< Terug

Preekschets Psalm 89:20b-21 – Eerste Advent

Psalm 89:20b-21

Eerste Advent

Ik heb hulp geboden aan een held, een jongen uit het volk verheven.
In David vond ik een dienaar, ik zalfde hem met heilige olie.

Schriftlezing: Psalm 89:1-3; 20-28; 50-53

Het eigene van de zondag

Voor de Adventszondagen heb ik vier lezingen gekozen die raken aan het thema ‘De verwachting van de gezalfde’. De koninklijke, priesterlijke en profetische aspecten van de zalving zullen aan de orde komen. Daaraan voorafgaand horen wij eerst over de zalving als teken van Gods hulp midden in de benauwdheid.

Psalm 89 vertelt over de gezalfde die hulp uit de hoge zal ontvangen en doorgeven. Deze hulp is hard nodig in een werkelijkheid die weinig lijkt op Gods beloften.

Uitleg

Psalm 89 is een lied dat onderricht geeft (maskil). Sleutelwoord van dat onderricht is trouw (èmoenah). We horen maar liefst twaalfmaal verschillende vormen van dit woord terug in de psalm. Waarom is het nodig om Gods trouw zo nadrukkelijk op de voorgrond te stellen? Omdat het blijkbaar in het dagelijkse leven niet zo evident is. ‘En tóch, toch is het waar!’, roept de psalmdichter ons toe.

Vers 1-5 Het begint met een loflied op de liefde (chèsèd) en de trouw (èmoenah) van de Heer. Tot tweemaal toe worden die genoemd. Liefde gaat voorop omdat die zichtbaar naar buiten toe blijkt en als zodanig wijst op een innerlijke houding van trouw. Dus van binnen trouw en naar buiten toe daden van liefde. Over welke liefdesdaden hebben we het dan? Het verbond dat de HEER met David heeft gesloten, wordt als eerste genoemd. Zo vast (takin) als Gods trouw in de hemel, zo vast (akin) zal Davids nageslacht op aarde op de troon gezeten zijn.

Vers 6-19 Het wonder van dit verbond en deze trouw wordt in de hemel bezongen. Dan volgt een loflied op het koningschap van God, aan wie hemel en aarde toebehoren, die de machten van de chaos neerslaat en door wiens gerechtigheid zijn volk zich opricht. Gods troon is vast (mekon, vs. 15) gefundeerd op recht en gerechtigheid, liefde en trouw (èmèt) staan in zijn dienst. Dit koningschap van God is de achtergrond van het koningschap van David. De troon van God (vs. 15) is een garantie voor de troon van David (vs. 30, 37, 45). Omdat de HEER heerst over de hoog rijzende zee (vs. 10) zal David zijn linkerhand op de zee kunnen leggen en zijn rechterhand op de rivier (vs. 26). Omdat God zelf letterlijk gevreesd is ‘boven allen rondom hem’ (vs. 8) zal ook David de hoogste zijn van de koningen der aarde (vs. 28).

Vers 20-38 De belofte van de Heer aan David is het stralende middelpunt van de psalm. De HEER heeft David gevonden en hem zijn hulp gegeven. Hij is de eerstgeborene (bekor, vs. 28), een zoon die Vader tegen God mag zeggen (vs. 27). Aan de ene kant is David dus iemand van het volk, maar aan de andere kant hoort hij bij God. De HEER belooft trouw aan David én aan zijn nageslacht: zijn troon zal staan zolang de hemel duurt (vs. 30). Al zouden Davids zonen zich van zijn wet afkeren, God zou hen daarvoor wel bestraffen, maar zijn trouw niet breken. Het verbond met David staat vast. Davids troon staat daarom even vast als zon en maan aan de hemel staan.

Vers 39-46 Van het ene op het andere moment horen wij precies het tegenovergestelde van al het voorafgaande. Als een spiegelbeeld van Gods belofte: u hebt hem verworpen (vs. 39), u hebt het verbond versmaad (vs. 40), u gaf zijn tegenstanders de overhand (vs. 43), u hebt zijn troon omvergeworpen (vs. 45).

Vers 47-53 De klacht gaat over in een smeekgebed: gedenk mij (vs. 48), waar is uw liefde van vroeger (vs. 50), gedenk, Heer, dat uw dienaren worden bespot, uw vijanden bespotten uw gezalfde (vs. 51-52).

Even plotseling als de belofte veranderde in een aanklacht, gaat het smeekgebed over in een lofprijzing, die uitloopt op een dubbel ‘amen’ (vs. 53).

De betekenis van dit amen is prachtig verwoord in een lied van Martin Luther:

Amen, dat is: zo zal het zijn.
Al is ’t geloof maar zwak en klein,
Gods goede trouw is groot en sterk
en Christus pleit voor heel zijn kerk.
Waar in zijn naam gebeden is,
is Amen zeker en gewis.

(Gezang 48:10)

Aanwijzingen voor de prediking

1. Verwachting: ‘het gaat gebeuren’ en ‘het lijkt nog nergens op’

Het lijken wel twee verschillende auteurs, die van het loflied en die van de klacht. Maar het is één psalm, het is één werkelijkheid. Wie heeft gelijk? Allebei. En dan niet op de manier van: voor de ene mens is nu eenmaal het glas half vol en voor de ander half leeg. Maar beide tegelijk zijn een waar getuigenis, het loflied én de klacht. Want geloven is: uitzien naar wat beloofd is, naar een wereld waarin mensen kunnen juichen! ‘Juichend roepen zij uw naam, dag aan dag’ (vs. 17a). Maar geloven is óók: zien hoeveel puinhopen er zijn en daar onder lijden.

2. Belofte: de gezalfde als hulp van God uit het volk

De gezalfde is de hulp, in wie Gods trouw blijkt. Al vanaf den beginne heeft ieder mens hulp nodig. Het is niet goed dat de mens alleen is, zei God, en hij zorgde ervoor dat er hulp kwam. Zo zijn wij geschapen om elkaars hulp te zijn.

Wij leven in een wereld die ‘help uzelf’ hoog in het vaandel heeft. Een wereld die vaak een verwrongen beeld geeft van Gods bedoeling en waar veel mensen zich hulpeloos voelen. Ieder mens heeft hulp nodig om te leven, al zijn wij soms te koppig om dat toe te geven. Of wij zoeken hulp op de verkeerde plaatsen.

Werkelijke hulp is te vinden bij de koning, uit het geslacht van David. Deze gezalfde is zelf uit het volk afkomstig. In de kerk heeft men hierin Jezus Christus herkend die als mens zelf uit het gewone volk afkomstig was, zoon van Maria. Tegelijkertijd mocht Hij Vader tegen God zeggen en was Hij hoogste van de koningen der aarde. In Hem herkennen wij de uitverkorene van God, die tegelijkertijd de smaad van een verworpene heeft gedragen. Red jezelf! riepen ze Hem spottend toe toen Hij aan het kruis hing (Mat. 27:40); maar de gezalfde van God komt om óns te redden.

3.Gods verborgen omgang vinden: van onze hulp tot amen

De psalm geeft ons aanwijzingen hoe wij ons persoonlijk kunnen voorbereiden op de komst van hem, die de hulp geeft die wij nodig hebben. De psalmen worden in de gemeente gezongen. Daar kunnen wij elkaar helpen om de woorden van Gods beloften steeds weer als nieuw te horen. Daar kunnen wij samen bidden en ook klagen: hoe lang? en waarom nog niet? Zonder de gezamenlijke lofzang en zonder het gebed van de gemeente missen wij de persoonlijke omgang met God.

Hoe zal het tot ons doordringen dat God trouw is, zonder de kerkdienst die wij beginnen met: ‘Onze hulp is in de naam van de Heer’ en eindigen met: ‘Amen’?

Liturgische aanwijzingen

Mogelijke liederen: Psalm 25; 61; Gezang 126; 294; 447; 448. Als evangelielezing past Matteüs 27:37-40.

Literatuur

HJ. Kraus, Psalmen Bd. 2 (BK XV/8), Neukirchen 1978; F.H. Breukelman, ‘Debharim’ (Biblische Theologie II), Kampen 1998.

< Terug