< Terug

Preekschets Psalm 96:1

Psalm 96:1

Vierde zondag na Pinksteren

Zing voor de Heer een nieuw lied.

Schriftlezing: Psalm 96

Uitleg

Dit gedicht is een en al lofprijzing van de HEER die meer is dan alle goden van andere volken. Het is een koningshymne en zij die worden opgeroepen tot de lofprijzing of die daadwerkelijk uitvoeren, vereren deze God als koning, die zich heeft bekendgemaakt als jhwhelf keer komt de NAAM in de psalm voor. Vers 10b is de kernboodschap van de psalm.

Onder exegeten is de cultische hypothese van het troonsbestijgingfeest of kroningsfeest gangbaar (geweest) als Sitz im Lebenvan deze en andere koningspsalmen. Kraus is daar nogal kritisch over: de voorstelling is dat de intronisatie in de tempel wordt voltrokken; het werkwoord ‘b in vers 13 (komen van de Heer) zou dan de cultische intocht van Koning Jhwh in de tempel aanduiden. De voorstellingen lopen echter door elkaar: trekt jhwh nu reeds als gekroonde koning de tempel binnen? Waar zou dan de kroning hebben plaatsgevonden? En hoe moet men zich die troonsbestijging voorstellen? ‘Es häufen sich Fragen und Probleme’ (Kraus, II, 669).

De psalm wordt laat gedateerd, dat wil zeggen: na de ballingschap. Voor de vaststelling van de historische situatie moet volgens Kraus worden uitgegaan van het feit dat Psalm 96 zowel motieven heeft uit oudere koningshymnen als afhankelijk is van voorstellingen en beelden van Jesaja 40-66 (vgl. Jes. 42:10). Vers 7 is een citaat van Psalm 29:lvv. en vers 9 en 10 van Psalm 93:1. Of het hier gaat om traditioneel gemeenschappelijk liturgisch materiaal uit een bestaande cultus is niet bewijsbaar.

Of er sprake is van een cultische situatie na de ballingschap waarin het lied past, zie 1 Kronieken 16:23 en volgende, waar de psalm geheel wordt geciteerd. In de Septuaginta heeft de psalm als opschrift: ‘Als het huis gebouwd is na de ballingschap.’ Het kader waarin de psalm in 1 Kronieken 16 wordt geciteerd is het feestelijk binnendragen van de ark van het verbond in de tempel. Daarbij wordt ook Psalm 105:1-15 aangehaald waarin de uittocht wordt bezongen. Kraus denkt dat de psalm gebruikt is bij de viering van het Loofhuttenfeest.

Het nieuwe van dit lied vol oude motieven is het eschatologisch perspectief dat aan Deuterojesaja wordt ontleend, zoals de gedachte die in vers 5 wordt uitgedrukt en een grotesk beeld biedt: de Heer troont boven de ‘nietsen’ (met een woordspeling in het Hebreeuws: elohe Hilim, de góden van de volken zijn nietsen).

De dichter is niet op eigen innovatie uit, maar het is Gods handelen dat de harten en tongen losmaakt voor het nieuwe lied. Als er geen nieuws is van God is er ook geen nieuw lied! Dat nieuws van God is dan dat de Heer recht zettend, dat is herordenend, ingrijpt in de volkerenwereld (vs. 7, 10 en 13). De psalm verkondigt dat zingend (vs. 2) en proclamerend (vs. 3 en 10), terwijl meestal in de hymnen van Israël de grote daden die God in het verleden deed worden bezongen (zoals in Ps. 105).

Dit ingrijpen van God werd zichtbaar in de zege van Cyrus, de koning van de Perzen (Jes. 45), over Babylon met alle positieve gevolgen van dien voor Israël: de terugkeer uit de ballingschap en de wederopbouw van de stad Jeruzalem en de tempel. De nieuwe wereldmacht van de Perzen schept een voor de joden gunstige nieuwe wereldorde. In Jesaja 45:1 wordt Cyrus de messias, de gezalfde van God genoemd. Deze koninklijke macht ook over ‘heidense’ heersers, verleende het koningschap van jhwh, dat in de tempel werd gevierd, (zie vs. 6-9) een nieuwe universele betekenis, die wel een nieuw lied moest oproepen: vers 10. Deze nieuwe realiteit zal de hele schepping meeslepen in een jubelende hulde: vers 13.

Als in een visioen wordt hier het eschatologisch heil uitgezongen over God wiens recht voor eeuwig zal heersen, waarin ook de natuur deelt (vs. 11 en 12).

Deze oproep tot verkondigen is niet missionair van aard in de zin van ideologisch indoctrineren van een religie (zoals dat in een traditioneel zendingsmodel van de kerk wel gebeurde en gebeurt). De bedoeling is lofzang, poëtische theologie. De psalmdichter is er mijns inziens van overtuigd dat dat de meest effectieve kunst is waarmee Gods daden moeten worden bezongen en de nieuwe perspectieven van zijn koningschap moeten worden zichtbaar en hoorbaar gemaakt.

Onlangs kwam ik in aanraking met het werk van Alex Stock (zie literatuurlijst). Op een voor mij originele en inspirerende manier schrijft hij nieuwe theologie of de theologie opnieuw.

Het werk beslaat inmiddels 1500 pagina’s in zes banden: vier over de christologie en twee over de godsleer. De eerste band van de godsleer heeft als ondertitel Orte,de plaatsen, de loei theologici: waar komt God ter sprake? Stock ging op zoek naar die plaatsen. En hij schrijft een topografie van de vindplaatsen van God. ‘Orte genug.’ Hij citeert dan – in het Duits – het essay van Huub Oosterhuis ‘Plaatsen genoeg’ onder die Duitse titel en mediteert erover. Als inleiding op zijn meditatie schrijft Stock: ‘Es ist eine Art Stadtrundgang auf der Suche nach Gott, seinem Vorkommen in der Diaspora der modernen Welt, ein Gedankengang mit lokalem Kolorit. Es sind zwölf Denkstücke, szenische Fragmente ohne strenge Abfolge. Man folgt dem Stadtgänger und in den Zwischenräumen spinnen eigene Gedanken das Gesagte weiter, nicht zu weit, so dass für den Leser immer noch Platz bleibt, das Seine dazuzudenken’ (18vv.). Zijn topografie vergroot hij dan in verhandelingen over de metropolen Jeruzalem, Athene en Rome, om vervolgens weer naar de stad terug te keren. Naar de rivier en de markt. Een nacht in de dom. Een bezoek aan het museum en ten slotte naar het station.

Aanwijzingen voor de prediking

Zomaar staat daar Psalm 96 in de bijbel met de oproep om een nieuw lied voor God te zingen, de God van Israël, genoemd met die oude naam, de Enige. Want Hij is in aantocht en de oude woorden uit de liturgie dringen zich op:

‘Heilig, heilig, heilig o Heer van alle machten, hemel en aarde zijn vol van uw heerlijkheid.

Hosanna in den hoge!

Gezegend die daar komt…’

Het gedicht is niet geadresseerd noch is er een afzender. Maar de hele aarde moet zowel meezingen als aan iedereen en alles zijn majesteit bekendmaken, inclusief de natuur. Inderdaad: pleni sunt coeli et terra…

Een nieuw lied dus, niet het oude liedje. Maar wie heeft die nieuwe woorden beschikbaar?

‘Het is niet aan ons de dag te voorspellen – maar die dag zal komen – dat er weer mensen geroepen worden om zó Gods woord te spreken dat de wereld eronder verandert en zich vernieuwt. Het zal een nieuwe taal zijn… bevrijdend en verlossend als de taal van Jezus’. Die dag is nog niet aangebroken, ‘maar er zullen mensen zijn, die bidden en gerechtigheid doen en op Gods tijd wachten’ (Dietrich Bonhoeffer, 119).

De preek over deze psalm zal in onze tijd van onzekerheid over God (staat dwars op de uitbundigheid van Psalm 96) iets moeten laten zien van het zoeken naar die nieuwe taal.

Gods bevrijdend en rechtzettend woord moet gesproken worden, dat is de boodschap van de psalm.

Mijn suggestie voor de preek over Psalm 96 zou zijn om Stock na te volgen en aan de slag te gaan met het essay van Oosterhuis, waarvan ik de vierde ‘plaats’ citeer: ‘God een glaswand, tussen mensen in, vreemd geruis? Een woord dat mensen afhoudt van elkaar? Nee toch zeker!’ (Oosterhuis, 10). Iedere ‘plaats’ van Oosterhuis’ essay biedt wel een opening om aansluiting te vinden bij de psalm. Deze vierde bijvoorbeeld gebruikt als metafoor voor ‘God’ een glaswand: je kunt de ander zien, maar niet horen en ook jij bent niet te verstaan.

God als sta-in-de-weg. Maar door het open dak van de loofhut zie je de heldere sterrenhemel: hemel en aarde zijn van zijn grootheid vol. We leven onder een open hemel. De andere metafoor is ‘geruis’: de lijn is gestoord, het tv-scherm laat sneeuw zien. Als de storing blijft, neem dan contact op met uw computerleverancier. God als woord houdt mensen bij elkaar vandaan, gelovigen bij ongelovigen of andersgelovigen; om die god breekt de hel los.

Maar God de Heer, zal komen en rechtzetten, verbinden en helen.

Liturgische aanwijzingen

‘Zing een nieuw lied’ kan uitdrukking vinden in het uitproberen van een nieuwe vorm van liturgie en andere muziek en liederen dan anders. Het essay van Oosterhuis (zie boven) kan als leidraad voor de liturgie dienen, bijvoorbeeld door eruit te lezen, er kort over te mediteren en het af te wisselen met meditatieve muziek, solozang, een cantorij, orgel en piano. Als er een dienst van Schrift en Tafel wordt gevierd op deze zondag moeten het Sanctus en Benedictus klinken. Liedsuggesties: Psalm 96; Gezang 225; 320; Tt nr. 37; 134 (!) en 174. In het Gemeenschappelijk Leesrooster, C-jaar, staan Jeremia 7:1-15 en Lucas 6:39-49 vermeld, zie Dienstboek I, 1205.

Geraadpleegde literatuur

Alex Stock, Poëtische Dogmatik. Christologie (4 delen) en Gotteslehre (2 delen), verschenen bij Schöning, Paderborn, vanaf 1995; Huub Oosterhuis, ‘Plaatsen genoeg’, in: Zien soms even, Ambo Bilthoven, 1972; Dietrich Bonhoeffer, Verzet en overgave, Amsterdam 1968.

< Terug