< Terug

Preekschets Psalm 150 – Oudjaar

Psalm 150

Oudjaar

Alles wat adem heeft, loof de Heer.

Schriftlezing: Psalm 150

Het eigene van de dienst

Rond de jaarwisseling kijken we terug op het jaar dat voorbijging en zien we vooruit naar het jaar dat komt. Voor de gemeente van Christus geldt dat het daarbij niet eenvoudigweg gaat om dat wat het leven te bieden had en zal hebben. Veel meer hoe wij vanuit het geloof in Christus het leven beleven en leven. Het boek van de psalmen geeft ons een beeld van de wijze waarop het volk van Israël en de gelovige Israëliet het leven leven en beleven. En als gemeente(leden) weten we ons daarmee verbonden. Voor velen is het boek van de psalmen, hun bijbel in de Bijbel. Ook in onze tijd lezen en overdenken veel mensen nog elke dag een psalm of een deel daarvan.

Tussen het eerste woord van het boek ‘Gelukkig’ en het laatste woord ‘Hallelujah’ vinden we een oratorium in 150 delen. Liederen waarin geloofd, geklaagd, beleden, gebeden, verteld, et cetera wordt. Liederen waarin uitgezongen wordt wat ons als mensen in het leven en samenleven bezighoudt. Een onderwijzende ouverture en een uitbundige finale vormen de kaders waarbinnen geleefd wordt. En dat is, met de nuances die de eigen tijd meebrengt, van alle tijden. Tussen het eerste woord uit Psalm 1 en het laatste woord uit Psalm 150 speelde zich het leven in het oude jaar af en zal het leven in het nieuwe jaar vorm krijgen.

Deze gedachten brachten mij tot de keuze voor de invulling van de diensten rond de jaarwisseling. Het is met deze achtergrond ook mogelijk om de beide psalmen te kiezen voor de diensten in één kalenderjaar. In de eigen situatie (een combinatie van twee gemeenten) comprimeerde ik de gedachten van de twee woorden tot een preek in één dienst, die ik in de ene gemeente op oudejaarsdag en in de andere gemeente op nieuwjaarsdag gehouden heb.

Uitleg

Psalm 150 is de laatste van het boek van de psalmen, het omvangrijke liederenboek van Israël. Tegelijk is het de laatste van de vijf liederen die met ‘Halleluja’ beginnen en eindigen. Een krachtig slotakkoord van een boek waarin de gemeenschap met God wordt bezongen, maar waarin evenzeer de twijfels van het geloof tot uitdrukking komen. Daarvan is in dit lied niets te merken. Het is een opwekking aan de gehele schepping om God groot te maken, Hem de eer toe te brengen die Hij waard is te ontvangen.

De structuur is helder. Elk zinsdeel behalve het laatste begint met hallelu. Het laatste sluit er mee af. In de herhaling ligt de kracht. Ze tekent de uitbundigheid van het lied. De opwekking is tegelijk de lofprijzing zelf. In het beginwoord en in het slotwoord wordt hallelu verbonden met JAH, de afkorting van JAHWE, de verbondsnaam van de God van Israël. Hij moet worden geloofd.

In vers 1 wordt de plaats aangewezen waar Hij geloofd moet worden. Allereerst het heiligdom. De plaats waar God de Heer woont te midden van zijn volk. Daar troont Hij op de lofzangen van zijn volk. Daar wordt Hij aangebeden. Geeft Hij ten diepste daar niet zijn Tora? Daarnaast past het dat Hij geprezen wordt in zijn machtig gewelf. De schepping behoort Hem toe. Het is tegelijk de plaats waar al zijn schepselen, met hun ‘zijn’ en ‘er werkzaam zijn’ geroepen worden tot lofprijzing.

Vers 2 geeft de reden waarom Hij geprezen moet worden. Die ligt in wat Hij doet en in wie Hij is. Hij doet krachtige daden. Hij is oneindig groot. Hoe weet je dat? In de geschiedenis heeft Hij zich zo getoond.

De verzen 3-5 tonen ons de geschakeerdheid van de muziekinstrumenten die bruikbaar zijn om God te loven. Het maakt duidelijk dat geen instrument dat geluid kan maken uitgesloten wordt. En het begin van vers 4 duidt er op dat lichamelijke expressie niet verboden is.

Daarom: alles wat adem, levensadem, levensprincipe, zeg maar ‘geest’ en ‘leven’ heeft, moet het leven gebruiken om de Heer te loven (vs. 6). Dan komt het tot Gods bestemming. Wat is er nog meer uit te leggen?

Aanwijzingen voor de prediking

Halleluja!

Op oudejaarsavond worden de laatste woorden van het lied van het leven van het Anno Domini uitgezongen en de laatste tonen van de muziek uitgespeeld. Een uitbundige finale. Niet alle kerkgangers zullen deze uitbundige uitroep zomaar kunnen meemaken aan het einde van het jaar. Het concert van het leven werd niet gezongen en gespeeld volgens een programma. Het was veel meer elke dag een improvisatie met de diepe en hoge tonen van de gebeurtenissen die er waren. Daarom moet worden uitgelegd hoe we er toch toe komen om het zo te doen. Het boek van de psalmen tekent het geleefde leven in al zijn facetten (zie het eigene van de dienst).

Alles wat adem heeft loof de Heer

Het is de opwekking aan de gehele geschapen werkelijkheid om Jahwe, de Heer, de God van Israël, de God van het verbond als God te erkennen. Hem groot te maken, te eren en te aanbidden. Ja, wij zouden wel willen, maar…? Nee, ik wil niet, want.!

Waarom erkennen en loven we Hem?

Om wat Hij doet! Om zijn machtige daden (vs. 2a). Ze worden hier niet meer genoemd. Je kunt ze terugvinden in de liederen die hieraan voorafgegaan zijn. Zijn daden in schepping, herschepping en geschiedenis. En hebben we bij het lezen daarvan niet ondervonden dat ze passen in onze tijd? Dat ze onze eigen levensgeschiedenis ook tekenen? Ons lied is verweven met al die eerder gezongen liederen. Ik leefde dit jaar door Gods genade in Christus, zijn ultieme daad!

Om wie Hij is! Om zijn oneindige grootheid (vs. 2b). Uit zijn daden blijkt zijn grootheid. Dat vinden we geconcentreerd terug in zijn naam Heer: ‘Ik zal er zijn’. Heeft de verkondiging van die naam ons dit jaar niet gaande gehouden? Was Hij er niet bij in zijn woord? Was Hij er niet bij in het Woord dat vlees is geworden, Jezus Christus?

Hoe erkennen en loven we Hem?

Met alle ons ter beschikking staande middelen (vs. 3-5). De Heer troont op de lofzangen van Israël. Daarom zijn alle stemmen, blaas-, snaar- en slaginstrumenten geschikt om uitdrukking te geven aan dat wat ons diep heeft geraakt en wat ons tot vervoering heeft gebracht. En ons lichaam doet mee in reidans en met gevouwen en opgeheven handen.

Majeur en mineur, in stem en tegenstem. In zachte harp, schelle luit, trommel, bazuin en fluit. Het rumoer van de volken, het huilen van een kind. De stem van de donder, het suizen van een zachte stilte.

Waar erkennen en loven wij Hem?

In zijn machtig gewelf (vs. 1), de schepping. Zij vertoont zich aan ons in de majestueuze gedaante van de macrokosmos van het heelal, met de hemellichamen. Maar ook in de microkosmos van de voor het oog verborgen deeltjes waaruit alles is opgebouwd. Wie zou de Schepper niet prijzen? Waar zouden we aan Hem voorbij kunnen gaan?

In zijn heilige woning (vs. 1), de plaats van ontmoeting tussen God de Heer en mensen. Een afgezonderde plek, de plaats van het geheim van het heil. Daar is het begin en het einde van het leven dat we elk jaar leven. Daar komen we met onze blijdschap en met ons verdriet, met onze dank en met onze vragen, met onze teleurstelling en met onze hoop, met onze angst, en met onze verwachting. Zoals door de eeuwen heen Gods gemeente dat heeft gedaan.

Alles wat adem heeft loof de Heer.

De erkenning en de lofprijzing van de Heer houden ons staande en gaande als gemeente van Christus in de tijd. Ze geven ook verwachting voor de toekomst. We geven het door om ons heen. De erkenning en lofprijzing van God zijn immers heilzaam voor de gehele wereld.

Halleluja!

Liturgische aanwijzingen

Hoewel wel opgemerkt wordt dat een psalm niet meer gezongen moet worden wanneer die ook gelezen wordt, vind ik het passend wanneer de gemeente zelf het berijmde lied zingt. Daarom dan ook Psalm 150. Passend zijn ook de psalmen 146-149. Verder naar de oudejaarstraditie Psalm 90, 103 en Gezang 396-398 (LvdK). Te denken valt ook aan de gezangen 44 en 323 (LvdK).

Geraadpleegde literatuur

Bij de voorbereiding voor de oude- en nieuwjaarsdienst heb ik gebruikgemaakt van de standaard hand- en woordenboeken en van J. Ridderbos, Psalmen(cot).

< Terug