< Terug

Promotieonderzoek ‘Life Orientation for Professionals’

Edwin van der Zande (2018). Life Orientation for Professionals. A Narrative Inquiry into Morality and Dialogical Competency in Professionalisation. Almere: Parthenon.

Promotor: prof.dr. Cok Bakker

Co-promotor: dr. Ina ter Avest

Universiteit: Universiteit Utrecht

Datum: 20 november 2018

Oppositie

• Prof.dr. Monique van Dijk-Groeneboer (Universiteit van Tilburg)

• Prof.dr. Harry Kunneman em. (Universiteit voor Humanistiek)

• Prof.dr. Bert Roebben (Universität Bonn)

• Prof.dr. Martin Rothgangel (Universität Wien)

• Prof.dr. Hetty Zock (Rijksuniversiteit Groningen)

Stelling

Levensoriëntatie is meer dan een oppervlakkige verkenning van het leven, het is de betekenisvolle afstemming op het goede.

Kritiek

Onderwaardering van persoonlijke levensoriëntatie in beroepsopleidingen versmalt professionalisering tot iets technisch en instrumenteels. Professionals dienen zelfstandig het hogere doel van hun werk en hun dieperliggende motivaties in dialoog te kunnen brengen. Een vorming in levensoriëntatie kan bijdragen aan een menswaardige samenleving.

In het hoger beroepsonderwijs is er ruime aandacht voor de wat- en voor de hoe-vraag. Het gaat immers om kwalificatie door kennis en vaardigheden op te doen die nodig zijn voor het uitoefenen van een beroep. Nieuwkomers kijken met frisse ogen naar de beroepspraktijk en willen nog weleens de vraag stellen: ‘Waarom doen jullie dat zo?’ Deze waarom-vraag lijkt veel op de hoe-vraag, maar wat gebeurt er als je verder doorvraagt? De waartoe-vraag achter het handelen, de vraag naar het hogere doel, naar dieperliggende motivaties? De onderzoeksvraag van mijn promotieonderzoek was daarom: ‘Welke betekenis heeft een persoonlijke levensoriëntatie voor de normatieve professionalisering van studenten en young professionals?’

Het promotieonderzoek vond plaats aan de Hogeschool Utrecht (HU) in de minor Filosofie. Wereldreligies. Spiritualiteit (FWS). Alle hbo-studenten volgen tegen het einde van hun studie een halfjaarlijkse minor naar keuze. De minor FWS is een algemeen vormende minor en wordt door studenten van uiteenlopende studierichtingen gekozen. Gemiddeld kiezen per jaar 110 studenten voor deze minor.

Zij volgen hoorcolleges in Westerse en Oosterse filosofie en in verschillende wereldreligies en levensbeschouwingen. Daarnaast zijn er ook werkcolleges in moreel beraad, socratische gespreksvoering, dialoog en debat. De spiritualiteitslijn in de minor maken we concreet door werkcolleges in haptonomie, yoga, verschillende meditatievormen, beeldende vorming, theatersport, dans en muziekbeleving. De onderwijskundige doelstelling is dat studenten door deze veelzijdige didactische mix zich bewust worden van hun eigen levensoriëntatie in relatie tot hun professionalisering.

Betekenisgeving

Bewustwording van de persoonlijke levensoriëntatie beantwoordt aan de waartoe-vraag achter het professionele handelen. Eerder onderzoek van Kelchtermans (2009) maakt duidelijk dat de biografie van studenten bepalend is voor hun professionele overtuigingen. In de biografie speelt levensbeschouwing een rol, maar krijgt in veel onderzoek zijdelings aandacht en vraagt om een conceptuele verdieping van de relatie tussen levensoriëntatie en normatieve professionalisering.

Hoewel aanvankelijk het begrip ‘levensbeschouwing’ centraal stond, heeft het onderzoek geleid tot de conceptualisering van het begrip ‘levensoriëntatie’. Naast cognitieve vermogens spelen ook imaginatieve, intuïtieve en affectieve vermogens een rol in betekenisgeving van mensen. Levensbeschouwing als overtuiging is eerder een statisch, cognitief begrip, terwijl betekenisgeving als gevolg van levensvragen complexer en dynamischer is.

Eenzelfde dynamiek heeft betrekking op hoe onze identiteit zich ontwikkelt. Ricoeur (1994) onderscheidt een constante (idem) en een dynamische (ipse) dimensie in onze identiteit. Situaties en personen doen een moreel beroep op ons, waardoor onze identiteit ook telkens iets verandert. Telkens dienen we af te stemmen op wat het goede is om te doen voor onszelf en voor een rechtvaardige samenleving, aldus Ricoeur.

Op een andere wijze stelt Taylor (1989) dat mensen zich bevinden in een morele ruimte met voorgegeven levensvragen. In die ruimte oriënteert de mens zich, neemt een positie in en verhoudt zich tot de ander. De oriëntatie is gericht op het goede leven, dat ieder mens op een andere wijze duidt.

Praktische wijsheid

Onderzoek naar deze filosofische benaderingen waarin identiteit en moraliteit nauw samenhangen, resulteerden in de volgende definitie:

Levensoriëntatie is een existentieel positioneringsproces met betrekking tot het mensbeeld, het wereldbeeld, het meta-empirische met als horizon het beeld van het goede leven.

Het existentiële duidt op de levensvragen waartoe ieder mens zich verhoudt en waarmee iedereen geconfronteerd wordt. De ruimte waarin het positioneringsproces plaatsvindt, is gekaderd met theologische begrippen, die een inclusief karakter hebben. Dit positioneringsproces is dialogisch, omdat het meerstemmige zelf van de mens zich voortdurend afstemt op een nieuwe situatie (Hermans & Hermans-Konopka 2012). Niet alleen vindt er een dialoog in het meerstemmige zelf plaats, maar ook met de fysieke ander, hetgeen leidt tot bewustwording van de eigen positie.

Voor professionals is het belangrijk om hun levensoriëntatie onder woorden te kunnen brengen ter ondersteuning van hun professioneel handelen. Kunneman (2009) spreekt over het belang van existentiële en morele leerprocessen in professionalisering. Hij spreekt over normatieve professionalisering, omdat genoemde leerprocessen resulteren in kennis die een normering aan het handelen oplegt. Het is de subjectieve norm die terugkomt in de vragen ‘wat is goed werk?’ en ‘wat draagt mijn handelen bij aan een goede samenleving?’ Bewustwording in de persoonlijke antwoorden draagt bij tot inzicht in de praktische wijsheid, waarmee professionals hun beroep uitoefenen, zodat zij zich moreel kunnen verantwoorden tegenover collega’s en derden.

Narratief-kwalitatief onderzoek

In de minor FWS exploreren studenten hun levensoriëntatie aan de hand van een uitvoerige lijst met faciliterende vragen. De vragen gaan in op genoemde beelden in de definitie, maar ook op hun biografie, hun visie op de samenleving, op hun beroep, op hun dromen en idealen.

In de eerste vier weken beantwoordden de studenten deze vragen en op de helft van de minor herlazen zij hun eerdere beschrijvingen en vulden zij waar mogelijk met een andere kleur ook de eerdere beschrijvingen aan met nieuwe inzichten en woorden. Aan het einde herhaalden ze deze oefening en drie à vier jaar na hun opleiding deden ze dat nog een keer op vrijwillige basis. Zo ontstond er een veelkleurig overzicht hoe zij verhalenderwijs hun levensoriëntatie beschrijven. Uiteindelijk zijn 68 portretten voor het narratieve onderzoek geselecteerd.

Voor het narratief-kwalitatieve onderzoek zijn enkele analyse-instrumenten ontwikkeld met behulp van Van Knippenbergs (2008) narratieve en de theorie van het dialogische zelf (Hermans & Hermans-Konopka 2012). Deze laatste theorie beschrijft dat het ‘meerstemmige zelf’ bestaat uit een verzameling van ik-posities. Deze ik-posities corresponderen met waarden die altijd affectief geladen zijn, omdat ze voortkomen uit eerdere ervaringen.

Zeven typologieën

Uiteindelijk leidde het narratief-kwalitatieve onderzoek in een beschrijving van zeven typologieën. Het onderscheid in de typologieën wordt bepaald door biografische grenservaringen en hun narratieve verwerking in levensoriëntatie gerelateerd aan normatieve professionalisering.

Zo is er een typologie waarin vroegere ambivalenties, zoals scheiding ouders, pestverleden, misbruik, een belangrijke rol spelen in het narratief van de studenten. Studenten tonen in hun beschrijving een verbinding met de wijze waarop ze naar hun beroep en de samenleving kijken. Ze willen zich ook meer verdiepen en nemen meerdere perspectieven in hun beschrijvingen op. Andere studenten met een zelfde ambivalentie laten juist minder perspectieven en minder verdieping zien en komen ook niet altijd tot een narratieve verbinding met hun beroep.

Een andere typologie beschrijft de werking van een stille ambivalentie. Een student dacht haar pestverleden een plek gegeven te hebben, maar deze kwam door een schilderoefening en positieve feedback toch weer boven. Uiteindelijk werkte de bewustwording van deze ambivalentie als een katalysator om in haar stage en werk als leraar Engels haar leerlingen beter te begeleiden bij onzekerheid en faalangst.

Bewustwording

De zeven typologieën ondersteunen opleiders om zicht te krijgen op verschillende wijzen waarop studenten hun levensoriëntatie beschrijven en vervolgens verbinden met opvattingen over beroep en samenleving. Iedere typologie vraagt om een andere begeleiding, waarbij de ene typologie dus ook niet beter is dan de andere. Bewustwording en verbreding van perspectief draagt, zo blijkt, bij tot een grotere flexibiliteit en aanpassingsvermogen van studenten en young professionals in een steeds veranderende samenleving.

Een belangrijke kritische vraag die de oppositie stelde, was in hoeverre machtsprocessen, als onderdeel van normatieve professionalisering, een rol spelen in het onderzoek. Deze zijn niet gethematiseerd, maar eerst is bewustwording van de eigen positie noodzakelijk om inzicht te krijgen in de werking van macht op de werkvloer. Bewustwording van de persoonlijke levensoriëntatie leidt tot een grotere zelfkennis en weerbaarheid, omdat studenten de professional en persoon in zichzelf narratief weten te verbinden.

Literatuur

Hermans, H.J.M., & Hermans-Konopka, A. (2012). Dialogical Self Theory. Positioning and Counter-Positioning in a Globalizing Society. NY: Cambridge University Press.

Knippenberg, T. van (2008). Existentiële zielzorg. Tussen naam en identiteit. Zoetermeer: Meinema.

Kunneman, H. (2009). Voorbij het dikke-ik: Bouwstenen voor een kritisch humanisme. Deel 1. Amsterdam: SWP.

Ricoeur, P. (1994). Oneself as Another. Translated by Kathleen Blamey from the original Soi-même comme un autre. Chicago: The University of Chicago Press.

Taylor, C. (1989). Sources of the Self. The Making of the Modern Identity. Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press.

Edwin (dr. E.) van der Zande is werkzaam bij het Lectoraat Normatieve Professionalisering (Kenniscentrum Leren en Innoveren) aan de Hogeschool Utrecht.

< Terug