< Terug

Preekschets Psalm 37:3

Psalm 37:3

Tweede zondag na Pinksteren

Vertrouw op de Heer en doe het goede.

Schriftlezing: Psalm 37:1-11(40)

Uitleg

Psalm 37 is te rekenen tot de zogenoemde wijsheidsliteratuur.

Waaijman nam hem op in het deel van de Verklaring van een bijbelgedeelte met de ondertitel Psalmen bij het zoeken van de weg. De mededeling ‘Van David’ heeft (ook) hier geen historische betekenis, gezien het feit dat de psalm gedateerd moet worden in de tijd na de ballingschap (Kraus, 288). De literaire vorm van het lied is een acrostichon, met steeds twee verzen per letter. De vertaling in de Naardense Bijbel geeft de psalm in die vorm weer. Er is geen sprake van een voortgaande gedachteontwikkeling. In vers 25 noemt de dichter zich oud en ontleent daaraan zijn gezag voor wat hij in dit leerdicht aan de orde stelt. Tot wie de dichter spreekt is niet duidelijk, maar men kan zich een voorstelling maken van geadresseerden als deelnemers aan een leerhuis. In de Babylonische ballingschap (587-538 voor Chr.) ontstonden dergelijke leerhuizen, waarvan de synagogen later in Israël en elders de voortzetting en institutionalisering vormden.

Het punt dat de dichter wil maken is dat zijn leerlingen, ondanks het onrecht dat ze lijden en hun verlangen naar rechtvaardigheid, moeten weten dat God er is en hen zal redden en doen wonen in het land dat hun beloofd is. Daar zullen ze ‘gelukkig leven in overvloed en vrede’ (vs. 11).

De verzen 1-11 zijn betrekkelijk algemene wijsheid en willen de hoorder een levensstijl aanbevelen als een soort toepassing van de Thora. Achter de woorden laten zich problemen vermoeden zonder dat die specifiek genoemd worden. Waaijman vermoedt in de verzen 12, 21 en 32 een soort probleemstelling van leerlingen, waarop de leraar antwoordt. Het zou dan gaan om drie leergesprekken (12-20, 21-31 en 32-40) waarvan 1-11 de inleiding vormen waar zij al naar verwijzen. Er is veel voor te zeggen het gedicht te zien als één geheel. Daartoe nodigt de alfabetische vorm ook uit. De nbv laat het grafisch goed zien en het is goed mogelijk iedere strofe van het gedicht te lezen als een wijsheidsspreuk met als hoofdthema het spanningsveld (vgl. qoh in 9: gespannen gericht zijn op de Heer) tussen goed en kwaad, waarmee degene die naar de Thora wil leven te maken heeft (vgl. Ps. 1).

De verschillende strofen geven blijk van de aanwezigheid van die spanning, want er broeit innerlijke boosheid vanwege het kwaad dat wordt ondervonden. De leraar/ dichter maant tot tolerantie en geduld. De ‘slechte mensen’ en ‘wie kwaad doen’ uit vers 1 zijn zij die zich tegen Gods wil en heerschappij verzetten en trekken aan het kortste eind: zij verdorren en verwelken (vs. 2). Zo is de psalm ook een reflectie op levensproblemen die om antwoorden vragen; de leraar geeft die in de vorm van vermaningen, waarschuwingen en beloften, geheel in de stijl die in de wijsheidsliteratuur gebruikelijk is.

Vergeldingsgedachten zijn eigenlijk niet aan de orde. De tekst ademt meer de sfeer van Exodus 14:14: ‘De Heer zal voor u strijden en gij hoeft niets te doen.’ Zo blijf je uit de geweldsspiraal. Kraus (291): ‘lm Zentrum des Ps. 37 liegt nicht “die Gerechtigkeit” oder “Vergeltung”, sondem das Zeugnis vom lebendigen Eingreifen Jahwes in das Leben der Menschen. Das ist ein wesentlicher Unterschied.’ De zondaars, die vaak genoemd worden in de psalm, zullen in hun eigen zwaard vallen; zij gaan ten onder aan hun eigen kwaad.

Bamard (Tegen David aanpraten, 144 vv.): ‘Eigenlijk is zo’n psalm 37 een staaltje van surrealisme, maar dan surrealisme dat het gewone realisme in zich heeft opgenomen om het vervolgens binnenste buiten te keren (…) alles moet worden zoals het nooit geweest is.’ Het lied valt in de rubriek ‘Koninkrijk Gods’ zou je kunnen zeggen en ‘…het rebbelt maar door, het is antieke rap, het somt alles op wat niet werkelijk is, maar wel waar. Als je gelooft tenminste…, hoopt, liefhebt, God liefhebt.’

Bij Kurt Marti, wiens boeken over de psalmen (zie literatuurlijst) mij vaak inspireren, lees ik bij zijn commentaar op deze psalm (167): “‘Es ist eine Hoffnung, nicht weil, sondem trotz alledem. Eine Hoffnung, der es verboten ist, Termine auszurechnen – denn sie sind alle verstrichen”, schrieb Franz Rosenzweig, ein Gedicht des middelalterlichen Dichter Jehuda Halevi kommentierend. “Eine Hoffnung somit, die auf nichts stützen kann ausser auf Jahwes zusagen.’” Kurt Marti eindigt zijn beschouwing over de psalm met de vraag hoe Palestijnse christenen deze psalm lezen en welke gedachten en gevoelens hen bewegen (169).

In de Bergrede (Mat. 5:5) worden de zachtmoedigen zalig geprezen en hun wordt toegezegd dat ze het land zullen erven (NBV; – de NBG-51 heeft ‘aarde’ en dat hoort direct al ‘geestelijker’ dan ‘land’ en zeker ook de Lucas-variant, 6:20, waar het Koninkrijk van God wordt beloofd), dan is dat een letterlijk citaat van vers 11 van deze psalm. De raad van Marti: ‘Der Christ wird (…) gut daran tun Jesu Seligpreisung (…) nicht sogleich auf Jenseitigkeit um zu deuten’ (168) is tenslotte het overwegen waard.

Aanwijzingen voor de prediking

Israël is in zijn volksbestaan vaak speelbal geweest van de wisselende wereldmachten. Dat heeft het vaak lange perioden van bezetting, van lijden en ballingschap gebracht. Na de verwoesting van Jeruzalem in Anno Domino 70 en het vervolgens feitelijk verdwijnen van Israël als staat, was lijden en vervolging niet zelden het lot van de joden in de diaspora. Deze lange geschiedenis dwong het joodse volk tot een bestaan van het uithouden en hopen. In die levend gehouden verwachting speelt het weer wonen in het beloofde land een grote rol. Tegen alle feitelijkheid en waarschijnlijkheid in hield Israël vast aan die hoop. Welke hoop is dat eigenlijk?

Opvallend vaak wordt in Psalm 37 land toegezegd aan de hoorders (vs. 3, 9, 11, 18, 22, 27, 29, 34) en dan met name aan de nederigen, de onschuldigen, de door de Heer gezegenden, de rechtvaardigen (tsaddiq) en degenen die op de Heer hopen en acht geven op zijn weg (Thora). Ik wil hierbij benadrukken dat deze belofte heel aards is en niet geestelijk is bedoeld, niet gericht is op een toekomst ‘aan gene zijde’. Het roept de vraag op of Israël het zich niet erg moeilijk maakt met een dergelijke opvatting van de hoop op het beloofde land. Anderzijds – zo zegt Marti – is het mogelijk dat juist die zo problematiserende aardsheid van zulk hopen en geloven, de grond was onder de identiteit en de historische continuïteit van het joodse volk en ook een dragende kracht was door de eeuwen en door steeds weer nieuwe rampen heen.

Deze geloofsverwachting van Israël, dat Gods gerechtigheid in de tijd, in de geschiedenis, werkelijkheid moet worden, is iets waarmee aan de christelijke gemeente een spiegel wordt voorgehouden als zij denkt over de eigen toekomstverwachting. Die is juist vaak erg ‘jenseits’ gericht en kan, met het vertrouwde bijbelwoord ‘dat wij naar zijn beloften een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont’ verwachten, niet zonder meer geduid worden binnen de horizon van de geschiedenis.

De psalm leert dat rechtvaardig leven, naar de Thora dus, in het vertrouwen dat God zijn beloften nakomt, bevrijding zal doen ervaren. Hieruit is de les te trekken, voor gelovig en luisterend leven, dat ook voor de christen geldt dat leven naar de normen van gerechtigheid (Micha 6:8 ‘Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God’) tot een goed leven kan leiden, zoals dat de dichter van de psalm voor ogen staat.

Ten slotte moet de vraag aan de orde komen hoe de nadruk op de landbelofte in Psalm 37 zich verhoudt tot de huidige natiestaat Israël. Veel van de daar wonende joden zijn/waren van die arme sloebers die daar eindelijk een thuis vonden na de Shoah, de overlevenden van de Holocaust. Echt de armen dus waarover het ook gaat in de Bergrede. Zijn ze eindelijk in het beloofde land gekomen? Maar wat dan met de toen er al wonende Arabieren en Palestijnen? Het gelukkige leven dat in de psalm wordt beschreven is daar nog steeds ver te zoeken; van gerechtigheid en evenwicht is vaak geen sprake. Het land vormt eerder een conflicthaard waar oog om oog en tand om tand niet zelden de praktijk is. Het kan aanbeveling verdienen in een dienst waarin deze psalm aan de orde komt daarover informatie te zoeken en in gesprek te komen, zo mogelijk met een in Nederland wonende Palestijnse christen.

Liturgische aanwijzingen

De lezingen voor het C-jaar zijn op deze zondag: Genesis 45:3-11, 15 en Lucas 6:27-38, zoals in het Dienstboek I (1205) te lezen is. Waar die mogelijkheid bestaat kan deze lange psalm bijvoorbeeld psalmodiërend worden gereciteerd in de kerkdienst met behulp van een cantor(ij). Natuurlijk kunnen ook de wisselende stemmen in de psalm in beurtspraak door voorlezende gemeenteleden worden benut. Liedsuggesties: Gezang 305; 323; GvL 573; 535.

Waaijman, Psalmschrift, deel Psalm 37-41 (zie de literatuuropgave) biedt boeiend materiaal dat ook in de liturgie te gebruiken is voor gebed en bezinning.

< Terug