< Terug

Preekschets Psalm 84 en Matteüs 10:29,31

Deze preekschets is onderdeel van het themapakket ‘Buitengewoon’, een project van de programmagroep Kerk, Geloof en Levensstijl, van het Christelijk Ecologisch Netwerk (CEN). Oorspronkelijke uitgever: Evangelische Alliantie (nu: Missie Nederland). Het hele themapakket (met liturgiesuggesties, verwerkingen en bronnen) is te downloaden via www.michanederland.nl. Daar is ook meer materiaal rond schepping, duurzaamheid en kerk te vinden.

Inleiding

Zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament wordt over de mus gesproken. God is duidelijk niet te groot om over zo’n klein, nietig vogeltje te schrijven dat in zulke grote getale voorkomt. In tegenstelling tot het Nieuwe Testament wordt in het Oude Testament niet specifiek over de soortnaam ‘mus’ gesproken. De Tenach gebruikt het Hebreeuwse woord ‘tzifor’. Wanneer ik me beperk tot de Psalmen en de Spreuken, dan wordt dit woord bijvoorbeeld gebruikt in Psalm 11:1, 84:4, 102:8, 104:17, 124:7 en Spreuken 6:5, 7:23 en 26:2. Het hangt vervolgens van de (Engelse of Nederlandse) vertaling af hoe dat woord ‘tzifor’ gehanteerd wordt. De Statenvertaling en de New King James Version vertalen het woord ‘tzifor’ zowel in Psalm 84:4, Psalm 102:8 als in Spreuken 26:2 als ‘mus’. De NBG-vertaling en de New Revised Standerd Version hanteren in Psalm 84 en Spreuken 26 de vertaling ‘mus’, maar spreken in Psalm 102 over ‘vogel’. De NBV tenslotte spreekt alleen in Psalm 84 over ‘mus’!

In het Nieuwe Testament zijn de vertalingen eenduidiger. Het Griekse woord ‘stroution’ wordt in alle bijbelversies vertaald met ‘mus’. Het woord komt voor in Matteüs 10:29 en 31 en in de paralleltekst in Lucas 12:6 en 7. In de overdenking kan heel goed stilgestaan worden bij zowel het OT-perspectief over de mus als het NT-perspectief.

Mogelijke aanvliegroute naar de overdenking over de mus vanuit het OT

Wanneer ik kies (en daarbij een uitleg geef over de mogelijke vertaalwijzen) voor de vertaling ‘mus’ in zowel Psalm 84 als Psalm 102, dan valt me een groot contrast op. In Psalm 84 staat de geborgenheid centraal ónder het tempeldak van het huis van God (dus feitelijk ín het huis van God). Je bent daar samen met andere gelovigen (de Psalm hanteert de metafoor van verschillende vogels zoals de zwaluw die daar met zijn gezin is).

Wanneer ik deze lijn doortrekt naar Psalm 102, dan overvalt me de eenzaamheid van de beschreven vogels. Zowel de uil in de woestijn, de steenuil in de verlaten bouwval als de mus op het (tempel)dak zijn eenzaam. Zij hebben geen gemeenschap met andere vogels, er wordt ook niet gesproken over een nestje, over een vogelgezinnetje met haar jongen. In gedachten zie ik de mus uit Psalm 102 opfladderen van het (tempel)dak, om vervolgens (door een open raam) naar binnen te vliegen in het huis van God van Psalm 84: dáár is geborgenheid en genegenheid. Niet alleen vanwege de nabijheid bij God, maar ook vanwege het gezelschap en de veelkleurigheid van Gods schepselen bij elkaar! Spreken daar niet vele andere tekstgedeelten over, zoals de schepping van de dieren in Genesis 1:24 en 25, de ark van Noach in Genesis 7:8, 9, 14-16? Deze harmonie (shalom) tussen God, mens en dier komt ook krachtig naar voren in het visioen van het toekomstig vrederijk in Jesaja 11:6-9:

6 Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
een panter vlijt zich bij een bokje neer;
kalf en leeuw zullen samen weiden

en een kleine jongen zal ze hoeden.
7 Een koe en een beer grazen samen,
hun jongen liggen bijeen;
een leeuw en een rund eten beide stro.
8 Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,
een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.
9 Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil
op heel mijn heilige berg.

Psalm 84 en Psalm 102 laten duidelijk zien dat de schepselen (dieren maar ook mensen) geschapen zijn om te leven in de nabijheid van God. De psalmist begint Psalm 84 met de uitroep dat de ziel, waar God de levensadem in heeft geblazen, ‘Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de HEER. Mijn hart en lijf roepen om de levende God’. Psalm 84 maakt vervolgens ook duidelijk dat het leven in de nabijheid van God geen solitair, eenzaam leven is. Het is een leven in de nabijheid van en in harmonie met Gods totale schepping. Het is één van de kleinste, kwetsbaarste maar ook talrijkste wezentjes die door God geschapen zijn die ons daarvoor de ogen opent: de mus!

Tot slot. Psalm 84 spreekt van de veelkleurigheid van vogels die samenleven in het huis van God. Zelf zie ik raakvlakken met Johannes 14:2, waar Jezus spreekt over eenheid (het ene Vaderhuis) in verscheidenheid (de vele kamers/woningen).

Mogelijke aanvliegroute naar de overdenking over de mus vanuit het NT

De paar verzen over de mus in Matteüs 10:29, 31 moeten natuurlijk in de totale context worden bezien. Wanneer ik die context op me in laat werken, dan vind ik de setting wat beangstigend. De totale context begint mijns inziens vanaf hoofdstuk 9:35 waar in de NBV boven staat ‘Uitzending van de discipelen’ en eindigt aan het eind van hoofdstuk 10 (zo je wilt bij vers 39, vers 42 of hoofdstuk 11:1). De context is dat de discipelen worden uitgezonden met de opdracht de wereld in te gaan om van het koninkrijk Gods te getuigen. De discipelen worden daartoe toegerust maar krijgen direct diverse waarschuwingen mee: ga niet naar de heidenen maar beperk je allereerst tot het volk Israël; beperk je alleen tot diegenen die naar je willen luisteren; je getuigenis zal vijandschap oproepen tussen jou en anderen maar ook binnen families; je zult vervolgd en wellicht gedood worden. Daarbij zegt Jezus dat Hij niet gekomen is om vrede te brengen, maar het zwaard. En te midden van deze dreigende context spreekt Jezus de troostvolle woorden over de waarde van mus en de mens. Oef!

In het kader van de themadienst over de schepping, is het ook mogelijk om deze context te vertellen vanuit het perspectief van het dier. In het totale gedeelte van Matteüs 9:35 – 10:39 wordt namelijk achtereenvolgens gesproken over het schaap (9:36, 10:6, 10:16), de wolf (10:16), de slang (10:16), de duif (10:16) om daarna te eindigen bij de mus (10:29, 31).

De schapen in Matteüs 9:36 en 10:6 slaan op het volk Israël. Deze metafoor wordt ook al gebruikt in het Oude Testament, onder meer in Jesaja en (uitvoerig) in Ezechiël 34. De schapen van 10:16 zijn natuurlijk de discipelen die worden uitgezonden te midden van de slechte leiders. Ook dit is een Oud-Testamentisch beeld en wordt eveneens gebruikt door de profeet Ezechiël in 22:27 waar hij spreekt over ‘de leiders in de stad die waren als wolven die hun prooi verscheurden’. Let op de grote tegenstelling met Jesaja 11:6 waar juist over de harmonie tussen wolf en lam (schaap) gesproken wordt! En waar de slang in Genesis 3 het sluwste dier wordt genoemd (negatief), daar benoemt Jezus in Matteüs 10:16 de slang als een scherpzinnig, oplettend dier (positief) en beveelt Hij die houding bij de discipelen aan. De onschuld of argeloosheid van de duif, duidt op de zuivere, integere en onbevangen houding die de discipelen in hun missie moeten aannemen. Het gebruik van de dierenmetaforen eindigt bij de vergelijking van Jezus tussen de mus en de mens.

Jezus geeft in die vergelijking aan dat de mus nagenoeg geen waarde heeft. Mussen waren destijds de goedkoopste vogeltjes en werden derhalve snel en zonder aarzeling gedood voor de consumptie. En tóch zorgt God voor de mus; voor God heeft elk musje waarde! In het licht van vers 28 geeft Jezus aan dat in de ogen van de vervolgers van de discipelen, het leven van de discipelen net zo waardeloos is als dat van een enkel musje. Als God al zorgt voor het leven van een enkel musje: hoeveel te meer zal Hij dan niet zorgen voor het leven van een mens die sterft omwille van het Evangelie, zo maakt Jezus duidelijk. God zorgt voor de mens en God ís bij de mens, zoals Hij ook bij die ene mus is die dood neervalt. God omgeeft de mens ‘van achteren en van voren’ (Psalm 139). Ook in de Bergrede maakt Jezus aan de hand van de natuur duidelijk dat God zorgt voor mens én dier (Matteüs 6:26 ev). Hoewel Jezus daar niet specifiek duidt op de mus, wijst Jezus wel op de vogels in de lucht: ‘ze zaaien niet en oogsten niet en vullen geen voorraadschuren, [maar] het is jullie hemelse Vader die ze voedt. Zijn jullie niet meer waard dan zij’?

Resumerend

Samenvattend biedt deze themadienst over de schepping de mogelijkheid om Gods zorg voor Zijn schepselen duidelijk te maken. God is Heer over de schepping. Groot en klein ziet Hij en kent Hij bij name: van de grote sterren (Psalm 147:4) via de mus tot elke haar op je hoofd: Jezus maakt duidelijk dat niets en niemand aan de zorg en aandacht van de Schepper ontvalt. Ik denk dat die geloofsuitspraak een aanmoediging voor ons allen mag zijn om als goede rentmeesters te zorgen voor mens en dier. Met dank aan de mus…

< Terug