< Terug

Preekvoorbereiding Goede Vrijdag Matteüs 27:45-56

Schriftlezing: Matteüs 27: 45-56

Deze preekvoorbereiding maakt deel uit van het project ‘Samen preken in de lijdenstijd 2020’ van IZB-Areopagus. In het kader van de bijzondere situatie door de corona-pandemie stelt IZB-Areopagus het materiaal van dit project kosteloos beschikbaar.
Een begeleidende brief (van Kees van Ekris, studieleider van Areopagus) en een link naar het volledige materiaal van dit project (bijlages in de vorm van literatuur, flarden uit commentaren, meditaties en soms ook een kunstuiting) vindt u hier.

I Tekst

De perikoop voor Goede Vrijdag laat zich lezen als het tweede bedrijf van de kruisigingsgeschiedenis zoals Mattheüs hem weergeeft. In het voorafgaande zie je eensgezinde drukte van mensenkant die zicht richt op een duidelijk doel: Jezus moet uit de weg geruimd. Soldaten kruisigen Hem en verdelen zijn kleren. Uit verschillende monden klinkt dezelfde boodschap van spot: voorbijgangers, Joodse leiders en gekruisigden roepen Jezus toe dat Hij zijn woorden niet kan waarmaken en dat zijn claims grootspraak waren.

Het tweede bedrijf geeft een ander beeld. Hoewel God niet als handelende persoon wordt opgevoerd, is Hij hier ongezien nadrukkelijk aanwezig. De spot van de mensen verkleurt naar onzekerheid en vrees door wat er gebeurt. Deze tweede fase laat zich nog verdelen in de beschrijving van de laatste uren van Jezus en zijn sterven (45-50) en de tekenen die daarop volgen (51-56).

45. Vanaf het zesde uur begon het donker te worden op de hele aarde, tot aan het negende uur. Het zesde uur betekent twaalf uur ’s middags, wanneer de zon op zijn hoogst staat. De duisternis is een teken met een zware lading. In de geschiedenis die Matteüs vertelt is dit het moment waarop de mensen zwijgen. Je kunt de duisternis uitleggen als een teken van verdriet: de schepping treurt en hult zich in duisternis. Sommigen zien een verband met Amos 8:9, wat goed zou kunnen, omdat daar ook sprake is van het beven van de aarde (Amos 8:8) zoals hier in v51; ook is daar sprake van het verkopen van de zwakke voor een handvol zilver. (Amos 8:6). In ieder geval is er een kosmische resonans: zoals bij de geboorte een ster oplichtte, zo verduistert de aarde bij Jezus sterven. Boeiende thematiek: de schepping die op de één of andere manier meedoet: Je kunt de duisternis duiden als het treuren van de schepping, maar ook als een uiting van de toorn van God. (Vgl ook Matteüs 24:29.) Gnilka

J. Gnilka, Das Matthäusevangelium 14,1-28,20, (Herders Theologischer Kommentaar Zum Neuen Testament), Herder: Freiburg 1988.
1

46. Rondom het negende uur, schreeuwde Jezus het uit met een luide stem: Eli, Eli, lema sabachtani? Dat betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?
Jezus heeft aan het begin van de kruisiging een keer aangegeven dat Hij de wijn niet wilde drinken. Het hoe van het weigeren wordt niet verteld. Verder hult Jezus zich in de weergave van Matteüs aan het kruis in stilzwijgen. Op deze uitroep na. Dat verleent aan de woorden veel gewicht. Het is belangrijk om de compositie van Matteüs te volgen, en daarmee het gewicht van deze woorden recht te doen.

De woorden zijn in het Aramees / Hebreeuws en zijn zo blijkbaar overgeleverd (ook in Marcus, met kleine variatie). We komen hiermee heel dicht bij de klank van de taal die Jezus geuit heeft. Matteüs geeft het weer vanwege het misverstand dat volgt, maar het raakt ons, dat we zo dicht bij Jezus komen in dit uiterste uur van zijn leven.

Wanneer we uitsluitend tegen de achtergrond van dit Mattheüs-evangelie proberen woorden te geven aan wat Jezus ervaart, zijn we op deze ene zin aangewezen. Laten we voorzichtig proberen te bezien waar deze woorden naar verwijzen.

I. Het is een schreeuw die uiting geeft aan diepe verlatenheid. Degene die over zichzelf hoorde zeggen ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind Ik vreugde’ (3:17); Die het ons leerde om God Vader te noemen (6:9) en Hem zelf als Vader aansprak (26:39) en zo de innerlijke rust vond in Gethsemané om de weg te gaan; Hij spreekt hier over het verlaten zijn door God. Het gaat hier om een afgrondelijkheid waar wij niet binnen kunnen komen. We kunnen deze ervaring slechts bij benadering omschrijven als het totaal-omgekeerde van de zegen. De zegen is het schijnen van het licht van Gods vriendelijk gelaat over ons leven. Hier is er duisternis van de Godverlatenheid. Een verlatenheid die des te sterker wordt gevoeld, omdat het gaat om mijn God. Deze manier van aanspreken maakt de verlatenheid des te scherper. Immers het veronderstelt relatie, betrokkenheid wanneer je spreekt over mijn God. Deze woorden raken ook aan de spot van de omstanders, die Hem hebben gehoond dat Hij zijn vertrouwen op God heeft gesteld. Wat voor voordeel heeft Hij daarvan?

II. De woorden van de kreet van Jezus zijn voorgegeven. Het is geen vrije expressie, maar Psalm 22:2. De Psalm is verweven met wat er gebeurde: Psalm 22:8-9 > bijv Matteüs 27: 43; P 22:19 > Matteüs 27:35. Ps. 22:2 kun je zien als een samenvatting of -balling van alles wat zich afspeelt aan het kruis. Jezus verstaat wat Hij ondergaat vanuit deze Psalm en de hele Psalm klinkt mee in dat ene vers.

De gedachte dat we de hele Psalm moeten laten meeklinken in de ene kreet van Jezus, – zoals sommige uitleggers voorstellen – kan ertoe leiden dat we al te achteloos voorbijgaan aan de nood. Al te snel schieten we dan door naar het laatste gedeelte van de Psalm, daarmee suggererend dat Jezus al de lofzang zou aanheffen. De wijze waarop de Psalm functioneert verbiedt dat echter. Het gaat in die Psalm om daadwerkelijke diepe verlatenheid die aan God wordt geklaagd. De Psalmdichter voert zelfs een geding met God. Het moet opnieuw waar worden dat God zich ‘niet ver houdt en te hulp snelt’ (v20), wil het slot werkelijkheid worden.

Bruegemann & Bellinger

W. Bruegemann & W.H. Bellinger Jr. Psalms, Serie: New Cambridge Bible Commentary, Cambridge University Press 2014.

zien Psalm 22 vers 2 en 3 als een beschuldiging aan het adres van God. Het klopt niet met het karakter van God, wat nu plaatsvindt in het leven van de bidder (of van het volk Israel). Deze aanklacht aan het adres van God, wordt geladen en ondersteund met drie soorten ‘argumenten’:

a) Beroep op karakter van God (v4-6): U bent toch trouw? Dat hebt U toch laten zien aan onze voorvaderen?

b) Klacht over de situatie (v7-19): allerlei narigheid wordt beschreven die niet overeenkomt met wat een rechtvaardige van God mag verwachten.

c) Gebed tot God (20-22): Hier wordt concreet aan God om hulp gevraagd. 2

Het slotdeel van de Psalm (v23-32) vormt een uitbundige lofprijzing op God. Deze kan alleen klinken als, of omdat God ingaat op wat de Psalmist zingt en bidt. Alles verandert omwille van ‘de niet aflatende vasthoudendheid van de Psalmist aan zijn geloof dat de huidige situatie onaanvaardbaar is en dat JHWH in staat is om deze te veranderen, als en indien JHWH opstaat om te verlossen.’ Zo bezien kan het ook gezongen worden als een belofte aan God, om Hem ertoe aan te zetten om te verlossen: zo zullen we U prijzen, als U komt.

Jezus ervaart zijn situatie als het losgeraakt zijn van de goedheid van God. God is afwezig. Hij doet als rechtvaardige een beroep op de trouw van God. De vraag is of Hij is verhoord. Niet op de manier waarop de Psalmist hoopte. Aan de dood is Jezus niet ontkomen.

47. Sommigen van degenen die daar stonden en het hoorden, zeiden: Deze roept om Elia.
48. En meteen rende een van hen (naar voren), nam een spons, vulde die met zure wijn en zette hem op een speer en gaf Hem te drinken.
49. Maar anderen zeiden: Doe niet, laten we kijken of Elia komt om Hem te redden.
De kreet van Jezus maakt reactie los. Sommige omstanders haken aan op de klank van de eerste woorden en veronderstellen dat Elia zal komen om te verlossen. Het was indertijd een gangbare opvatting dat Elia dat kon doen. Blijkbaar klonk Jezus’ stem schor en daarom krijgt Hij van een van de omstanders zure wijn te drinken, wat beschouwd werd als de beste dorstlesser. Anderen (dit is een eigen accent van Matteüs tov Marcus) willen juist afwachten of Elia daadwerkelijk komt. De eenheid onder de toeschouwers die in de eerste fase van de kruisiging zichtbaar was, is hier verbroken. Omstanders tasten in het duister over waar ze nu precies getuige van zijn..

50. Maar Jezus riep opnieuw met een luide stem en gaf de geest.
Over Jezus staat dat Hij nogmaals luid schreeuwt (Matteüs gebruikt hier een ander werkwoord dan v 46) zonder dat verteld wordt wat Hij uitroept. Matteüs biedt een sobere weergave als om te accentueren dat Jezus hier niet de leraar is die spreekt tot leerlingen, maar de zwijgende knecht van de HEER.
De frase ‘de geest geven’ is dubbelzinnig. Je kunt het letterlijk lezen als de ‘pneuma’ opgeven, of als ‘laatste adem uitblazen.’

Vers 51-53 vertelt buitengewone tekenen die gebeuren na het sterven van Jezus. Veel van wat hier staat (behalve het scheuren van het voorhangsel) is eigen materiaal van Mattheus. Bij beschrijft tekenen die laten zien dat de dood van Jezus een eschatologische gebeurtenis is; dat we bij het sterven van deze Ene de grens van de geschiedenis hebben bereikt.

51. En zie: de voorhang van de tempel werd in tweeën gescheurd, van boven naar beneden; en de aarde beefde en de rotsen scheurden.
Het scheuren van de voorhang wordt omschreven met een passieve werkwoordsvorm om te verwijzen naar Gods handelen (passivum divinum). Dit wordt versterkt door de beweging van boven naar beneden. Mogelijk speelde de aardbeving een rol daarbij. Het gaat hier om het gordijn dat het allerheiligste scheidt van het heilige. Deze gebeurtenis kan verschillend worden geïnterpreteerd. Sommigen zeggen dat het gaat om een dreiging of straf van God aan het adres van de Joodse geestelijke elite, dat hun tempel spoedig ten einde zal zijn. Een andere, meer voor de hand liggende verklaring, die in de eerste eeuw onder christenen opgang deed, is dat God met deze handeling aangeeft dat de oude bediening van de verzoening ten einde is gekomen met het sterven Jezus.

Het beven van de aarde (ook bij de opstanding) en het scheuren van de rotsen zijn tekenen van een epifanie, een Godsverschijning. Na de dood van Jezus is God aanwezig op Golgotha.

52. En de graven gingen open en vele lichamen van de heiligen die ontslapen waren (letterlijk: in slaap waren gevallen) stonden op.
53. En zij kwamen uit hun graven na Zijn opstanding en gingen de heilige stad in en verschenen aan velen.
Met Zijn komst naar Golgotha, geeft God een teken van wat de dood van Jezus heeft bewerkstelligd. De dood van de rechtvaardige Mensenzoon geeft leven aan heiligen die al waren ontslapen. In Ezechiël 37:13 staat een profetie die ook hier vervulling krijgt. Bijzonder is het dat ze hebben gewacht op de verrijzenis van Jezus, voordat ze hun graven verlaten. Ondertussen kunnen we ons bij deze gebeurtenis weinig voorstellen, omdat ze geen deel is van onze ervaring. Ze is te zien als een prolepsis van de jongste dag, of een teken daarvan. Het is een gebeurtenis die past bij de voltooiing van de wereld en daarom in de stroom van onze geschiedenis tot aan die dag geen vervolg heeft gehad.

Vers 54-56 schildert als vervolg op deze kleine apocalyps nog twee groepen mensen: uit de volkeren zijn er die tot belijdenis van de Zoon komen en een kleine rest die tot het einde trouw is gebleven.

54. Toen de centurion en zij die met hem Jezus bewaakten, de aardbeving zagen en dat wat er gebeurde, vreesden zij zeer en zeiden: Deze was waarlijk de (of: een) zoon van God.
Het maakt de soldaten potsierlijk dat Matteüs hier nog een keer het werkwoord bewaken invoert (eigen tegenover Marcus). Ze hebben Hem bewaakt die ze nu vrezen. Een demasqué van de aardse macht.

Het is overigens een belangrijke lijn in Matteüs dat juist mensen uit de volkeren tot het belijden van Jezus komen. In Matteüs 2 zijn de magiërs die neerknielen voor Jezus. Hier is het een centurion die met een belijdenis erkent dat Jezus de (of: een, dat is niet uit te maken op basis van het Grieks) Zoon van God is. Aan het slot van het evangelie zijn het alle volken die tot leerling van Jezus gemaakt moeten worden. Een belangrijke bedoeling van Matteüs is het om Joden te laten zien dat het heil ook de volkeren ten deel valt.

De lofprijzing in Psalm 22 bezingt overigens ook dat alle volken God zullen vereren (v28v).

55. Er waren vele vrouwen die op een afstand toekeken, zij waren Hem, terwijl ze Hem dienden, gevolgd uit Galilea.
56. Onder hen was Maria uit Magdala, Maria de moeder van Jacobus en Jozef, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.
Een groep vrouwen is op afstand blijven kijken naar wat er gebeurde. Het is een trouwe groep vrouwen die Jezus altijd heeft gediend. Een rest die is overgebleven. Straks zullen ze als eersten de opgestane Jezus ontmoeten. Intrigerend is dat de Passiegeschiedenis van Matteüs. ook begint met het getuigenis van een vrouw, die Hem zalft. Hier hebben de vrouwen wel een naam. Het noemen van de naam hangt ook samen met een soort verificatie-factor. In de vroege kerk waren het concrete mensen, met een gezicht en een adres, die getuige zijn geweest van zowel de kruisiging, de dood als de opstanding van Jezus.

II. (Bijbelse) Theologie

Deze passage biedt een heel scala aan mogelijkheden of zelfs verplichtingen tot theologische reflectie. Er zitten verschillende lagen in deze gebeurtenis die niet te scheiden, maar wel te onderscheiden zijn.

a) Mysterie

Als Matteüs. ons iets duidelijk maakt, dan is het wel dit, dat we hier op heilige grond staan. De tekenen die gepaard gaan met het sterven van Jezus en de reactie van de omstanders laten zien dat er op Golgotha iets gebeurd is dat zich onttrekt aan directe waarneming. De grond beeft en rotsten splijten wanneer Jezus sterft. Het sterven van Jezus heeft een kant die we niet kennen en niet zullen kennen. Het is een grenservaring geweest van het hele menselijke geslacht. Dit moet ons voorzichtig maken om vanuit onze ervaring dat wat Jezus overkomt in te kleuren. Te snel maken we het te klein en ‘begrijpelijk’.

Veeleer is het zoeken naar die dingen die mogelijk iets over ons leven en lijden zeggen. De beweging andersom: vanuit dat merkwaardige kruis kijken wat het zegt over ons leven en over ons sterven.

b) Wat doet God met Jezus’ gebed, tijdens zijn worsteling op leven en dood?

Waarom hebt U mij verlaten?, is bij Matteüs Jezus’ laatste verstaanbare kreet voor zijn dood. Wanneer we die niet alleen verstaan als een uiting van wanhopige eenzaamheid, maar ook als een (aan)klacht naar God ontstaat er een diepe vraag. Het gaat om een dringende oproep aan God om te zorgen dat de dood niet doorzet (vgl P 22: 16), maar dat God bevrijdt. God heeft daar niet op gereageerd: Jezus, de Rechtvaardige bij uitstek, die verhoring verdiende, wordt niet verlost van de wilde dieren die zich rondom Hem hebben opgesteld. De verlatenheid en eenzaamheid die klinken in de rauwe waarom-vraag zijn blijven staan totdat Hij zijn laatste adem heeft uitgeblazen. Hij ondergaat een nare dood en vindt geen verhoring op zijn klacht.
Daarmee is er iets gebeurd waarin velen zich zullen herkennen en wat het vertrouwen op God op de proef gesteld heeft en nog altijd stelt. Er is zoveel onrechtvaardig bloed vergoten van het begin tot op de dag van vandaag (zie ook 23:35v). Het kwaad lijkt zo vaak te winnen. Juist nu kunnen we het met onze handen tasten. De waarom- en de waar-is-God-vraag, klinken nog altijd. Jezus sterft te midden van deze vragen als ieder mensenkind. Binnen het aardse leven dat Jezus geleefd heeft, is Hij niet verhoord.

(Hier zouden misschien verbindende zinnen moeten staan; maar welke? Iedere zin die begint met ‘En toch’, of: ‘Maar’, probeert een brug te slaan die het risico loopt in te zakken omdat er geen recht wordt gedaan aan het unieke van wat er gebeurt. Moeten we de spanning van het voorafgaande niet eerst diep laten ‘indalen’?).

Jezus’ dood gaat gepaard met eschatologische tekenen. Deze eindtijdtekenen duiden aan dat dit sterven, hoe gewoon ook, toch uniek was. Ze vertellen door hun apocalyptische aard dat in Jezus’ dood het einde van ‘deze eeuw’ is ingeluid.

Dit heeft te maken met wat Matteüs vertelt over wie Jezus is. Jezus is werkelijk uniek geweest. Niet alleen omdat Hij ook Gods Zoon was (wat Matteüs ook vertelt), maar ook als mens. Al voor zijn geboorte bleek dit (1:16: bij haar werd Jezus verwekt, in plaats van dat Jozef gewon; 1:18, zwanger door de Heilige Geest). Mensenzoon,- als verwijzing naar Daniels nachtgezicht en beschrijving van een uniek menszijn vergelijkbaar met Adam – wordt Hij genoemd en noemt Hij zichzelf. Hij is een unieke ongerepte Mens.
Hij die onterecht sterft als unieke in zichzelf ongerepte Mens, wordt opgewekt. En wel zo opgewekt dat Hij voorbij is aan dit leven. Omdat Hij voorbij is aan dit leven, blijft het bittere staan van de kreet en het onverhoord zijn overeind in deze eeuw. En, evenzeer geldt: omdat Hij voorbij is aan de dood, schept het nieuwe ongekende mogelijkheden.
Daar klinkt ook in mee dat Jezus niet alleen voor zichzelf sterft en leeft, maar dat Hij dat voor anderen doet. Hij sterft niet als een unieke enkeling, maar eerder als vertegenwoordiger van het hele menselijk geslacht, in wie al het lijden is samengebald. Over Hem staat toch dat Hij al het lijden op zich genomen heeft? In het sterven en onverhoord blijven van Jezus de Mensenzoon, zit het sterven en onverhoord blijven van heel het menselijk geslacht. Dat heeft Hij met zich meegedragen en ondergaan. Doordat juist Hij sterft, sterft ieder mensenkind. De diepste trouw die bestaanbaar is heeft God betoond – en dus toch verhoring gegeven – door deze unieke Mens, in wie heel het menselijk geslacht wordt meegedragen, op te wekken voorbij aan de dood.

Matteüs. kan het niet laten om naar die verhoring te verwijzen wanneer hij het sterven van Jezus beschrijft. Hij noemt immers meteen na het sterven al de opstanding van Jezus die opstanding voor andere heiligen mogelijk maakt (27:53). De tekenen van het einde als antwoord op de kreet van Jezus zijn dus bijzonder hoopgevend, ze duiden op verhoring van Godswege. In Jezus’ sterven is er een grens gemarkeerd, een genoeg aan tranen en verdriet aangeduid. Het houdt een keer op, want Jezus – in Wie wij verborgen zijn – is de grens voorbij aan deze geschiedenis al over gegaan.

Daarmee zitten we op een spoor dat in de Vroege Kerk veel werd belopen. Het gaat uit van de gedachte dat satan als vorst van de dood zich in zijn prooi heeft vergist en door Hem te doden, juist de doodsteek geeft aan zijn eigen rijk. De dood van Jezus maakt de macht van de dood teniet. In Hebreeën 2 wordt deze gedachte ook uitgewerkt: door zijn sterven heeft Jezus degene die de macht over de dood had en alle mensen slaven maakte van hun levenslange angst voor de dood, bevrijd.

c) Vloek

Zoals bij de exegese al aangegeven, tekent Matteüs. in zijn weergave wat vloek en straf op de zonde inhoudt. Hoewel Matteüs. de expliciete verwijzing naar het OT hier niet aanhaalt, hangt Jezus aan een hout en geldt Hij als vervloekte. De keerzijde van de zegen worden zichtbaar in de duisternis en hoorbaar in de bittere schreeuw om Gods aanwezigheid. God verschaft Jezus in de bedeling zoals wij hem kennen geen recht. Hij heeft geen toegang bij de Vader. In Matteüs 26 :39 noemde Jezus dit het drinken van de beker van de Vader. De werkelijke inhoud ervan blijft voor ons verborgen.

d) Een gescheurd voorhangsel

In de aankondiging van zijn naam in Matteüs 1:21 wordt duidelijk gemaakt dat Hij ‘De HEER redt’ heet omdat Hij zal verlossen van zonden. Bij de instelling van het avondmaal heeft Hij onderstreept dat Hij zijn bloed geeft ter verzoening (26:28). Bij zijn sterven scheurt de voorhang als teken daarvan dat Hij verzoening heeft bewerkt en de dat de oude bediening van verzoening heeft afgedaan. Vooral in de Hebreeënbrief wordt deze lijn prachtig uitgewerkt. Hebreeën 6:20 en Hebreeën 9 verwoorden het unieke van het sterven van Jezus, waarmee Hij zichzelf offert als een enig en uniek offer, waardoor Hij een vrije toegang de Vader bewerkt. Deze lijn is in onze traditie breed en rijk uitgewerkt, maar lijkt soms ook onder het stof te zitten.

e) God met ons

Een heel andere lijn die te trekken is, komt ook op uit de kreet die Jezus slaakt. Zijn verlatenheid door God staat in een bijzondere verbinding met het begin van het evangelie, waar Matteüs als enige vermeldt dat Jezus Immanuël is, God met ons. Aan het slot van het evangelie, zegt Jezus, die alle macht gegeven is in hemel en op aarde: IK BEN met jullie, alle dagen tot aan de voleinding van de wereld. Daar tussenin roept Hij dus aan het kruis dat Hij door God verlaten is. Misschien gaat het hierom: juist omdat Hij dat heeft ondergaan en in deze werkelijkheid geen gehoor heeft gekregen van God, is God ons nabij. In de Godverlatenheid van Jezus, is God ons nabijgekomen. In die kreet drukte Jezus zijn naam Immanuel tot op het uiterste uit: liever Hij van de Vader verwijderd (hoe dat ook mogelijk moge zijn) dan dat wij bij God vandaan verwijderd zouden zijn. De Drie-ene God kraakt in zijn eenheid door zijn toewending naar ons.

III. Existentiële verificatie

Psalm 22 zingen – of beter roepen – in een geding met God, vind ik confronterend. Het is geloofsleven tot op het uiterste opgerekt: of God grijpt in, of de betrouwbaarheid van God staat op het spel. In mijn gebedsleven spant het er zelden zo om. Dat kan iets zeggen over de mate waarin ik God nodig heb in mijn leven. Het zegt ook iets over de delen van mijn leven zonder God en hoe concreet ik geloven allemaal wil hebben. Daarin stelt het vragen aan mij. Het kan misschien ook niet iedere dag, of iedere week zo zijn.
Tegelijkertijd zitten er wel ervaringen in mijn leven die hier aan raken en juist ook aan verlatenheid die spreekt uit Jezus’ woorden. Het zijn vooral mijn beginervaringen in Dorkwerd, waar ik een preekstoel op klom en niet vloeiend kon spreken. De leegte die ik voelde, hangt nog ergens onder in mijn ziel. Die periode was er een waarin het erop of eronder was. Het was eigenlijk beide. Toen leerde ik bidden waarin iets van deze gloed zit.
In voorbeden voor mensen, of voor situaties heb ik het soms. Niet anders kunnen, niet anders willen, dan dat God ingrijpt. Bidden vanuit de intense spanning: het gaat erop of eronder.

Het kruis gaat over lijden en dood. Deze dagen komt voor ieder mens de dood dichterbij. Dat is onontkoombaar. Het heeft me werkelijk getroost dat deze kruisgeschiedenis eschatontekenen kent. Door de kruisdood is er een grens gesteld en een voorbij aan de dood geschapen.

Ik heb me ook de vraag gesteld waar de vergeving en de verzoening voor mij nu zitten, wanneer ik die ervaar. Het meest raakt het me, als ik terugdenk aan de laatste avondmaalsviering, vlak vóór de coronacrisis,. Die tafel heb ik nodig, om juist daar bij te blijven.

IV. Vormgeving

Er is een keur aan ingangen tot de tekst mogelijk. De lijn van lijden en sterven dat leven geeft is actueel. Het kan ook goed verbonden worden met de eenzaamheid die spreekt uit de woorden van Jezus. Eenzaamheid is een thema dat daar het lijden van mensen nu verzwaart: mensen moeten afstand houden. En als je corona hebt, ben je een soort melaatse die alleen met de grootst mogelijke voorzichtigheid kunt benaderen. Zeker wanneer je eenmaal in het ziekenhuis bent en er niemand bij je kan komen en je dood nadert, doet die eenzaamheid zeer. Een Italiaanse arts zei: ‘Weet je wat het ergste is, dat mensen alleen moeten sterven en smeken om afscheid te mogen nemen.’

https://www.hln.be/nieuws/buitenland/italiaanse-arts-weet-je-wat-het-ergste-is-patienten-die-alleenmoeten-sterven-en-smeken-om-afscheid-te-kunnen-nemen-van-hunkinderen~adf08306/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F

Het is de kunst in de preek om vanuit de Gekruisigde iets over deze eenzaamheid en dit lijden te zeggen, dat weliswaar ruimte laat voor onze eigen emotie, maar tegelijk een zodanig zicht geeft op Hem dat onze emoties niet de grens en de maat vormen van wat we zien.

V. Liturgische aanwijzingen

Ps. 22, Ps. 42

Dag zo bitter en zo goed (NLB 580, LvdK 194)

Mijn verlosser hangt aan ’t kruis (LvdK 189)

O Lam van God onschuldig (LvdK 188)

Gij wordt voor mij gekruisigd Heer (191)

O kostbaar kruis (LvdK 192)

Nu valt de nacht (LvdK 195)

Glorie zij U Christus, U leed onze nood (NLB 574)

Jezus, leven van ons leven (NLB 575).

Door wat voor grote eenzaamheden (NLB 582)

Zie de mens die in zijn lijden NLB 586)

O liefde die verborgen zijt (561)

Agnus Dei (Hemelhoog 162)

Als ik mijn ogen sluit (HH 163)

God enkel licht (HH 176)

Het is volbracht (HH 179)

Waarom o God, waarom, waarom (Zingende Gezegend 149)

Zie ook:

Materiaal project ‘Samen preken in de lijdenstijd 2020’ van IZB-Areopagus.

< Terug