< Terug

Prettig gestoord in de KPV

Het is nu drie jaar geleden dat ik aan de Protestantse Theologische Universiteit begon als seminariedocent (zoals het toen nog heette). Mijn nieuwe werkgever vindt het voor docenten in sommige vakgebieden noodzakelijk dat ze de Klinische Pastorale Vorming hebben afgerond. Volkomen terecht, wat mij betreft. Ik zou het vele anderen ook best gunnen.

Wat heb ik tijdens mijn KPV-traject nu voor proces doorgemaakt, in mijn professionele ontwikkeling als beginnend theologisch docent? En in mijn theologisch-spirituele ontwikkeling, als gesprekspartner van bijvoorbeeld mijn medeKPV-gangers? En, om bij die theologisch-spirituele invalshoek te blijven: wat heb ik zien gebeuren op het vlak van de religieuze diversiteit binnen een KPV-groep? Waren er momenten waarop religieuze diversiteit een obstakel werd en waarop het gesprek daardoor stokte? Over die vragen zal ik hieronder reflecteren.

Pastoraal repertoire

Alle deelnemers kwamen aan met hun eigen vragen en doelen, de meesten rond persoon en professie als pastor dan wel geestelijk verzorger. Tussen hen in was ik als niet meer pastoraal actief predikant misschien niet de meest voor de hand liggende gast. En toch was de herkenning vele malen groter dan dit mogelijke vreemdeeendin-de-bijt-element.

‘Aanscherpen’

Terugkijkend denk ik dat dit aan twee dingen lag. Ten eerste ben en blijf ik predikant. En ook pastor. Anders gezegd: theologie en pastoraat kunnen nooit helemaal van elkaar worden losgemaakt, dat heb ik in de KPV eens te meer leren beseffen. Ook in het theologische onderwijs is een pastorale fijngevoeligheid een onmisbaar goed.

Hoe goed je het exegetische, argumentatieve, organisatorische enz. handwerk ook moet beheersen en dus ook aan moet leren: theologie gaat in alle gevallen ook altijd over existentie, over de spirituele grondlagen in het bestaan van de student, van de docent, van de gelovige of minder gelovige met wie de student gaat werken. Theologische docenten worden er, evenzeer als pastores of geestelijk verzorgers, alleen maar beter van wanneer hun antennes voor existentiële onderstromen in de communicatie worden gescherpt.

Aan dit ‘aanscherpen’ wordt binnen de KPV volop gewerkt. Hoe communiceer je eigenlijk en hoe attent ben je op de verschillende communicatiewijzen van de ander?

In mijn geval werd ik me bijvoorbeeld bewust van de grote omzichtigheid waarmee ik geneigd was een ander te benaderen wanneer ik gevoeligheden vermoedde. Onbewust was ik dan aan het ‘invullen voor een ander’, en ik probeerde mijn punt maar zo voorzichtig mogelijk te maken. Het effect bleek regelmatig tegengesteld aan wat ik gewenst had: waar ik dacht een ander gerust te stellen, zette die ander zich juist alvast schrap – want ik zou vast en zeker met een heel pittige mededeling komen … Een meer directe manier van communiceren zou hier wel eens veel effectiever kunnen zijn. Te pastoraal kan blijkbaar ook. En zo hadden mijn groepsgenoten ook van alles te leren in hun wijze van communiceren en van attent zijn op de ander.

Verschillende ‘soorten’ pastorale professionals, en ook in spiritueel en theologisch opzicht zeer diverse wereldbewoners

Repertoirevergroting

Dat zoiets aan het licht komt, is – ten tweede – toe te schrijven aan de supervisorische kant van de KPV. In veel opzichten is de KPV een verdiepte pastorale supervisiereeks, gericht op de professionele ontwikkeling van de deelnemers.

Een traject dat verdiept wordt door de duur en de intensiteit van de training, door de gedrevenheid van de deelnemers, en door de onmogelijkheid (vrijwel) om alsmaar te blijven ‘duiken’ (vooral in de vrije groepsgesprekken is dat moeilijk vol te houden). Hoe verschillend de leerdoelen daarbij ook zijn, ergens komen ze ook allemaal overeen en kun je elkaar er allemaal bij helpen.

Onze trainer reikte ons al in week één het woord ‘repertoirevergroting’ aan. Ik heb het woord sindsdien nog vele malen gehoord, maar ik vind het nog steeds een mooi en doeltreffend woord om aan te geven wat er (in ieder geval met mij) is gebeurd op het vlak van mijn professionele ontwikkeling.

Als deelnemers hadden we natuurlijk allemaal onze voorkeursstrategieën, waarmee we dat wat zich in ons werk aandient, benaderden. Het was voor ieder van ons verrijkend om daar zicht op te krijgen, en om na te denken over onze waardering, onze bronnen en onze redenen voor deze strategieën. Het gaf ruimte om daarnaast gelegen ontwikkelingsgebieden te verkennen. De directere communicatie die ik bijvoorbeeld wilde leren, kon ik uitproberen in de vrije groepsgesprekken, op zo’n manier dat het wel nieuw voor me was, maar niet te oncomfortabel werd.

Zulke lessen schonken mij en schonken ons de mogelijkheid ons vak met een grotere vrijheid uit te voeren, wat voor ‘soort’ theoloog we ook waren. Als supervisie is de KPV er sterk op gericht dat je dergelijke ontdekkingen en zulk nieuw repertoire integreert in je professionele identiteit.

Oeverloze communicatie?

‘Duiken’ is dus (vrijwel) onmogelijk, schreef ik hierboven. Maar, als dat helemaal waar is, is dat dan eigenlijk wel gezond? Het is toch ook zinvol dat de KPV-ganger de eigen grenzen kent, waarneemt en waar nodig autonoom beschermt? Er zijn toch ook geheimen die zo eigen zijn dat ze niet in elke KPV-groep besproken hoeven te worden? In sommige groepen zal het misschien zelfs gezond zijn om dat geheime domein zorgvuldig voor de ogen van de andere deelnemers weg te houden – of niet?

Dergelijke vragen kunnen ook gesteld worden met het oog op de religieuze diversiteit in een KPV-groep. Grensdoorbrekend communiceren is ook in religieus opzicht vast en zeker mooi, maar soms zullen er toch ook grenzen zijn die een deelnemer niet zomaar wil laten doorbreken? Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin iemands spirituele of religieuze eigenheid door andere deelnemers beoordeeld of zelfs veroordeeld dreigt te worden – ‘gewoon’, doordat de verschillen en religieuze veronderstellingen wel erg van elkaar verschillen.

Ik denk vanuit mijn ervaring dat een goede KPV in ieder geval zal betekenen dat een deelnemer zicht krijgt op dergelijke grenzen. En dat mede-deelnemers ook zicht krijgen op – en hun respect verdiepen voor – deze grenzen. Dergelijke grenzen worden idealiter een beter hanteerbaar en beter geïntegreerd deel van de persoon. In die zin lijkt ‘duiken’ tijdens de KPV me echt moeilijk: meestal zal het wel duidelijk worden dat er grenzen en geheimen geraakt worden. Welke grenzen en welke geheimen dat zijn – dat hoeft misschien niet iedereen altijd maar te weten.

Stimuleren veel te vertellen is ongetwijfeld mooi; storingen benoemen versterkt de kans op echte diepgang

Dat geldt voor persoonlijke grenzen en geheimen, maar het geldt evenzeer in situaties die worden opgeroepen door de religieuze of theologische diversiteit van de deelnemers. De KPV wordt gevolgd door verschillende ‘soorten’ pastorale professionals, en ook door in spiritueel en theologisch opzicht zeer diverse wereldbewoners: binnen een groep kan het gebeuren dat een reformatorische predikant deelneemt aan de bespreking van de preek van een vrijzinnige collega; dat een evangelische pastor in gesprek raakt met een rooms-katholieke geestelijk verzorger over de waarde van kerk en ambt; dat een uitgesproken confessionele christelijke theoloog zich heeft te verhouden tot de geloofstaal van een islamitische geestelijk verzorger. En vice versa uiteraard. Wat gebeurt er dan met je als deelnemer en wat voegt de KPV dan toe?

Storen en stimuleren

Ik kan die vraag in de eerste plaats alleen maar voor mezelf beantwoorden, al zal ik zo ook proberen wat algemenere conclusies te trekken. Bij mijzelf is in een proces van jaren, decennia misschien zelfs, de huiver gegroeid om een oordeel over een ander uit te spreken – de behoefte om zo’n oordeel zelfs maar te hebben is me misschien wel vreemd geworden.

Daar valt overigens nog genoeg voor mijzelf te onderzoeken (want denk ik werkelijk dat ik zo’n oordeel helemaal niet heb?) – maar in ieder geval heb ik mezelf gedurende mijn theologische vorming de houding aangeleerd om van een ander te willen leren, ook wanneer ik de spiritualiteit van die ander als vreemd ervaar, ook wanneer deze ander (voor mij) cruciale grondovertuigingen over God en wereld niet met me blijkt te delen, ook wanneer die ander zelfs radicaal andere kanten op blijkt te denken en te voelen.

Maar juist in de KPV heb ik ervaren dat – hoe loffelijk ook – die houding ook iets bloedeloos en ongeprofileerds kan krijgen. Ik heb weliswaar nooit de verleiding gevoeld mijn eigen profiel helemaal vaarwel te zeggen om maar met een ander in gesprek te blijven, maar toch: het zou zomaar kunnen dat ik de ander door mijn voortdurende leerbereidheid de kans ontneem om ook iets van mij te leren. Dan wordt het allemaal bijna weer ‘al te pastoraal’, zeker wanneer de pastor in kwestie is aangesteld om wel degelijk ook te doceren.

Echte kwetsbaarheid veronderstelt niet alleen dat ik kan luisteren, maar ook dat ik durf te delen

En ook als doceren niet meteen het doel is: om echt tot een gesprek te komen waarin wederzijds geleerd wordt, is het niet alleen nodig dat ik opensta voor een ander, die ander zelfs nieuwsgierig stimuleer om vooral meer te vertellen, en de ander ‘tevoorschijn luister’; ik zal ook bij mijzelf moeten blijven opmerken waar de ideeën en intuïties van de ander mij storen.

De ander leert ervan wanneer ik ook dat benoem, zonder mijn verstoordheid tot een theologische veroordeling uit te vergroten. Het zou zelfs weleens kwetsend kunnen zijn wanneer ik mijn reactie achter de kiezen houd: want ik onthoud ons dan de kans op een echt gesprek van hart tot hart. Stimuleren veel te vertellen is ongetwijfeld mooi; maar storingen benoemen versterkt de kans op echte diepgang.

Nog een stap verder ga ik wanneer ik groei in de bereidheid om de ander ook te storen met mijn spiritueel-theologische intuïties en ideeën. Natuurlijk hoeft de ander niet bereid te zijn ze allemaal stuk voor stuk te slikken: als ik ze gewoon deel wil dat ook helemaal niet zeggen dat de ander ze zich voetstoots toe zou moeten eigenen. Het enige wat ik daarmee communiceer is de bereidheid om door een ander echt gezien en waar mogelijk gecorrigeerd te worden. Echte kwetsbaarheid veronderstelt niet alleen dat ik kan luisteren, maar ook dat ik durf te delen.

Zo leer ik, ten slotte, ook om me steeds minder te schamen voor de inzichten waar ik voor sta. Wat ik vroeger misschien aarzelend ter sprake bracht, blijkt ook een ander stof tot denken te geven.

Balans en bereidheid

Kan ik deze persoonlijke ervaringen ook vertalen in een meer algemene observatie over wat er in de KPV kan gebeuren (en gebeurt) in de interactie tussen spiritueel zeer verschillende persoonlijkheden? Ik durf er wel iets over te zeggen. Want: naast mijn eigen ervaring is ook de omgekeerde leerweg zeer voorstelbaar. Iemand die graag zendt en daarmee ‘storend’ inbreekt in de spirituele grondhouding van een ander; iemand die graag benoemt hoezeer de religieuze grondbeslissingen van een ander haar of hem storen – zo iemand zal in de KPV gestimuleerd worden om te ervaren wat deze ‘storingen’ bij die ander losmaken. Zij of hij zal daarbij leren langer en nieuwsgieriger te luisteren naar de ander en daar meer van op te steken dan ooit verwacht.

Van een heel andere kant komend zal zo’n KPV-deelnemer ervaren dat de eigen geloofsvoorstellingen door het gesprek met de ander niet alleen maar gestoord worden maar ook verrijkt en tot nieuwe bloei gebracht.

Overigens: komt zo iemand werkelijk van de totaal andere kant? Kon ik met een super‘communicatieve’ houding me de ander ook niet van het lijf houden? Als alles even interessant en leerzaam is, is het dan ook niet allemaal even oninteressant en onverschillig? Ik kan mijzelf en mijn overtuigingen natuurlijk ook beschermen door ze altijd maar als net zo waardevol te beschouwen als om het even welke andere overtuiging. De ‘storing’ die ik hier steeds benoemde mag echt wel de ruimte krijgen. Dat het eens even flink knettert, kan bijzonder verhelderend zijn, en de uitkomst kan ook wel eens anders zijn dan ‘gelukkig zijn we het toch wel eens’. Soms moet je het er over eens worden dat je het niet met elkaar eens bent, en dan een weg verder vinden. Ik denk dat het pas onwerkbaar wordt wanneer zelfs dat niet meer mogelijk is.

Dat het eens even flink knettert, kan bijzonder verhelderend zijn; die ‘storing’ mag de ruimte krijgen

Filosofisch en theologisch ligt hier denk ik deze vooronderstelling onder: de andere deelnemer is een mens als ikzelf, die zich net zo serieus tot het leven en tot de wereld probeert te verhouden als ikzelf. De manieren die de ander daarbij gevonden heeft, of aangereikt heeft gekregen, kunnen mij nog zo onaannemelijk voorkomen: als we er niet over in gesprek gaan, zal ik er nooit achter komen of er misschien toch niet wat in zit. En dan zal de ander er ook nooit achter komen dat bijvoorbeeld mijn theologische overtuigingen misschien ook zo gek nog niet zijn.

Mijn religieuze en pastorale identiteit is gevormd door allerlei overtuigingen die ik niet zomaar loslaat. Maar om te groeien in mijn begrip van mijzelf, van het leven en van de wereld heb ik de mede-KPV-ganger nodig. Als iemand die houding – die bereidheid om te veranderen – niet deelt, wordt een KPV wel heel ingewikkeld.

Ik zou dus zeggen: in de KPV zal de deelnemer als het goed is een nieuwe balans vinden in de bereidheid een ander te stimuleren om vooral de spirituele eigenheid te tonen – en daardoor soms verrijkt en soms gestoord te worden -, en de bereidheid om zelf ook verrijkend, maar misschien ook storend, op de weg van de ander te staan – en zich daarin door een ander te laten stimuleren.

Edward (prof.dr. E.) van ’t Slot is docent van het Centrum voor Beroepsvorming en Spiritualiteit (CBS) van de Protestantse Theologische Universiteit Amsterdam/Groningen en bijzonder hoogleraar Ecclesiologie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

< Terug