< Terug

Preekschets Psalm 84:4-5 – Kerksluiting

Psalm 84:4-5

Zelfs de mus vindt een huis
en de zwaluw een nest
waarin ze haar jongen neerlegt,
bij uw altaren, heer van de hemelse machten,
mijn koning en mijn God.
Gelukkig wie wonen in uw huis,
gedurig mogen zij uw loven.

Schriftlezing: Psalm 84

Het eigene van de gelegenheid

De tekstkeuze vraagt enige toelichting. Uit een inventarisatie van ‘laatste diensten’ blijkt dat Psalm 84 vaak wordt gekozen. Deze keuze kan vragen oproepen. Kun je de tempel in Jeruzalem wel vergelijken met bijvoorbeeld een gereformeerde kerk uit de jaren zestig of een monumentale dorpskerk uit de Middeleeuwen? De tempel was destijds hét teken van Gods tegenwoordigheid, aanwezigheid, nabijheid. En nieuwtestamentisch gezien heeft niet de kerk deze plek ingenomen, maar Jezus Christus. In Hem heeft God onder ons gewoond, zijn ‘tent opgeslagen’ (Joh. 1). Niettemin: het kerkgebouw is wel ‘gewijd’ door het geloof, de aanbidding, de dank en de vraaggebeden, de preken, de liederen en de ‘heilige ogenblikken’.

De toepassing is aanvechtbaar als ze wordt gebruikt om de gemeente vooral voor te houden dat ze een ‘pelgrimerende gemeente onderweg’ is, die niet gehecht mag zijn aan een gebouw van hout en steen. Zo is er wel over gepreekt. Dan wordt echter voorbijgegaan aan de gevoelens en de plaats die het gebouw in de biografie van mensen heeft gekregen. De psalm mag echter ten gehore worden gebracht omdat ze taal geeft aan het herinnerde verlangen, aan heimwee naar dit Godshuis dat nu zal worden gesloten.

Uitleg

De tekst richt zich intens verlangend van begin tot eind, met enkele beeldende beschrijvingen tussendoor, tot God, die in zijn woning wordt geprezen en bejubeld. Opvallend is de missionaire verwijding: het begint met de enkeling en diens diepste zijn (‘mijn ziel’), dan gaat het via het vogeltje en de zwaluw naar iedereen die vertoeft in de tempel, de gemeenschap komt in beeld (‘trekken zij door het dal van tranen’), er vindt een verbinding plaats tussen het ik en de anderen (‘ons schild’) en het eindigt met een belofte aan allen (‘heil de mens die op u vertrouwt’). De tijdsbeleving verdicht zich lyrisch: één dag in uw nabijheid, ook al betreft het de voorhof, is beter dan duizend elders.

  • Bij welke gelegenheid is deze psalm gezongen? Tijdens de gemeenschappelijke pelgrimage? Dat is de gangbare uitleg en de verbinding wordt beschouwd substantieel te zijn, waarbij de tekst uiting geeft aan de gevoelens van de pelgrims. Er wordt door sommige exegeten gesteld dat men de ingang van het heiligdom al kan zien. Ze zijn al bij de drempel. Het trekken door het dal wordt realistisch geduid. Andere uitleggers zien de psalm echter als een gebed dat ver van de tempel wordt gebeden: een klagend, bijna smachtend gebed (‘Sehnsuchtsklage’). Het zou mogelijk ook kunnen gaan om een psalm in de ballingschap, terwijl de tempel tot ruïne is vervallen, zoals in de uitleg van Rashi. Er komt volgens hem in deze psalm geen einde aan het verlangen. Het ‘trekken door het dal’ is zo eerder poëtische, metaforische taal dan een beschrijving van de werkelijkheid.

  • De psalm begint met een liefdesverklaring aan het hele tempelcomplex. De dichter is getroffen door de ‘interne kwaliteit’ van het hele terrein van het heiligdom met de verschillende gebouwen. Dit is de ‘residentie van jhwh (Zenger), waar men de presentie van de Heer kan ervaren.

  • De mus en de zwaluw, metafoor of letterlijk? Rashi zegt dat de zwaluw volgens de Midrash Tehillim een beeld is voor het volk Israël. Hirsch gaat nog verder en schrijft dat elke levende ziel zijn eigen ‘nest kan bouwen’ in het huis van de Heer.

  • De dichter komt in vers 5 tot een zaligspreking voor allen die wonen in het tempeldomein. Gaat het om het tempelpersoneel? Of om mensen die existentieel weten dat zij toebehoren aan het huis van God? Mensen die daar hun wortels hebben liggen? Voor de uitleg is het verschil tussen ‘connected’ en ‘rooted’ behulpzaam. Hier lijkt het om het laatste te gaan. Om mensen die een ‘total life commitment’ (Hauge) zijn aangegaan. Deze mensen, die een stille omgang met God kennen, wordt hier ‘heil’ toegebeden.

  • Na de zaligspreking voor de verwortelden komt nu verrassend een zaligspreking voor degenen in wie een verlangen is naar de levensgemeenschap met de God van de berg Sion en die derhalve (letterlijk of geestelijk) op weg zijn gegaan. Mensen van verre, maar ook mensen die naderen. Zij hebben ‘gebaande wegen in hun hart’, een uitdrukking die exegeten hoofdbrekens kost (de berijming van Jan Wit: ‘zijn hart wijst hem de rechte wegen’). De zegswijze komt ook voor in Jeremia 31:21, ‘zet uw hart op de gebaande wegen’, maar daarin gaat het om gedrag. Hier gaat het om mensen ‘van wie het hart vol is van de voorstelling dat hun leven een pelgrimage is naar een ontmoeting met de Levende’ (Zenger).

  • De verzen 7 en 8 ontvouwen het beeld. Onderweg is veel verdriet (zo heeft de Vulgaat vertaald: ‘vallis lacrimarum’). Dit heeft tot de uitdrukking ‘tranendal’ geleid. De aanduiding bak kent echter als consonanten bakh en niet bak’. Het gaat om een struik die alleen in dorre, vrijwel waterloze streken groeit (een moerbeiboom, zegt Calvijn). Dat maakt de uitdrukking zeer beeldend: wanneer mensen die in beweging zijn gekomen door een Godsverlangen streken van de dood betreden, verandert deze woestenij in een oase, waarin levenswater ontspringt.

  • In de verzen 9-11 wordt God gevraagd om te midden van de menigte het gezicht van de dichter als de gezalfde te zien. Hier zien we niet het bedekken van het gezicht (in eerbied of schaamte), maar het gezicht wordt voor God bloot gegeven: zie mij, ken mij zoals ik ben. Zie de lijnen van mijn gezalfde, glanzende gelaat. Lees de pijn daarin, de wonden, de groeven, maar lees ook de verwondering. Het is een heilzame ontmoeting, therapeutisch, genezend en verzoenend.

  • De laatste verzen spreken niet meer over de tempel. Het gaat voluit over jhwh hij is ‘zon’, bron van het leven en de gerechtigheid (vgl. Ps. 19; Mal. 3:20) en ‘schild’ (vgl. Ps. 3:4; 18:3, 31 en 28:7), bescherming tegen dodelijke bedreigingen. Het is de enige keer dat God in het Oude Testament ‘zon’ wordt genoemd. Er valt een gloed op de dichter. Vervolgens volgt de derde, verstrekkende, zaligspreking, nu gericht tot hen die hun vertrouwen stellen op God.

Aanwijzingen voor de prediking

  • De psalm kan worden gebruikt om de gemeente rijp te maken voor het opbreken naar een nieuw onderkomen. Het lijkt immers vooral te gaan over het onderweg zijn, het pelgrimeren. Gekoppeld aan teksten van Abraham, Isaak en Jakob of aan teksten uit Exodus en Numeri worden de typeringen van een nomadisch bestaan, dat aan het Godsvolk eigen is, versterkt. Dit volk staat niet stil, maar trekt weer op. Maar daarmee wordt mogelijk het huis Gods in haar betekenis gerelativeerd. God gaat u voor: dat lijkt de intertekstuele boodschap van de teksten te zijn. De psalm geeft echter juist mogelijkheden om woorden te geven aan het verlangen naar God en de ontmoeting met God zoals deze in dit Godshuis ervaren zijn. Het grote risico is voortijdig te spreken over de toekomst.

  • De afstand en de nabijheid tot de tempel zijn te vertalen in de distantie of juist de ervaring van intimiteit die mensen hebben ervaren ten opzichte van het te sluiten kerkgebouw. Alle vormen van verbinding met of betrokkenheid bij dit kerkgebouw en de bijbehorende gemeenschap kunnen benoemd worden en de psalm geeft daar de bijpassende metaforiek bij.

  • Zelfs de mensen die beroepshalve of als vrijwilliger in en om het kerkgebouw actief waren, treden naar voren via deze psalm. Ze worden er vandaag ook even uitgelicht: ‘Gelukkig wie wonen in uw huis’.

  • Uit verre tijden komt deze ervaring tot de gemeente. Dat biedt een opening om te benoemen dat de gemeente in een lange geschiedenis, soms zelfs van generatie op generatie, met het Godshuis is verbonden. Er zijn offers voor gebracht.

  • De preek zou kunnen ingaan op wat hier en nu in dit gebouw als kostbaar en waardevol is ervaren en hoe dat zou kunnen meegaan naar de nieuwe situatie. Wat gaat mee aan symbolen en rituelen, aan mogelijkheden voor gemeenschapsvorming?

  • De psalm helpt ook om de ‘in het hart gebaande wegen’ te verkennen. Wat heeft in het verleden geholpen om ‘van kracht tot kracht’ te gaan en wat zou dat nu kunnen zijn?

  • Wie zich door de Heer in het gelaat gekend mag weten, in zijn of haar wonden en teleurstellingen, mag zich net zoals de dichter ook door God overstraald en beschermd weten. Een tijd van opnieuw God zoeken kan ook heilzaam zijn.

Liturgische aanwijzingen

Voor aanwijzingen voor het vormgeven van de dienst (welkom, gebeden, liederen, gesprek met de kinderen, schriftlezingen, preek, rondgang door de kerk langs symbolische plekken, zegen, de feitelijke sluiting, een eventuele tocht naar een nieuw onderkomen etc.) verwijs ik naar: Henk de Roest, ‘Afscheid nemen van een kerkgebouw. Rituelen, symbolen, teksten’, in: Harry Bisseling, Henk de Roest en Peet Valstar (red.), Meer dan hout en steen. Handboek voor sluiting en herbestemming van kerkgebouwen, Zoetermeer, 2011, 275-300.

Mogelijke andere lezingen naast Psalm 84 zijn: Matteüs 28:16-20; 1 Petrus 2:4-6.

Liedsuggesties: Psalm 84, 100, 107, 120-134; Gezang 304, 305, 312, 318 (met rondgang langs betekenisvolle plekken) en 399; T 211; Tr 212, 213 en 218. Liederen & Gebeden uit Iona: lied 21 (een reislied), lied 36 (‘Ik ben met u’).

Geraadpleegde literatuur

Harry Bisseling, Henk de Roest en Peet Valstar, Meer dan hout en steen. Handboek voor sluiting en herbestemming van kerkgebouwen, Zoetermeer, 2011; M. Gruber, Rashi’s Commentary on Psalms, Philadelphia, 2007; M.R. Hauge, Between Sheol and Temple. Motif Structure andFunction in the I-Psalms, Sheffield, 1995, 38-48; S.R. Hirsch, The Psalms. Jeruzalem/New York, 1978; F.L. Hossfeld en E. Zenger, Psalmen (51-100), htkat, Freiburg/Basel/Wenen, 2000; J.J.P. Valeton, De Psalmen. Tweede deel. Psalm xlii-lxxxix, Nijmegen, 1903.

< Terug