensen kunnen hebben. Alles komt in de juiste verhouding te staan door de blik naar boven te richten: de Heer die alles geschapen heeft en zijn plaats geeft, de Heer die in het bijzonder voor zijn volk zorgt en het kracht geeft.

Een paar opmerkingen bij de lijst van dingen en mensen die aangesproken worden:

  • Er lijkt sprake van een soort zijnshiërarchie die geschetst wordt (Kraus, 961v). Dergelijke lijsten zijn ook wel bekend vanuit het oude Egypte. Ook al wordt niet alles wat er is genoemd, bedoeld wordt dat de hele schepping geroepen is de Heer te loven.

  • Het leger van engelen dat genoemd wordt in vers 2b komt in de bijbel terug in Lucas 2:13-15, waar zij God prijzen in het bijzijn van de herders.

  • Het water boven de hemel (vers 4b) betreft een oude voorstelling waarbij er water aanwezig is boven de aarde (vgl. Genesis 1:7), waarvandaan dan ook de regen afkomstig zou zijn.

  • De wet waarvan in vers 6b sprake is, betreft de orde die God heeft gelegd in de schepping (aldus vertaalt de HSV). De schepping is niet chaotisch, maar ordelijk.

  • Dat blijkt ook in het vervolg als zelfs de zeemonsters en de oceanen worden aangesproken (vers 7b; vgl. Genesis 1:21 en Job 7:12). Beide staan in de bijbel vaak voor het chaotische. Maar zelfs die krachten die voor mensen zo vaak onbeheersbaar lijken, zijn geroepen de Heer, hun Schepper, te loven. Iets vergelijkbaars geldt voor de natuurverschijnselen die genoemd worden in vers 8.

  • Met het vuur (vers 8a) moet in deze context wel de bliksem bedoeld worden.

  • Opvallend is dat Israël zelf niet nadrukkelijk opgeroepen wordt de Heer te loven. De koningen van de aarde, de wereldleiders moeten uiteindelijk in God hun meerdere erkennen. Dit is ook wat in het slot van de bijbel genoemd wordt: koningen die God hun lof komen brengen (Openbaring 21:24).

De beide halfkoren van hemel en aarde (Kraus; vgl. vers 13c) worden opgeroepen de naam van de Heer te loven. Maar wat houdt dit loven in? En hoe kunnen levenloze dingen als sterren of hagel loven? Het gebruikte werkwoord, halal, betekent zoiets als bewonderen, ophemelen, prijzen. Misschien gaat het wel om een woordeloos geluid waarin bewondering doorklinkt (vergelijk het Nederlandse ‘aaahh’; Goldingay, 759). Loven (of zingen zoals de BGT het vertaalt) is niet de activiteit van doden (vgl. Psalm 115:17 en Jesaja 38:18), vandaar ook dat het onderaardse geen apart koor vormt in Psalm 148 (Goldingay). Dat wij bestaan, samen met heel de schepping, maakt dat we geroepen zijn de Heer te loven (vgl. Psalm 150:6). Natuurlijk kunnen dingen zonder bewustzijn de Heer niet letterlijk loven. Tegelijkertijd zou wel te denken kunnen zijn aan Romeinen 1:20 waar Paulus duidelijk maakt dat sporen van God vindbaar zijn in de schepping. De naam van de Heer loven betekent dan zoiets als verwijzen naar je maker. Dat is ook precies waar mensen toe geroepen zijn: een beeld te zijn van God (Genesis 1:26-27). God loven kan heel bewust door te zingen, maar kan ook door te doen waarvoor je geschapen bent. Daarmee eer je God.

Dat wij geroepen zijn de naam van de Heer te loven, komt omdat God in zijn naam bekend is als schepper en koning van alles en iedereen. Zijn naam is de manifestatie van zijn actieve aanwezigheid (Rinkel). In het nieuwe testament wordt duidelijk dat dit zijn hoogtepunt vindt in Jezus Christus (vgl. Kolossenzen 1:15-17 en Hebreeën 1:3-4).

Aanwijzingen voor de prediking

In een preek over een psalm is het van belang de sfeer van de psalm niet kwijt te raken. Een lovende psalm vraagt ook om een preek die lovend is en uitnodigt tot loven.

In dat kader zal in de preek wel de vraag ter sprake moeten komen of je altijd God kunt loven. Er kunnen genoeg omstandigheden zijn die dat moeilijk maken. Als loven vooral betekent je verwonderen over God, kan het ook een stille activiteit zijn. En loven kan zelfs betekenen dat een mens, ondanks alle ellende die hij meemaakt, God blijft erkennen als Heer en blijft vragen om bijstand.

In de oproep aan alles en iedereen om God te loven, leren we om ons niet blind te staren op onbeheersbare verschijnselen die ons ontzag en/of angst inboezemen. De psalm dwingt ons telkens hoger te kijken tot we bij de Schepper zelf uitkomen. Juist in het loven van God verliezen we onze angsten.

Haast onvermijdelijk zal in de preek de relatie tussen schepping en Schepper ter sprake komen. Hoe wij tot onze bestemming komen, juist in het loven van God (vgl. de eerste vraag van de Westminster Shorter Catechism). Hoe God altijd boven zijn schepping staat, zelfs boven het sterkste en het machtigste en hoe hij zijn zwakke volk toch aanzien geeft. Hoe vooral in Jezus zichtbaar wordt dat God zijn schepping niet vergeet en nabij zijn volk is.

Verder ligt het voor de hand om de aandacht voor Israël via Efeziërs 2:13 uit te breiden naar alle kinderen van God: ook heidenen zijn dichtbij God gekomen. Juist door ons te verwonderen over God komen we voor ons gevoel ook dichterbij hem.

Voor kinderen

Aan kinderen zou goed uitgelegd kunnen worden hoe alle dingen waar wij bewondering voor hebben ons doorverwijzen naar de Schepper ervan. God loven is zoiets als vol bewondering naar een sporter of artiest kijken en ervoor applaudisseren. Maar achter die sporter of artiest ontdekken we een nog veel machtigere, snellere, creatievere Schepper. Hij verdient onze bewondering nog meer!

Liturgische aanwijzingen

Een tweede Schriftlezing zou Genesis 1 kunnen zijn (de luister van God die spreekt uit zijn veelkleurige schepping). Een Nieuw-Testamentische lezing hangt af van gekozen richting van de preek. Het zou iets kunnen zijn uit Romeinen 1 (alles en iedereen heeft tot doel te verwijzen naar zijn schepper), Kolossenzen 1 (Jezus als de ware manifestatie van God in schepping en verzoening) of Marcus 4:35-41 (Gods macht over de natuurverschijnselen).

Ik wijs hier nog op de overeenkomst met het apocriefe lied van de drie vrienden van Daniël (te vinden in de toevoegingen aan Daniël A:28-68 of in de KBS Daniël 3:50-90). Misschien aardig om eens iets uit de apocriefen te lezen.

Naast een paar verzen uit Psalm 148, kunnen ook de volgende psalmen goed gezongen worden: Psalm 33, Psalm 103 (of de variant NLB 103c) en Psalm 147. Daarnaast nog NLB 713:1,2,5; Opw. 461 over de naam Jezus die onze lof oproept; Opw. 354 over de glorie die God toekomt. Rond schuldbelijdenis en genadeverkondiging (of kyrie en gloria) zou NLB 654 een plaats kunnen krijgen waarin het zowel over Gods schepping als zijn herstel gaat.

Geraadpleegd

  • J. Goldingay, Psalms, Volume 3; Baker Commentary on the Old Testament. Grand Rapids, 2008.

  • H.-J. Kraus, Psalmen, 2. Teilband; Biblischer Kommentar Altes Testament. Neukirchen, 1960.

  • Rinkel, Psalter; Beschouwingen over de psalmen, Tweede deel. Zutphen, 1937.

< Terug