< Terug

Preekschets Psalm 81:11

Psalm 81:11

Quasimodo geniti

‘Ik ben de heer, je God, die je wegleidde uit Egypte – open wijd je mond, ik zal hem vullen.’

Schriftlezing: Psalm 81

Het eigene van de zondag

Ik heb ervoor gekozen de klassieke intochtspsalmen van deze eerste vier zondagen van de Paastijd eens tot preekstof te verheffen. Waar de gemeente van Christus begint met het zingen van een psalm, stapt zij in het spoor van Israël. Daar begint het telkens weer, iedere zondag opnieuw. Maar juist in deze weken roept dat de vraag op waarom de kerk ooit deze liederen uitkoos als opmaat voor de verhalen van de Opgestane en Levende Christus. Laten zij zich als een wissellijst over zijn leven, sterven en opstaan leggen? Een psalm is vaak als een lege lijst: een raamwerk dat nog ingevuld moet worden. Er moet nog een gezicht, een verhaal in. Vult Christus met wie Hij was en is deze aloude woorden? Wij weten hoe Hij ermee leefde, hoe Hij de woorden citeerde, en hoe Hij zelfs zijn laatste adem ermee vulde. Hij zong de Psalmen, maar zingen ze Hem ook?

Deze psalm kreeg in de traditie van de kerk een plaats op de eerste zondag na Pasen. Daartoe droeg ongetwijfeld bij de vermelding van de uittocht (vs. 6) van de volle maan (vs. 4). Exodus 12 schrijft voor dat Pesach gevierd moet worden op de 14e van de maand Nisan, bij volle maan.

Uitleg

Nieuwe en volle maan

Maar volgens deze voorschriften duurt het Paasfeest zeven dagen, terwijl de duur van nieuwe maan tot volle maan veertien dagen bedraagt. Is hier dan sprake van een aparte viering van de nieuwemaansdag, zoals bijvoorbeeld in 1 Samuël 20 en Amos 8:5? Eerder valt hier toch te denken aan de periode van de herfstfeesten. Leviticus 23:24 e.v. (zie ook Num. 29) spreekt van het schallen van de ramshorens (sjofar) op de eerste dag van de zevende maand, waarna de tiende dag de Grote Verzoendag is en op de vijftiende het Loofhuttenfeest begint. Ook de joodse traditie verbindt deze psalm met de maand Tsjri. De sjofar is ook het instrument waarmee nog altijd Rosj Hshana (nieuw jaar), ook op een nieuwemaansdag, in deze herfstperiode wordt ingeluid.

Voor het verstaan én het zingen van de psalm is het niet van wezenlijk belang, want Pesach én Sukkot refereren immers beide op eigen wijze aan Gods bevrijdende daden. Het eerste benadrukt de uittocht van het volk Israël, het tweede zijn bewaring in de woestijn.

De oproep

De psalm opent met een oproep om feest te vieren, maar wel ter ere van jhwh, die ‘onze sterkte’ is. Hij is er immers de oorzaak van dat Israël bestaat en in vrijheid leeft. Aan Hem heeft het zijn bestaan te danken.

Dit feest dient gevierd te worden in het kader van nieuwe en volle maan. Dat hemellichaam bepaalt immers de cyclus van het leven.

Het moet gevierd met stem en instrument. De diverse vertalingen tonen ons een heel instrumentarium, maar ‘trompetten en pauken’ roepen toch veelal het geluid van een symfonieorkest op. Eerder valt te denken aan een lier, een psalter(ium), een handtrom of een tamboerijn, al met al een bescheiden geluid voortbrengend instrumentarium vergeleken met een orgel of een band.

De fundering

Zoals zo veel psalmen opent ook deze met een oproep, waarna op een gegeven ogenblik altijd weer het woord ‘want’ volgt. Er moet dan uitgelegd worden wat de reden tot dit feest en deze lofzang is. Zo ook in Psalm 81, waar het ‘want’ valt in vers 5. Maar ditmaal zijn het niet de gebruikelijke grote daden Gods die de aanleiding vormen, maar is het de verplichting (chok), de inzetting (misjpat) en de verordening (edut). Driemaal wordt hier nadrukkelijk gewezen op het feit dat het feest in oude tradities zijn wortels heeft. Was het feest omstreden? Verwaterd? Of was veertien dagen feest te veel gevraagd geworden?

Ook het gebruik van de namen Jozef (vs. 5) en Jakob (vs. 6) wil het feest nadrukkelijk laten wortelen in de aloude verhalen, die alle vertellen van de strijd van het volk Israël tegen Egypte (vs. 6).

De zanger

Het laat zich denken dat de in vers 1 genoemde koorleider ook de voorzanger is die de oproep tot dit feest doet tot al de samengekomen pelgrims voor het feest (zie Ps. 122). Maar is hij ook de ‘ik’ die vanaf vers 6b aan het woord is? Of is dat, zoals sommigen willen, een profetische stem? Nadat de oproep door een priesterlijke stem is gedaan.

In elk geval is het een stem die weet uit naam van God zelf te spreken. Hij vereenzelvigt zich met het goddelijke ‘ik’, dat hij heeft horen spreken als een vreemde stem.

Vers 7 en 8 vatten in enkele herkenbare thema’s samen wat jhwh voor zijn volk heeft betekend: Hij heeft de last van de slavenarbeid van hen afgenomen, de draagkorf met de bouwmaterialen (Ex. 1:13-14); Hij heeft gehoord naar hun roepen en schreien (Ex. 3:7); Hij gaf zich te kennen ‘in de donder’, zowel bij de Schelfzee (Ex. 14:14-25) als op de Sinaï (Ex. 19) (vgl. Miskotte, Antwoord uit het onweer!). Maar dan: hier verschillen de diverse vertalingen. Beproeft jhwh zijn volk, of is omgekeerd het volk een beproeving voor Hem? Het verhaal van Meriba is te vinden in Exodus 17:1-7, maar daar is het in elk geval Israël dat jhwh op de proef stelt met zijn vraag of Hij wel in hun midden is. Zie ook Numeri 20:13, Psalm 77:13 e.v. en Psalm 95:9, waar zelfs een gelijkluidende verwijzing te horen is. Gezien heel deze bijbelse traditie lijkt het goed om hier ook in diezelfde geest te kiezen: jullie hebben Mij beproefd.

Het eerste en/of tweede gebod

De oproep ‘Hoor, mijn volk!’ is ook bekend uit Deuteronomium 6, het Sjema Jisraeel, hart van het joodse credo. De aanspraak ‘mijn volk’ klinkt hier als de stem van een geliefde. De vertaling vermanen is hier dan ook minder geslaagd. Er valt meer te zeggen voor: ik moet getuigenis afleggen (en nog wel tegen jou!).

Dat getuigenis herhaalt nog eens wat deze geliefden in hun verlovingstijd hebben afgesproken: geen ander tussen ons.

Het is goed ons te realiseren dat de joodse telling van de Tien Woorden anders is dan de onze. Het eerste gebod is daar wat bij ons doorgaans het (vaak weggelaten) opschrift heet: Ik ben jhwh uw God, die u uit Egypte heeft uitgeleid. Dat is de grondwet van de bevrijding, waarop alle volgende geboden rusten. Hoe bewaren we die vrijheid, houden we die in stand? Hoe blijven we bij onze Bevrijder? Want die bevrijding ‘werkt’ alleen als die onze volle aandacht en inzet en deelname krijgt. Er kunnen geen andere doelen/idolen/idealen/deals naast bestaan, geen ‘andere goden’. En dat is precies het verdriet van jhwh. Israël had zijn eigen doelstellingen, wist beter hoe te gaan en is zijn bevrijding vergeten of heeft die verkwanseld (vs. 12 en 13).

Israël hoeft maar te vragen, zich werkelijk tot jhwh zelf te richten (Opent wijd uw mond) en zijn gebeden worden vervuld, zijn handen worden gevuld.

Waar een profetische stem in de Psalmen of de profetische geschriften op een dergelijke manier, meer of minder uitgebreid, de aanklacht van God verwoordt, volgt dan daarna meestal ook een vermaning die dreiging inhoudt, of zelfs een onheilsprofetie: kijk eens, hoe slecht het met jullie zal aflopen, wanneer je je niet bekeert. Maar in deze psalm gebeurt iets opvallend anders. Daar is het alsof jhwh alleen maar zucht: ‘Ze weten zelf niet wat ze missen. Het leven zou zo veel makkelijker voor ze zijn, als ze naar Mij zouden luisteren. Dat ze nu nog vijanden hebben, dat ze vernederd worden, is het gevolg van hun eigen gevaren koers. Hadden ze al hun vertrouwen op mij gesteld, Ik zou mijn reputatie opnieuw voor hen waargemaakt hebben.’

2e of 3e persoon

Een aantal malen wisselt in deze psalm de persoonsvorm, als het over Israël gaat. In de verschillende vertalingen is dat gladgestreken en dat is jammer. Zo staat er in vers 7: ‘Ik heb zijn last. en zijn handen’, waarna klinkt: ‘Jij hebt tot mij geschreeuwd en ik gaf jou antwoord.’ Enerzijds is het een verhaal van oudtijds, van ervaringen van een voorgeslacht. Anderzijds wil dat verhaal zich herhalen en ook de zanger/lezer van nu overkomen. Zoals tot op de dag van vandaag de joodse Paasliturgie begint met de woorden: ‘Wij zijn slaven geweest in Egypte.’ Juist de wisseling van subject in deze psalmtekst confronteert ons extra met de vraag hoe de woorden opnieuw actueel worden, en wanneer wij ze ons kunnen ‘toe-eigenen’.

Aanwijzingen voor de prediking

De oproep tot feest met muziek en zang klinkt toch schril na aan het einde van de psalm, waar de realiteit van vijandschap en vernedering blijkbaar ook aan de orde van de dag is. Zoals het Paaslicht ook onze werkelijkheid in scherper en misschien wel onbarmhartiger licht zet. Hoe groter het licht, hoe scherper de schaduwen.

Daarom de oproep het feest ook naar zijn oorspronkelijke betekenis te blijven vieren: God heeft zijn volk de vrijheid gegeven en het bewaard op de weg naar een nieuw bestaan. Maar hoe houden we Pasen levend?

De onvoorwaardelijkheid van Gods liefde is steeds weer in het geding. Wordt die door ons herkend, geloofd, ervaren? Eerst dan kan immers ook het antwoord pas de volledige overgave zijn. Een overgave die zich erin uit dat het bevrijde bestaan in alles vorm kan krijgen en dat er naar niets anders wordt gestreefd en gezocht dan het Veelbelovende Land, naar het volle Paasleven.

Liturgische aanwijzingen

Goed laten zich op deze zondag de verhalen uit Exodus 16 en 17 lezen: de confrontatie van het Paasleven met de harde werkelijkheid; NT-lezing: Lucas 24:25-31. Naast alle Paasliederen die kunnen klinken, valt ook Gezang 484 uit het Liedboek voor de kerken op. Daar is sprake van de ‘vreemde stem’, evenals in Psalm 81. Ook: Tussentijds 172 en 173.

Geraadpleegde literatuur

H.-J. Kraus, Psalmen i en ii(bkat), Neukirchen, 1966; Rabbi S.R. Hirsch, The Psalms, Jeruzalem, 1997; N.A. van Uchelen, Psalmen (i en ii), prediking van het ot, Nijkerk, 1977; Th. Booij, Psalmen (iii), prediking van het ot, Nijkerk, 1994; K. Deurloo/K. Eykman, Wat heb je zee, dat je vlucht?, Baarn, 1986; W. Barnard, Gepeins bij psalmen, (4 dln.), Zoetermeer, 2003/2004; N.A. Schuman, Drama van crisis en hoop, over de psalmen, Zoetermeer, 2008.

< Terug