< Terug

Preken in 1914 – Karl Barth

Het is mij een eer en een voorrecht om hier in deze prachtig gerestaureerde oude kerk een verhaal te houden over, jawel, preken in 1914. U weet wellicht dat een preekstoel een buitengewoon gevaarlijke plaats is. Uit de geschiedenis van de kerk weten wij dat vanaf een preekstoel werkelijk van alles kan klinken. De meest vrome praat, de meest orthodoxe verhandelingen, de meest politiek correcte verzinsels, en de grootste ketterijen, politieke leugens, grote theologische onzin en, nou ja, noem het maar op. Alles, maar dan ook alles heeft vanaf kansels geklonken uit de monden van dominees en priesters die zelf waarschijnlijk heel vaak niet in de gaten hadden wat voor dwaasheid ze nu eigenlijk verkondigden. Want de geestelijkheid is even dwaas als wij allen zijn. Ik wilde dit wel even gezegd hebben… Dat er gepreekt wordt, zegt op zichzelf helemaal niets over de inhoud en de betekenis van de preek. Men mag verwachten dat een mens die de kansel bestijgt dat in oprechtheid doet en met een eerlijk geweten. Alleen ons geweten kan ernstig dwalen en oprechtheid wordt vaak verdrongen door de hebzucht, die, zoals de apostel Jacobus al schreef, de wortel is van alle kwaad. Waarom dan toch een verhaal over preken in 1914, met een groot accent op de theoloog Karl Barth?

  • Omdat in preken naar voren komt hoe mensen denken, hoe een denksysteem in elkaar zit, hoe mensen gemanipuleerd kunnen worden, maar ook getroost en opgroepen tot een andere wijze van denken. Preken lezen is zoiets als een seismograaf raadplegen. Wanneer je preken leest van de grote theologen, krijg je direct een stuk tijdsgeschiedenis, een stuk levenservaring en levensinzicht mee.

  • Dat er een Wereldoorlog uitbreekt, in dit geval de Eerste, is al van een grote triestheid. En daar kwam nog eens bij dat het ongekend was hoe de techniek en de technische ontwikkelingen in deze oorlog ingezet werden om op grote schaal mensen te vermoorden. Als in zo’n constellatie mensen preken, is het de moeite waard om te kijken hoe ze God ter sprake brengen en wat het woord ‘god’ dan en daar eigenlijk betekent.

  • Waarom de theoloog Barth? Deze Zwitser leefde in een zogeheten neutraal land en keek in die zin van buiten aan tegen wat er in Europa speelde. Tegelijk was hij, zoals we zullen zien, enorm geschoold door Duitse theologen op beroemde universiteiten. Wanneer die theologen meedoen aan de euforie van de oorlog, breekt er iets stuk. Dat is een punt geweest, naast andere, dat hem aan het denken bracht hoe de vraag naar God opnieuw te stellen. Dat zou hij doen en dat zou enorme gevolgen hebben voor de beoefening van de protestantse theologie in West-Europa.

Ik maak met u eerst een verkenning: wat was in de Duitse kerk de inhoud van de prediking, hoe sprak men over God in 1914, dat wil zeggen, het grootste deel van de kerk. Daarin gaan de protestantse en de rooms-katholieke kerk vrijwel gelijk op. Dit is een verkenning – er is enorm veel over geschreven –, en dus u krijgt wat hoofdlijnen. Daarna ga ik in op Barth en zal ik een aantal thema’s uit zijn preken uit 1914 aan de orde stellen. Ik zal daarbij ook uit die preken citeren, dan heeft u het uit de eerste hand. De verkenning is noodzakelijk om te zien waartegen Barth zich keert. U weet dat het altijd van belang is om bij grote denkers te lezen wat de fronten zijn waarop of waartegen zij aan het duelleren zijn. Vandaar.

1. Oorlogstheologie

Wanneer de oorlog is uitgebroken, laat de keizer een gebed uitgaan dat in de kerken gebeden dient te worden:

Allmächtiger, barmherziger Gott! Herr der Heerscharen. Wir bitten Dich in Demut um deinen allmächtigen Beistand für unser deutsches Vaterland. Segne die gesamte Kriegsmacht. Führe uns zum Siege und gib uns Gnade dass wir auch gegen unsere Feinde uns als Christen erweisen. Lass uns bald zu einem die Ehre und Unabhängigkeit Deutschlands dauernd verbürgenden Frieden gelangen.1

Dit als opening bij de verkenning. U voelt hem aankomen: de God der heerscharen – een uiterst kritisch begrip bij een profeet als Jesaja – wordt opgeroepen om de krijgsmacht te zegenen, het volk naar de overwinning te voeren en een vrede te bewerkstelligen die recht doet aan, en meer nog de garantie is voor de eer en onafhankelijkheid van Duitsland. Twee keer valt het woord ‘almachtig’ en twee keer ‘Duitsland’. Uiteraard alles in deemoed en met de vraag om genade om zich ook tegenover de vijanden als christenen te betonen, maar toch. De almachtige God en Duitsland zijn nauw met elkaar verbonden. Dit is een gebed dat je veel hoort in alle landen, een vorm van het Hollandse God, Nederland en Oranje. De vraag is alleen wat zulk taalgebruik doet met mensen.

Op 6 augustus richt de keizer zich tot zijn volk:

Es muss denn das Schwert entscheiden. Mitten im Frieden überfällt uns der Feind. Darum auf! Zu den Waffen! Jedes Schwanken, jedes Zögern wäre Verrat am Vaterlande. Wir werden uns wehren bis zum letzten Hauch von Mann und Ross. Vorwärts mit Gott, der mit uns sein wird, wie er mit den Vätern war. Und wir werden diesen Kampf bestehen gegen eine Welt von Feinden.

En de Oberhofprediger Ernst Dryander maakt in de Berliner Dom de mensen een paar dagen later duidelijk waar men voor vecht:

Wir ziehen in den Kampf für unsere Kultur-gegen die Unkultur. Für die deutsche Gesittung-gegen die Barbarei. Für die freie, an Gott gebundene Persönlichkeit-wider die Instinkte der ungeordneten Massen. Und Gott wird mit unseren gerechten Waffen sein.

De onderzoekers geven aan dat er zoiets als een enorme euforie heerst. In 1944 kijkt Stefan Zweig terug op het uitbreken van WO I en tekent de houding van 93 geleerden die een manifest schreven om de oorlog te rechtvaardigen, als volgt:

De filosofen kenden plotseling geen andere wijsheid dan de oorlog uit te roepen tot een ‘staalbad’ dat de gunstige werking had te zorgen dat de volkeren niet verslapten. Naast hen traden de artsen voor het voetlicht, die hun prothesen zo luidkeels prezen dat je bijna zin kreeg je been te laten afzetten om het gezonde te laten vervangen door zo’n kunstvoorziening. De priesters van alle religieuze richtingen wilden ook niet achterblijven en verhieven hun stem in het koor; soms had je het gevoel dat je een horde waanzinnigen te keer hoorde gaan, en toch ging het om dezelfde mensen wier intelligentie, vormende kracht en menselijke houding we een week, een maand eerder nog hadden bewonderd. Maar het schokkende aan deze waanzin was, dat de meesten van die mensen het eerlijk meenden.

Stefan Zweig, De wereld van gisteren, Herinneringen van een Europeaan, Amsterdam: Arbeiderspers 1990, 225-226.

De theologen doen mee in deze euforie. Ook het Onze Vader kan stevig misbruikt worden:

Vater unser aus Himmelshöhen, eile den Deutschen beizustehen, hilf uns im Heiligen Kriege. Lass deinen Namen sternengleich uns vorleuchten; dein deutsches Reich führ zum herrlichen Siege.

En zo gaat het door. De dood van soldaten staat bijvoorbeeld ongeveer gelijk aan de de dood van Christus.

Je kunt spreken van een coalitie tussen volk, keizer en vaderland die doorwerkt in de harten van de mensen. Zeker vormt het nationalisme een grond voor de houding, maar evenzeer de wijdverbreide gedachte dat oorlog als een vorm van natuurlijk geweld werd verstaan. Na sterke discussies over Darwin werd in Europa steeds meer de idee aangehangen dat geweld en dus ook oorlog er gewoon bij horen waarbij de gemeenschap voor het individu gaat. Daar komt bij dat velen vonden dat de politiek mislukt was en dat Duitsland omringd werd door vijanden die verslagen moesten worden. Dat dit alles tot een ongehoorde catastrofe zou voeren had men niet verwacht, maar het bleek wel zo te zijn.

De gangbare theologie vertoont een beeld dat onlangs is beschreven aan de hand van de Drie-eenheid Gods.2 Ik geef dat door omdat het duidelijk maakt hoe op vele kansels God benoemd werd. Dat laat uiteraard onverlet dat er ook pastores waren die niet meegingen met de heersende ideeën, bijvoorbeeld Christoph Blumhardt en Heinrich Planck. Mensen die zich inzetten voor oecumenische contacten en verdedigden dat ‘de God van onze vijanden dezelfde is die wij aanbidden’. In de loop van de oorlog, wanneer de aantallen doden en gewonden alleen maar toenemen, is er ook een verandering in de preken en gebeden te zien. Men wordt kritischer ten aanzien van het gebeuren. Maar het geheel toont ons een beeld dat zeer, zeer ideologisch is en wijdverbreid. Vele bundels met ‘Kriegspredigten’ werden uitgegeven en de opbrengsten van de verkoop werden gebruikt voor het ondersteunen van gewonden en de families van de gesneuvelden, maar die bundels vonden wel aftrek.

Nu kort een karakteristiek van de ‘Kriegstheologie’ aan de hand van de Drie-eenheid Gods. Ik ontleen wat gegevens aan artikelen van de Duitse theoloog Dr. Stössel en werk die zelf uit.

Het beeld van God de Vader: wat altijd een thema is in de theologie is de vraag naar de kenbaarheid van God. Waar Luther sprak over de verborgen en zich openbarende God, in die zin dat het geheim van God ook een geheim blijft, hoezeer Hij zich in de Gekruisigde toont, wat dan ook weer een geheimenis is, is de vooronderstelling of het voorbehoud dat men niet van een gelijkstelling kan spreken. Je kunt het hebben over het woord van God en het woord van de keizer; die twee vallen niet noodzakelijk samen. In de oorlogstheologie ligt dat anders. God is kenbaar in de geschiedenis van het geweld van de oorlog. God roept in de oorlog de mens op tot handelen, en dat uiteraard ten gunste van het Duitse volk. (Het zal u overigens niet verbazen dat aan Franse zijde hetzelfde werd beweerd, alleen dan met het epitheton Gallisch, bij de Duitsers uiteraard Teutoons.) Dat gaat tamelijk ver: God drukt de Duitsers het zwaard in de hand om hun heiligste verworvenheden te verdedigen. Meer nog, de oorlog is een zegen waarin God zijn volk in het innerlijk vrede geeft en verenigt. Heil dus aan de oorlog, die innerlijke vrede brengt. Hier rechtvaardigt de mens zichzelf met behulp van het in bezit nemen van God als de garant van het eigen gelijk, en dat in plaats daarvan dat God de mens rechtvaardigt.

Jezus Christus wordt dan gezien als degene die zichzelf gaf in de dood en dat als groot voorbeeld voor de soldaten die zich opofferen voor hun vaderland. Daarmee is de klassieke christologie waarin het gaat om verzoening en vergeving omgekeerd. Het gaat niet meer om de klassieke leer maar om vroomheid, eerbied, liefde en trouw aan God, let wel de God die zich laat kennen in de oorlog en die daarin zijn mensen oproept. De navolging van Christus verwordt tot de plicht zichzelf te geven en zijn bloed op het altaar van de mammon.

Het spreken over de Geest verwordt tot een spreken over de kracht tot vernieuwing van de Duitse trouw tot het vervullen van je plicht ten overstaande van keizer, volk en vaderland. De kritische dimensie van de Geest buigt men om tot een wijzende vinger naar eenieder die niet trouw zijn plicht vervult.

Kortom: in deze oorlogstheologie wordt God aangeroepen door de mensen, ten faveure van hun inspanningen. Hij is de garant van de bestaande wanorde. Dat lijkt dan wel dynamisch, net zoals de oorlogsgod Mars ook dynamisch is, en goden van de Edda en het hindoeïsme, al deze goden zijn in feite goden die de status-quo van de oorlog en de geschiedenis die tot de oorlog voerde in stand houden, net als de christelijke god in vele preken uit die tijd.

Nu kunnen wij over dit alles de staf breken, maar dat is te simpel. Bedenk bijvoorbeeld hoe er in de Nederlandse kerken werd gebeden om welvaart en voorspoed voor het Nederlandse volk toen het koninkrijk slaven verhandelde en koloniën bezat, terwijl binnen de grenzen van dat kleine land de tegenstellingen tussen arm en rijk enorm waren. Stössel heeft wel een punt wanneer hij schrijft dat de kerk in de tijd van de grote oorlog

als ganzes nicht wirklich gelebt hat, jedenfalls nicht in der Weise, in der sie von ihren Amt und Auftrag her eigentlich hätte leben müssen. Dabei verkennen wir Heutigen nicht, dass wir vor derselben Frage stehen: ob denn die Kirche, die wir repräsentieren, tatsächlich sei, was von ihren Amt und Auftrag sein müsste. Die Antwort hängt nicht zuletzt von der Theologie und damit von der Art und Form des Glaubens ab, die unter uns wohnen.

Ik vind dat deze opmerking een zinnige overgang vormt naar mijn tweede deel van vanmorgen, namelijk de prediking van Karl Barth in 1914.

2. Karl Barth

Kort iets over Barth. Hij was een Zwitser, geboren in 1886, zoon van een theoloog, studeerde in Zwitserland en Duitsland: Berlijn, Tübingen en Marburg, dat waren wel de toonaangevende faculteiten. Hij was van 1911-1921predikant in Safenwil, een dorp in Noordwest-Zwitserland, ten zuiden van Bazel, hoogleraar in Göttingen, Münster en Bonn. In 1934 werd hij Duitsland uit gezet, omdat hij weigerde de eed op Hitler te zweren, en sindsdien was hij hoogleraar in Bazel. Hij overleed in 1968. Hij geldt als de belangrijkste protestantse theoloog van de 20e eeuw.

2.1. Barth over de oorzaken van de oorlog

De oorzaken van de oorlog liggen voor Barth in het nationalisme, de mammon, de zelfzucht, in de mens zelf. Voor die hele constellatie wordt god garant gesteld zonder te vragen naar de drijfveren van de mens zelf. God is per definitie vóór de strijdende partijen.

Dit komt bijvoorbeeld naar voren in de preek van 23 augustus 1914. Barth deinst er niet voor terug om de oorlog en de gevolgen daarvan, de menselijke nood, terug te voeren op het denken in macht. Met name het begrip van de ‘mammon’, de god van het geld, speelt een grote rol, niet alleen hier, maar ook later in zijn werk, Voor Barth is de mammon een gestalte van de zogeheten ‘Herrenlosen Gewalten’, geweldsinstituties die zichzelf tot heer zijn, en daarom ‘herrenlos’.

Ik lees u uit die preek een stukje voor; die episode geeft er een heel aardig beeld van hoe direct deze theoloog over de werkelijkheid spreekt. De mammon, de sociaal-democraten, maar ook het christendom en de christenen zelf worden hier schuldig bevonden. Hoor maar: (lezen KBG 5, p. 435-437).3 Opvallend is dat hij hier spreekt van een ‘Notwendigkeit’: ‘Ich sage, als eine unerbittliche Notwendigket ist die Weltkatastrophe über uns gekommen.’ Dat levert ons een beeld op: het chaotische van het bestaan, de mens als speelbal in het krachtenveld van de machten. Maar dat is niet het enige. De kritiek die je hier hoort richt zich ook op de mens zelf. Een zekere tevredenheid en zelfgenoegzaamheid van de burger met zijn bestaan doet hem de ogen sluiten voor de diepe verworteling van zijn leven in de structuren van het geld, en die structuren worden opgeroepen door de hang en begeerte naar macht.

Barth tekent hier de facto het failliet van een cultuur. Hij doet dat naar aanleiding van een beeld uit de Openbaring van Johannes, het laatste bijbelboek, over een ruiter op een vuurrood paard die de vrede wegneemt en aan wie het zwaard is gegeven. (De tekst voor de preek was Openbaring 6:4, in combinatie met Matteüs 10:28.) Die apocalyptiek past wel in de verschrikkingen van de oorlog en bij het leed van de mensen. Bij deze tekening kun je zeggen: oké, dat is wat we zien en ervaren. Maar daarmee is God nog niet genoemd. Maar Barth graaft dieper en dat brengt mij op een volgend thema in de preken.

2.2. De oorlog als gericht van God

Voor Barth is de oorlog een gericht over het kwaad dat de mens zelf bedenkt, uitricht en ondergaat. God geeft de mens over aan dat kwaad. En dat is een totaal ander beeld van God dan dat van de oorlogstheologie. De dynamiek in God is niet dat Hij de oorlog sanctioneert en de mensen de overwinning geeft, maar dat Hij in zijn wijsheid het kwaad zijn eigen gang laat gaan, zonder op te houden God te zijn. Zijn rijk komt wel, maar vraagt een ander verstaan van de geschiedenis, niet als noodlot waarin geweld nu eenmaal, darwinistisch plaatsvindt, maar als pijnlijke weg die de mens gaat, maar niet zonder de belofte van het rijk.

Dit is een specifiek thema bij Barth en hier horen wij dan ook het grote verschil, het fundamentele onderscheid met de ‘Kriegstheologie’ waar ik u over vertelde. Ook over het gericht lees ik u een fragment voor uit een preek van Barth: (lezen KBG 5, p. 437-439). Van belang hierbij is de gedachte dat gerichten niet uit de hemel komen vallen, maar door ons mensen zelf ontstaan. De interpretatie die Barth daaraan geeft is dat hij niettemin overeind houdt dat God in de geschiedenis van de mens zijn verhaal heeft. Een mens is dus niet aan de goden overgeleverd, maar ook niet geheel en al aan zichzelf. Hierbij verwijs ik graag naar de correspondentie tussen Barth en zijn vriend Thurneysen.4 Op 4 september 1914 schrijft Barth:

Dei providentia-hominum confusio (Gods voorzienigheid-de verwarring der mensen), darum drehen wir uns jetzt Sonntag für Sonntag und müssen es. Ich habe wie du zuerst eine Reihe von Predigten über das erste Moment gehalten, nun betone ich mehr das andere. Aber ich möchte immer mehr beides zusammensehen.

De uitspraak ‘God wil de oorlog niet’ is ‘irreführend’ in deze samenhang. God wil het egoïsme niet, maar wil wél dat het egoïsme zich in de oorlog openbaart en zo zichzelf tot gericht wordt. ‘Dieser Gerichtswille Gottes ist dann auch nichts anderes als Liebe: Offenbarwerden und Stärkerwerden der Göttlichen Gerechtigkeit.’ Oorlog en onrecht zijn de symptomen dan wel de consequentie van het wezen zonder God (‘Gottlose Wesen’: onvertaalbaar!). Alles draagt bij ten goede. Barth verwijst naar Romeinen 8:28, en dat zonder te vervallen in een lutherse gemoedelijkheid. Barth streept de inzet van God en de menselijke verwarring niet weg tegen elkaar. Ik zou dit duiden als: juist in het blijven staan in de spanning blijft ook de mogelijkheid van geloof als gave overeind. En in de brief van 25 september lezen wij de volgende zinnen van Barth aan Thurneysen:

Wie es im Durchschnitt jetzt tönen mag von den deutschen Kanzeln, ist ganz unabsehbar. Wie wird es werden, wenn sie einmal erwachen werden aus diesem ganzen fürchterlichen Irrtum? Woher soll die notwendige neue Orientierung kommen? Wenn irgend einmal, so möchte man jetzt Gott bitten, Propheten aufstehen zu lassen.

Om daaraan toe te voegen: dat zijn wij niet.

En dat roept een derde thema op waar ik graag uw aandacht voor vraag.

2.3. De vraag naar de mens en zijn handelen

Ethisch gezien vraagt deze specifieke interpretatie van het gericht van God een heel andere houding, een andere ontvankelijkheid van de kant van de mens. Barth spreekt van het stil zijn, het wachten en het opnemen van de gerechtigheid van het rijk Gods. De praxis van de mens staat in het teken van Gods geduld en genade. Hier wil ik graag iets langer bij stilstaan omdat op dit punt de theoloog Barth wat mij betreft ook vandaag ons nog wat te zeggen heeft, en dat juist vanuit die zo boeiende manier van zien die we in de preken uit 1914 tegenkomen.

Wanneer Barth op 6 december, de 2e zondag van de advent, preekt, houdt hij opnieuw zijn hoorders voor dat de machten van het kwaad in onszelf ontstaan en dat God de oorlog wil omdat die het gevolg is van de menselijke afvalligheid van Hem. En dat terwijl Hij in zijn wezen niets met de oorlog te maken heeft, omdat Hij een God van vrede is. En dan zegt hij:

Und nun wartet Gott, wartet, indem er über uns trauert, ob wir wohl durch solche Gerichte zur Besinnung kommen wollen’ (S. 609). Op dit punt maakt Barth dan ook een verwijzing naar de Christus en zijn kruis, maar geheel anders dan in de oorlogstheologie klinkt hier niet een oproep om bloed en leven te offeren voor het vaderland, maar om in het kruis van de Christus het leed van de mens te zien. ‘Aber wer das verstanden hat, wer begonnen hat, sich zu beugen unter Gottes Willen und seiner Gerechtigkeit die Ehre zu geben, dem sagt es dann sofort noch unendlich vielmehr. Er spürt die Hand Gottes, die uns da ergreifen und aus der Bedrängnis herausführen will. Er hört den Ruf, den freundlichen, starken Ruf: Komm jetzt heraus aus der Ursünde, aus dem Abfall, aus deinen eigenen Wegen, komm zurück zu dem, der dich geschaffen hat’ (S. 611).

Kijk, Barth weet ook wel dat de mens hangt aan zijn eigen wil, dat hij niet in staat is uit zichzelf de ommekeer te maken wanneer God in zijn oordeel niet de hoop op zijn liefde openlaat. Kernachtig, maar ook heel pastoraal klinkt het dan: ‘Er [God] vermißt etwas von ihm selber, wenn er uns in die Irre gehen sieht. Und er läßt nicht nach, uns zu suchen, bis er uns gefunden hat’ (S. 611). In die, laat ik zeggen, zoekbeweging van God naar de mens waarin de Christus het oriëntatiepunt is – want daar zien wij wat dat zoeken betekent – worden de hoorders opgeroepen mee te gaan. Daar is in de preken een enorme dialectiek, want het is enerzijds waar dat God de mens zoekt, het is anderzijds ook waar dat God op de mens wacht. Op 13 september, een zondag waarop het avondmaal gevierd wordt, preekt Barth over de storm op het meer en stelt dan onder andere de vraag of wij bereid zijn ten opzichte van Gods wil tot vrede ‘eine neue Stellung’ aan te nemen. Hij noemt dat de grote vraag van onze tijd, de ‘Schicksalsfrage, die Gewissensfrage’: ‘ob wir Ja sagen werden zu dem erlösenden Wort, das er uns so lange schon anbietet’. En dat verlossende woord is levend onder ons in Jezus Christus, de heilige en rechtvaardige. Hij besluit zijn preek met de volgende woorden:

Und Jesus stand auf…, lesen wir in unserer Geschichte. Wenn er einmal aufstehen wird in unseren Herzen, lebendige gestalte annehmen will in unserer Seele, dann wird der Sturm vorbei sein. Noch einmal: Gott wartet auf uns (S. 480 en 481).

Ik noem dit dialectiek: het zoeken van God kent ook zijn wachten op een antwoord, een opening, anderzijds: het wachten van God is ondenkbaar zonder zijn zoeken naar de mensen. In veel van zijn preken kom je deze denkbeweging tegen. Daarbij is het van belang te bedenken dat Barth het primaat van zijn theologiseren bij de levende God legt en niet bij de zoekende mens, hoezeer die ook aan de orde komt in zijn theologie. Maar – en dat is een fundamenteel verschil met de oorlogstheologie – er is geen greep vooraf van de mens naar God waardoor God ingekaderd is in het menselijk ontwerp; het is omgekeerd: de mens ontvangt de uitnodiging om het mens-zijn te ontvangen en te beleven uit de hand van God.

Over de houding die Barth van zijn hoorders vraagt het volgende. Op de ‘Bettag’, biddag van 20 september, in de middagdienst preekt Barth over de tekst ‘De Heer zal voor u strijden en gij zult stil zijn’, Exodus 14:14. Daarin zegt hij: ‘Stillewerden heißt Gott reden lassen.’ En dan vervolgt hij even later:

Wie nahe könnte er uns treten, wenn wir einmal, statt uns immer mit uns selbst zu beschäftigen, unseren Blick auf Jesus und sein Kreuz lenken würden! Wie könnte er uns erfüllen mit seiner Kraft und seinem Frieden, wenn wir einmal damit anfangen wollten, zu beten, nicht um etwas von Gott zu fordern, sondern um ihn selbst zu finden! O nein, dieses Stillesein ist keine Untätigkeit, es ist die höchste Tätigkeit, die wir uns denken können… eine Tätigkeit unserer Seele. Gott wird tätig in uns, wenn wir stille sind’ (S. 504).

Wat opvalt in de preken is dat Barth zijn toehoorders vooral vraagt om als het ware opnieuw naar God te horen. Dus geen enorm activisme, meer een naar binnen keren om daar te ontwaren wie wij als mens zijn en welke weg God met ons gaat. Barth weet ook wel dat dat onverlet laat dat mensen zich voor vrede hebben in te zetten, maar daarop legt hij niet het accent; het gaat hem om Hem die de vrede gebracht heeft en de mens in die vrede uitnodigt.

3. Een paar slotopmerkingen

Vandaag: de oorlogen allerwegen, de conflicten waarin nationalisme, economische belangen – lees de mammon – en religieus absolutisme een rol spelen. Van Barth uit 1914, maar uiteraard evenzeer zijn leven door kan men wel wat leren. Ik geef een paar aandachtspunten mijnerzijds.

  • Een enorme realiteitszin. Kijk naar de werkelijkheid en analyseer die zo onbevangen mogelijk, maar wel vanuit een hermeneutiek die vraagt.

  • God valt voor geen kar te spannen. Dit is een fundamenteel punt in de discussie met de radicale islam. In welk land ook, het is overal hetzelfde liedje. Daarmee is geen mens geholpen.

  • De kerk als lichaam van Christus kan niet veel anders dan de liturgie van het gebed vol te houden en daar waar mogelijk een teken op te richten. Waar mogelijk in samenwerking met andere religies, met mensen van goede wil. Dat betekent niet dat de religies één pot nat zijn, nee, daarvoor zijn de verschillen vele malen groter dan de overeenkomsten, maar we kunnen op z’n minst proberen in de steden en dorpen waar wij wonen elkaar te vinden en te ontmoeten en bijvoorbeeld antisemitisme zo stevig mogelijk te bestrijden. Wat mij betreft ook zo streng mogelijk.

  • Het spreken over verzoening in de christelijke traditie is van een ongekend belang. Er is er één die zijn leven gaf voor allen om die allen terecht te brengen en zo de pijnlijk gebroken relatie met God te herstellen. Dat is een ander paradigma dan het doorsnee gepraat over mensen die hun leven opofferen voor hun vaderland. Tijdens herdenkingen wil je dat weleens tegenkomen. Er is er maar één geweest die zichzelf gaf en dat is de Christus. Wat Barth in zijn preken doet is bij de hoorders om ruimte vragen, de ruimte van een open hart, open ogen en oren, open handen en dat om te zegenen en wel te doen. Dat is een fundamenteel protest tegen onrecht en godsdienstwaanzin.

< Terug